ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9129
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek uitgaven levensonderhoud en alleenstaande-ouderkorting
Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting 2005 aftrekposten voor kosten van levensonderhoud van haar oudste zoon en de alleenstaande-ouderkorting opgevoerd, welke door de inspecteur werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt het Hof dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen de kosten voor het levensonderhoud van haar oudste zoon voor haar rekening te nemen, ondanks diens bescheiden spaarsaldo en geringe eigen inkomsten.
Het Hof stelt vast dat de oudste zoon in het derde en vierde kwartaal van 2005 geen studiefinanciering of eigen inkomsten had en dat de uitgaven van belanghebbende daadwerkelijk zijn gedaan en gedragen. Hierdoor is sprake van een op belanghebbende drukkende bijdrage in de kosten van levensonderhoud, waardoor aftrek gerechtvaardigd is.
Daarnaast oordeelt het Hof dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor de alleenstaande-ouderkorting, aangezien zij ongehuwd is, een huishouden voert met haar oudste zoon die in belangrijke mate door haar wordt onderhouden en die op hetzelfde adres staat ingeschreven.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bezwaar, vermindert de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.541, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag verminderd met aftrek voor levensonderhoud en toepassing van de alleenstaande-ouderkorting.