Conclusie
Waterschap Vechtstromen
[eiser 2]
adv.: mr. J. de Jong van Lier
adv.: mr. J.F. de Groot
In hoger beroep is [verweerder] opgekomen tegen de wijziging en de hoogte en wijze van vaststelling van de schadeloosstelling. Hangende het hoger beroep heeft [verweerder] het heersend erf gesplitst en de nieuwe percelen overgedragen aan derden, die vervolgens door het Waterschap c.s. in het geding zijn opgeroepen (art. 118 Rv Pro). Het door [verweerder] ingebrachte schaderapport is opgesteld door een partijdeskundige, die ook ter zitting het woord heeft gevoerd. Nadat enkele tussenarresten waren gewezen, heeft het Waterschap c.s. verzocht om wraking op de grond dat de partijdeskundige als deskundig lid aan de pachtkamer van het hof bleek te zijn verbonden. De raadsheren hebben in hun wraking berust.
In cassatie van een door de gewraakte combinatie gewezen tussenarrest gaat het om de vraag of [verweerder] nog ontvankelijk is in zijn hoger beroep, of en zo ja op welk tijdstip de erfdienstbaarheid rechtens is gewijzigd, of [verweerder] als niet-eigenaar nog recht heeft op een schadeloosstelling ex art. 5:81 BW Pro, en of deze vergoeding moet worden vastgesteld overeenkomstig de systematiek van de Onteigeningswet. Ook wordt geklaagd dat bepaalde (discretionaire) eindbeslissingen zijn gegeven door raadsheren ten aanzien van wie een objectief gerechtvaardigde vrees van partijdigheid bestaat (art. 6 EVRM Pro).
1.Feiten en procesverloop
het dienende erf). [eiser 2] is tevens eigenaar van de percelen [003] en [004] .
het heersende erf).
het projectplan) vastgesteld. Het projectplan voorziet in de aanleg van een nevengeul op de zuidelijke oever van de Vecht ter hoogte van [terrein] – waarvan [eiser 2] de exploitant is – en is mede geprojecteerd op het dienende erf. Met het project worden de volgende resultaten nagestreefd: (1) de waterveiligheid bij Maatgevend Hoog Water (MHW) wordt vergroot; (2) de recreatieve waarden worden verhoogd; (3) de natuurwaarden worden versterkt.
het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt onder meer de aanleg van de nevengeul planologisch mogelijk en voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een alternatieve ontsluiting van het perceel van [verweerder] . Het door [verweerder] tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 15 juni 2016 door de Raad van State ongegrond verklaard.
Ow), aldus [verweerder] . [15] Omdat het Waterschap c.s. dit in zijn inleidende dagvaarding niet heeft verzocht en ook niet uitdrukkelijk als voorwaarde aan zijn vorderingen heeft verbonden, ziet [verweerder] zich genoodzaakt in voorwaardelijke reconventie alsnog daartoe strekkende vorderingen in te stellen. [16]
in conventiede erfdienstbaarheid gewijzigd overeenkomstig de “Akte vestiging en beëindiging erfdienstbaarheden” en de tekening “Toegangsweg [a-straat 1b] ontwerp variant B”. [22] Aan deze wijziging heeft de rechtbank als voorwaarde verbonden dat [verweerder] schadeloos gesteld wordt tot een bedrag van € 16.226,62 (inclusief BTW). De rechtbank heeft haar vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
In reconventieheeft de rechtbank de vorderingen van [verweerder] afgewezen.
primairdat (I) het Waterschap c.s. alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard althans zijn vorderingen worden afgewezen, en (II) het Waterschap c.s. wordt veroordeeld tot herstel van de oorspronkelijke ontsluiting, althans hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van overeenkomstig art. 40 en Pro 50 Ow vast te stellen schadevergoeding begroot op € 252.650,- vermeerderd met deskundige en rechtskundige kosten van € 111.618,01, en (III) indien het Waterschap c.s. niet veroordeeld kan worden tot herstel van de oorspronkelijke ontsluiting, het Waterschap c.s. wordt veroordeeld tot aanpassing van de huidige ontsluiting conform het Ontwerprapport;
subsidiair, voor het geval het Waterschap c.s. ontvangen kan worden in zijn vorderingen en zijn vordering toewijsbaar is, (IV) de erfdienstbaarheid te wijzigen conform het Ontwerprapport [24] en (V) aan de wijziging op grond van art. 5:81 BW Pro de voorwaarde tot vergoeding van schade overeenkomstig art. 40 en Pro 50 Ow te verbinden, begroot op € 252.650,- en € 111.618,01 aan deskundige en rechtskundige kosten, met (VI) hoofdelijke veroordeling van het Waterschap c.s.;
Het incidenteel hoger beroep en de wijziging van eis komen erop neer dat de in eerste aanleg tegen [verweerder] ingestelde vorderingen (voor het geval het vonnis van de rechtbank geen goederenrechtelijke werking heeft [30] ) nu tegen [de vennoten] als de nieuwe eigenaren van het heersend erf worden ingesteld [31] en dat het vonnis van de rechtbank – in geval van toewijzing van die vorderingen – in zoverre ook vernietigd dient te worden. [32] Het Waterschap c.s. vordert ook een verklaring voor recht op het punt van de gebondenheid van [de vennoten] als opvolgende eigenaren aan het vonnis van de rechtbank gevolgd door inschrijving daarvan in het kadaster. [33]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het eerste en het vierde onderdeel zien op de ontvankelijkheid van [verweerder] in hoger beroep (tussenarrest van 7 juli 2020, rov. 2.9). Het tweede onderdeel is gericht tegen de door het hof vastgestelde datum van wijziging van de erfdienstbaarheid (rov. 2.25). Het derde onderdeel heeft betrekking op (de wijze van vaststelling van) de schadeloosstelling (rov. 2.27-2.29 en rov. 2.49). Het vijfde onderdeel is gericht tegen een feitelijke vaststelling van het hof in zijn tusenarrest van 24 november 2020.
primair, dat het hof in rov. 2.9 (laatste volzin) van zijn arrest van 7 juli 2020 ten onrechte heeft overwogen dat [verweerder] nog steeds ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;
subsidiair, dat het hof, indien het de schadeloosstelling heeft beoordeeld in het kader van de reconventionele vordering, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
in zoverre tevens reeds in reconventie”: (i) de op voet van art. 5:81 BW Pro aan de wijziging te verbinden schadeloosstelling beoordeeld, (ii) de door [verweerder] voorgestane systematiek verworpen (rov. 5.17) en (iii) op die grond de in reconventie gevorderde vaststelling overeenkomstig art. 40 e.v. Ow afgewezen (rov. 4.24, slot).
fen
g(toegelicht in MvG nrs. 78 e.v. resp. 87 e.v.) gericht tegen de schadeberekening in rov. 5.17-5.25 van het eindvonnis, daaronder begrepen het oordeel (onder het kopje “
in zoverre tevens reeds in reconventie”) dat de door [verweerder] in reconventie gevorderde vaststellling van de schade overeenkomstig art. 40 e.v. Ow met benoeming van drie deskundigen zal worden afgewezen (rov. 5.24, slot). Daarop stuiten beide klachten af.
geen belangmeer heeft en
uit dien hoofdeniet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie rov. 2.7, onder het kopje “
Belang [verweerder]”), welk verweer het hof voor wat betreft de aanspraak op schadevergoeding verwerpt. [44] Dat is een andere kwestie dan niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van grieven. [45]
e[art. 3:17 lid 1 onder Pro
eBW]
.Blijft inschrijving achterwege, dan geldt de sanctie van artikel 3.1.2.7 [art. 3:24].’ [54]
De rechtbank heeft met het vonnis van 1 maart 2017 de erfdienstbaarheid gewijzigd en deze wijziging uitvoerbaar bij voorraad verklaard.”). Het berust op de lezing dat het hof de rechtsopvatting huldigt dat het wijzigingsvonnis de nieuwe rechtstoestand teweeg kan brengen voordat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Volgens het subonderdeel miskent het hof aldus dat de wijziging van een erfdienstbaarheid door een rechterlijke uitspraak niet eerder tot stand komt dan bij het onherroepelijk worden van die uitspraak. Betoogd wordt dat de aard van een constitutieve uitspraak waarbij een erfdienstbaarheid wordt gewijzigd eraan in de weg staat dat een uitvoerbaarverklaring bij voorraad tot gevolg heeft dat de nieuwe rechtstoestand direct ontstaat.
laatste volzin, ten onrechte ervan is uitgegaan dat de in het vonnis van de rechtbank vervatte wijziging van de erfdienstbaarheid pas goederenrechtelijke werking verkreeg door inschrijving van dit vonnis in de openbare registers. Volgens het subonderdeel is inschrijving in de openbare registers geen voorwaarde voor de wijziging van een erfdienstbaarheid, maar treedt de wijziging in (en heeft zij goederenrechtelijke werking) zodra de uitspraak onherroepelijk wordt.
ander dienend erf(vgl. ’s hofs aanduiding van de percelen [003] en [010] als “de nieuwe dienende erven” (rov. 2.1)), waarmee de gedachte aan een verhulde
vestiging(met bijbehorende formaliteiten) zich zou kunnen opdringen. Weliswaar lijkt de wetgever, gelet op de gegeven voorbeelden, bij de wijzigingsregeling van art. 5:78 BW Pro met name te hebben gedacht aan de wijziging van de inhoud van een bestaande erfdienstbaarheid op dienend erf A, en niet zozeer aan de vervanging van dienend erf A door dienend erf B, maar die laatste variant wordt ook niet uitgesloten. Ook verdraagt de totstandkoming van een erfdienstbaarheid bij rechterlijke uitspraak zich met de bepaling dat erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door vestiging en door verjaring (art. 5:72 BW Pro). Deze bepaling lijkt niet limitatief te zijn bedoeld. [66]
als peildatum voor de schade zal uitgaan van 11 april 2017; de datum waarop het vonnis van de rechtbank van 1 maart 2017 is ingeschreven in de openbare registers.” Het gaat ervan uit dat het hof met deze overweging voortbouwt op het met de voorgaande subonderdelen bestreden oordeel dat de wijzigingsuitspraak goederenrechtelijke werking verkreeg met de inschrijving van het vonnis. Gegrondbevinding van een van die subonderdelen brengt mee dat ook rov. 2.34 niet in stand kan blijven, aldus de klacht.
subonderdeel 2.4is gericht tegen rechtsoverweging 2.25,
laatste volzin. Het betoogt dat er bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag van moet worden uitgegaan dat de schadeloosstelling van € 16.226,62 niet is betaald en klaagt dat het hof – met zijn oordeel dat de wijziging met de inschrijving van het vonnis goederenrechtelijke werking heeft verkregen – heeft miskend dat een wijziging van een erfdienstbaarheid waaraan door de rechter op grond van artikel 5:81 lid 1 BW Pro een voorwaarde is verbonden niet eerder werking verkrijgt dan bij vervulling van die voorwaarde.
Daarvan bevatten de subonderdelen 3.2 (‘
Ten tweede’), 3.5(b) en 3.7 klachten over schending van fundamentele beginselen van procesrecht. Deze klachten zullen gezamenlijk worden behandeld (zie hierna onder 2.57 e.v.).
subonderdelen 3.1 en 3.2 (‘Ten eerste’)keren zich, naar de kern genomen, tegen het feit dat het hof een schadeloosstelling op de voet van art. 5:81 BW Pro vaststelt ten behoeve van [verweerder] (rov. 2.26 e.v.).
subonderdeel 3.1is dit onbegrijpelijk omdat [verweerder] sinds de overdracht van het heersend erf niet langer
eigenaardaarvan is en op die grond
geen partijmeer is in het geschil over de wijziging van de erfdienstbaarheid en de eventueel daaraan te verbinden schadeloosstelling.
Indien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder] nog partij is in het geschil over de wijziging van de erfdienstbaarheid, is dat onjuist: sinds de overdracht heeft de nieuwe eigenaar ( [de vennoten] ) zijn processuele positie overgenomen en heeft [verweerder] (behoudens ten aanzien van de proceskosten) ook geen eigen belang meer, aldus het subonderdeel. [68]
anderdan degene die
ten tijde van de wijzigingrechthebbende is van het heersend erf (
subonderdeel 3.2 (‘Ten eerste’).
Ten eerste’) faalt dan ook bij gemis aan feitelijke grondslag.
Ten eerste’) naar mijn mening op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals opgemerkt (onder 2.15), is de rechter bij het formuleren van voorwaarden in de zin van art. 5:81 BW Pro de grootst mogelijke vrijheid gegund. Ofschoon uit de feitenrechtspraak blijkt dat het meestal neerkomt op toekenning van een schadeloosstelling aan de eigenaar van het heersend erf [69] of een (al dan niet geldelijke) bijdrage in de aanleg van een alternatieve ontsluiting van diens erf [70] , kan het onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd zijn om bij de wijziging van een erfdienstbaarheid een schadeloosstelling toe te kennen aan een ander dan de actuele eigenaar van het heersend erf. Te denken valt aan situaties waarin het materiële belang bij die ander ligt. Mijns inziens biedt de ruime, met inachtneming van redelijkheid en billijkheid uit te oefenen [71] , discretionaire bevoegdheid van de rechter daarvoor de ruimte.
ex nunc [73] , [verweerder] geen recht heeft op een schadeloosstelling omdat (i) hij ten tijde van de uitspraak van het hof geen eigenaar meer is van het heersend erf en (ii) voorwaarden in de zin van art. 5:81 BW Pro alleen strekken tot bescherming van de eigenaar van het heersend erf. [74]
Ten eerste’) falen.
peildatumvoor de schadevaststelling
de datum van inschrijving van het wijzigingsvonnis(11 april 2017) zal worden gehanteerd (rov. 2.34).
motiveringsklachtis dit oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof niet aangeeft op welke grondslag de (bepaling van de hoogte van de) schadeloosstelling berust. Volgens het Waterschap c.s. zou een grondslag ontbreken.
Ten eerste’) is gebleken, heeft het hof op de grondslag van art. 5:81 BW Pro een schadeloosstelling kunnen toekennen aan [verweerder] .
bij het begroten van de schade in het kader van art. 5:81 BW Pro zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de systematiek van schadevaststelling in de Onteigeningswet(rov. 2.29, slot). Tegen dit oordeel worden twee rechtsklachten gericht.
eersterechtsklacht houdt in dat aan de bestreden overweging van het hof de onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt dat in het kader van art. 5:81 BW Pro schade
moetworden begroot.
tweederechtsklacht is het hof uitgegaan van de onjuiste opvatting dat bij de begroting van schade in het kader van art. 5:81 BW Pro zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de systematiek van schadevaststelling in de Onteigeningswet.
in dit concrete geval(“bij deze schadebegroting”) aanleiding om aansluiting te zoeken bij de systematiek van de Onteigeningswet, omdat die wijze van schadebegroting het meest in overeenstemming is met de aard van de schade (art. 6:97 BW Pro). De klacht berust dus op een onjuiste lezing van het arrest en faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
in de aard van de schade aanleiding ziet om ruimhartig om te gaan met de door [verweerder] / [de vennoten] gevorderde kosten van deskundigen en/of (rechts-)bijstand.
Subsidiairklaagt het subonderdeel dat het oordeel zonder nader toelichting onbegrijpelijk is. Volgens het Waterschap c.s. geeft de aard van de schade – verlegging van de uitweg voordat het heersend erf werd overgedragen – namelijk juist geen aanleiding voor ruime toerekening.
“Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”en zijn verwijzing naar de dubbele redelijkheidstoets geeft het hof in rov. 2.49 kennelijk toepassing aan art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en sub b, BW.
- rov. 2.26: aan [verweerder] zal een schadeloosstelling op de voet van art. 5:81 BW Pro worden toegekend (
subonderdeel 3.2 (‘Ten tweede’));
- rov. 2.29: bij het begroten van de schade moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de schadevaststellingssystematiek van de Onteigeningswet (
subonderdeel 3.5 (b));
- rov. 2.49: het hof ziet in de aard van de schade aanleiding ruimhartig om te gaan met de gevorderde kosten van deskundigen en/of (rechts-)bijstand (
subonderdeel 3.7).
objectief gerechtvaardigde vrees voor onvoldoende onpartijdigheidbestond.
- aan de zijde van [verweerder] is een schaderapport overgelegd dat is opgesteld door zijn adviseur [partijdeskundige] ;
- tijdens de comparitie bij het hof was [partijdeskundige] als adviseur aanwezig en heeft hij namens [verweerder] het woord gevoerd;
- [partijdeskundige] is een deskundig lid van (de pachtkamer van [80] ) het hof;
- [partijdeskundige] heeft samen met een van de behandelend raadsheren (mr. De Witte [81] ) tussen december 2018 en december 2019 in ten minste drie verschillende zaken arresten gewezen;
- de raadsheren hebben het Waterschap c.s. niet gemeld dat deze adviseur van [verweerder] ook deskundig lid van het hof was.
[…] /TNOoverwogen dat er voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een onpartijdige en onafhankelijke uitoefening van de functie van rechter-plaatsvervanger door advocaten. [95] Daarbij betrok hij ook de binnen de rechterlijke macht geldende ongeschreven regel dat de rechter-plaatsvervanger zich onthoudt van het behandelen van en beslissen in zaken, waarmee hijzelf of een van zijn kantoorgenoten van doen heeft (gehad).
Wettstein/Zwitserlanddat vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd was toen de behandelende rechter-plaatsvervanger in een andere procedure optrad als gemachtigde van een wederpartij van de klager en kantoorruimte deelde met een advocaat die in een andere procedure tegenover klager had gestaan. [97] In de zaak
Steck-Risch/Liechtensteinachtte het EHRM schijn van partijdigheid afwezig toen een rechter-plaatsvervanger als lid van het Constitutionele Hof een uitspraak van een andere rechter-plaatsvervanger moest beoordelen, terwijl beide rechters-plaatsvervangers aan hetzelfde advocatenkantoor waren verbonden. Volgens het EHRM speelde hierbij een rol dat de beide advocaten slechts kantoorruimte deelden, maar verder geen professionele, financiële banden hadden. Daarnaast bestond er geen gezagsverhouding en was er geen indicatie dat de beide advocaten bijzonder hechte vrienden waren en hun verhouding verder ging dan een professionele relatie als collega’s. [98]
Ten Tweede’), 3.5(b) en 3.7 falen.
mr. Sanderinkeen wrakingsverzoek heeft gedaan (rov. 2.3), om een nieuwe mondelinge behandeling heeft verzocht (rov. 2.6) respectievelijk een bepaald betoog heeft gevoerd (rov. 2.8). Het onderdeel berust op de lezing dat het hof ervan uitgaat dat de procedure wordt gevoerd tussen mr. Sanderink en het hof en klaagt dat die opvatting onjuist is.
Mr. Sanderink heeft namens zijn cliënten de kamer van het hof gewraakt”) blijkt dat het hof ervan uitgaat dat mr. Sanderink niet voor zichzelf optreedt, terwijl de kop van het arrest als partijen [verweerder] enerzijds en het Waterschap c.s. anderzijds als partijen vermeldt, met [de vennoten] als opgeroepen derde. Nergens blijkt dat het hof als partij wordt aangemerkt.