Conclusie
1.Inleiding
fairhuurvoorverhuurders.nl. Blijkens de informatie op de website beoogt de Stichting Fair Huur voor Verhuurders een huur- en huisvestingswetgeving die in overeenstemming is met art. 1 EP Pro.
decent profit)die resulteert uit een huuropbrengst (kale huur) van 6% van de WOZ-waarde. De procedure is overigens breder opgezet en ziet bijvoorbeeld ook op de wet verhuurderheffing en de inkomensafhankelijke huurverhoging. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 4 december 2013 de vorderingen afgewezen. [6] Ik kom daarop terug in 2.25 e.v..
rechtmatigheidals zodanig van onder meer het wettelijk systeem van huurprijsbescherming in het licht van het EVRM/EP, gaat het in de thans in cassatie voorliggende zaken om de
toepassingdie aan dat stelsel in het licht van art. 1 EP Pro in de twee voorliggende gevallen is gegeven, waarbij de middelen met name ingaan op de wijze van doorwerking van het EVRM/EP in horizontale relaties en op het punt van de
decent profit. Voor een goed begrip van de middelen in de onderhavige zaken is het nuttig het juridisch kader wat breder te schetsen.
2.Juridisch kader
niet-geliberaliseerdewoonruimte geldt, vereenvoudigd weergegeven, het volgende.
geliberaliseerdewoonruimte kan de huurder op de voet van art. 7:249 BW Pro binnen de eerste zes maanden de huurprijs laten controleren, zodat kan worden beoordeeld of de woning gezien de hoogte van de huur niet-geliberaliseerd is. Verder geldt de regel over de jaarlijkse huurverhoging (art. 7:251).
1 juli 1994(dan wel op of na 1 juli 1989 als het gaat om de eerste verhuur van een nieuwbouwwoning).
lawful) en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven (
legitimate aim in accordance with the general interest), terwijl er ook een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middellen en het doel dat ermee wordt nagestreefd (
reasonable relation of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised).Met dit laatse wordt gedoeld op de
‘fair balance’. Daarvan is geen sprake indien een individu wordt getroffen door een ‘
disproportionate and excessive burden’.
wide margin of appreciationgenieten, moeten zij wel kunnen aantonen een
specific assessmentte hebben gemaakt van de vraag of met de getroffen maatregel een
fair balancewordt bereikt tussen alle bij de maatregel betrokken belangen. [24] De eis van een
fair balancebrengt mee dat de maatschappelijke last van een maatregel – hoe belangrijk het te beschermen belang ook is – niet volledig op één (groep) rechthebbende(n) mag worden gelegd. [25] De proportionaliteitsbeoordeling door de rechter is sterk zaaksgebonden: alleen door rekening te houden met alle omstandigheden van het geval en door de concreet betrokken belangen op hun eigen gewicht te beoordelen, kan tot een redelijk oordeel over de proportionaliteit worden gekomen. [26] Ook bij de beoordeling van een concreet geval moet de nationale rechter de concrete balans tussen de betrokken rechten zoeken.
Spadea and Scalabrionocited above, § 18; and
Mellacher and Others, cited above, §§ 27 and 55). However, in none of those cases had the authorities restricted the applicants’ rights to such a considerable extent as in the present case.
Spadea and Scalabrino. In the latter case, although the State had temporarily suspended evictions from privately owned flats, landlords retained their right to terminate leases by means of a simple notice to quit, without any further restrictions. In contrast, in the instant case Polish legislation attached a number of conditions to the termination of leases, thus seriously limiting the landlords’ rights in that respect. Finally, in the case of
Mellacher and Others, while the domestic legislation restricted the rent chargeable, the levels of rent were never set, as in the present case, below the costs of maintenance of the property and landlords were able to increase the rent in order to cover the necessary maintenance expenses. That provision had at least made it possible for Austrian landlords to keep their property in a proper condition, whereas the Polish scheme did not, and does not, provide for any procedure for maintenance contributions or State subsidies, thereby causing the inevitable deterioration of the property for lack of adequate investment and modernisation (see paragraphs 82, 104 and 138).” [28]
Broniowski, cited above, §§ 186 and 192).
mutatis mutandis,
Hutten-Czapska,cited above, par. 196). This is especially so in the present case, where the building was occupied by the Government and the applicants had little or no chance to obtain the restitution of the property.
Hutten-Czapska,cited above, par. 239), have been met by restricting the owners to such extremely low returns. It has not been shown by the Government to the Court’s satisfaction that in the particular circumstances of their case, the applicants had at their disposal effective remedies capable of redressing the above-mentioned situation.”
Urbárska Obec Trenčianske Biskupice, cited above, § 144).
mutatis mutandis, Hutten-Czapska, cited above, §§ 222, 224–225). The Court is therefore not satisfied that the respondent State, notwithstanding its wide margin of appreciation in this area, struck a fair balance between the general interest of the community and the property rights of the applicants, who were made to bear a disproportionate burden.”
Lindheim and Others v. Norway(nos.
13221/08and
2139/10, § 129, 12 June 2012). Also, there is no indication that the rental income does not cover the necessary maintenance costs and taxes as in
Hutten-Czapska(cited above). There are also no other indications that the first and third applicants have had to bear a disproportionate and excessive burden.
.De concrete vordering van [eiser in de zaak 12/04165] is op een dergelijk rechtsgevolg onvoldoende toegespitst, dan wel zijn vordering is onvoldoende concreet gemotiveerd om het ingrijpen in de huuroveenkomst op een wijze als door [eiser in de zaak 12/04165] voorgestaan te kunnen rechtvaardigen”
decent profit) en dat indien zij die niet kunnen verkrijgen, reeds sprake is van een schending van het in artikel 1 Eerste Pro Protocol neergelegde eigendomsrecht. Beslissend is steeds, in het licht van artikel 1 Eerste Pro Protocol, of een redelijke balans bestaat tussen enerzijds de belangen van de eigenaar van de woning, waaronder begrepen het belang om rendement te genereren, en anderzijds het algemeen belang (waaronder de huurdersbelangen). (…)
decent profit) uit zijn eigendom omvat, weegt mee in die toetsing. Echter, niet kan worden aanvaard dat onder geen beding inbreuk zou mogen worden gemaakt op (dit deel van) bedoeld eigendomsrecht, zoals Fair Huur c.s. betoogt. Dat is voorbehouden aan de discretionaire bevoegdheid van de wetgever. Dit blijkt (onder meer) uit [rov. 239 van het tweede Poolse arrest; A-G] (…)”.
3.Feiten
€ 1.800.-per maand. (..)
1 juli 2011.”
4.Procesverloop
5.Bespreking van het middel
eerste klachtverdraagt de door het hof gehanteerde terughoudende en marginale toets aan de hand van deze artikelen BW zich niet met de intensieve toets die het EVRM, ook in horizontale verhoudingen, aanlegt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke verhouding (‘
fair balance’) tussen het algemene belang en de bescherming van individuele rechten
tweede klachtheeft het hof althans miskend dat de indirecte doorwerking van grondrechten in horizontale verhoudingen niet gepaard behoeft en behoort te gaan met een marginale toetsing van de redelijke verhouding tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. In dit verband is van belang dat het in deze zaak niet alleen gaat om de interpretatie van een huurcontract, maar “mede om de uitleg en toepassing van de betreffende nationale wetgeving, die een beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder en een huurprijsverhoging naar het niveau van een redelijk rendement onmogelijk maakt”. Dit gegeven, gecombineerd met “de ernst van de inbreuk in kwestie en het ontbreken van wettelijke remedies daartegen” doen een intensieve toetsing van de proportionaliteit van de onderhavige inbreuk op het eigendomsrecht van Hippos voor de hand liggen. Een terughoudende toets biedt geen waarborg nu “vaststaat dat de Nederlandse wetgeving niet voorziet in de mogelijkheden van adequate huurverhogingen en beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder in een situatie als de onderhavige”.
partly dissenting opinionde meerderheid terecht dat zij ‘substituted their own view of the proper interpretation of the will for that of the High Court of Justice of Andorra (…).’
intensievetoets door het EHRM tegenover een
terughoudendeen
marginaletoets door het hof aan art. 6:248 lid 2 en Pro 6:258 BW. Deze schets doet mijns inziens geen recht aan de aanpak van het hof.
the entitlement to derive profit’), die (ii) in een redelijke verhouding moet staan tot de actuele marktwaarde van de onroerende zaak en waarbij (iii) de onmogelijkheid dat rendement adequaat te verhogen kan leiden tot een disproportionele financiële last.
subonderdeel 1.2 in de onderhavige zaak figureert de structurele wanverhouding meer prominent. Dit verschil is voor de beoordeling van de klacht m.i. niet relevant, omdat de kern van de klacht ziet op de mogelijkheid van het behalen van rendement/winst.
slechtshet bestaan van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten die vanwege een huurbeschermingsmaatregel niet voor verbetering in aanmerking komt, tot het oordeel kan leiden dat de rechten van de eigenaar onevenredig worden aangetast.
decent profitkan ontlenen indien daarmee wordt bedoeld dat wanneer de verhuurder geen redelijk rendement of
decent profitgeniet er dus sprake is van een schending van art. 1 EP Pro. [55]
entitlement to derive profit from their property’ als een belang (‘
interest’) van verhuurders dat als een omstandigheid moet worden gewogen in het kader van de beoordeling of sprake is van een
fair balance. Zie bijvoorbeeld EHRM (Grote Kamer) in de zaak Hutten-Czapska, par. 229, genoemd in 2.9.3; de zaak Fleri Soler en Camilleri/Malta,genoemd in 2.11.2.
fair balance.Vgl. EHRM (Grote Kamer) in de zaak Hutten-Czapska, par. 224, genoemd in 2.9.3; EHRM 12 juni 2012 (Lindheim e.a./Noorwegen), par. 129, genoemd in 2.12; EHRM 2 juli 2013 ([eiser in de zaak 12/04165] e.a./Nederland), par. 38, genoemd in 2.15.2. In dit licht moet men m.i. overwegingen van het EHRM lezen, waarin een Staat wordt verweten het onmogelijk te maken ‘a minimum profit’ te behalen (zoals in het oordeel van EHRM (Vierde Kamer) in de zaak Hutten-Czapska, genoemd in 2.9.2, en in het oordeel in de zaak Amato Gauci, genoemd in 2.11.1) of waarin wordt opgemerkt dat sprake is van een ‘low level of rent, bearing no relation to the actual value of the land’ (zoals in de zaak Urbárska/Slowakije, genoemd in 2.10).
subonderdeel 2.3.
compulsory letting’.
zijzich bevindt in een structureel verliesgevende situatie. Het partijdebat in feitelijke instanties betrof steeds het financiële plaatje van de rechtspersoon Hippos. Hippos is de vermogensrendementsheffing niet verschuldigd. Het argument van vereenzelviging van het subonderdeel is een novum dat zich niet leent voor toetsing in cassatie. Onbegrijpelijk kan het oordeel van het hof niet worden genoemd.
subonderdeel 3.2doet een beroep op het bij 5.21 bedoelde betoog en faalt om de daar aangegeven reden.
subonderdeel 4.3bouwt voort op onderdeel 2 en
subonderdeel 4.4bevat een veegklacht, zodat deze subonderdelen geen afzonderlijke bespreking behoeven.