ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tijdelijke opheffing erfdienstbaarheid recht op overpad met vergoeding
In deze civiele zaak staat het gebruik van een erfdienstbaarheid, het recht op overpad, centraal. Appellant vordert opheffing of beperking van het recht vanwege hinderlijk gebruik door geïntimeerde, die volgens appellant het erf te vaak en op agressieve wijze betreedt. Geïntimeerde betwist dit en stelt dat hij het recht nodig heeft om zijn weiland te bereiken, en dat appellant zelf het gebruik belemmert.
Het hof oordeelt dat de conflicten tussen partijen geen onvoorziene omstandigheden vormen die opheffing van de erfdienstbaarheid rechtvaardigen. Ook is de vordering tot gebruik op de minst bezwarende wijze onvoldoende concreet. De mogelijkheid om een dam aan te leggen tussen het weiland en het perceel is besproken, maar de erfdienstbaarheid is niet opgeheven omdat deze destijds niet is afgeschaft.
Het hof stelt vast dat tijdelijke opheffing van de erfdienstbaarheid mogelijk is indien appellant een vergoeding van €10.000 betaalt, zodat geïntimeerde een dam kan aanleggen. De opheffing geldt zolang het weiland en het perceel eigendom zijn van geïntimeerde of zijn familie, en herleeft bij verkoop aan derden. Partijen krijgen gelegenheid te reageren op deze voorwaarden, waarna het hof verdere beslissing zal nemen.
Uitkomst: Het hof staat tijdelijke opheffing van het recht op overpad toe tegen betaling van €10.000 onder voorwaarden van herleving bij verkoop.