ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0453
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.E. Kostense
- H.N. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing vennootschapsbelasting bij fiscale eenheid en toepassing artikel 25 BRK
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, stelde dat haar dochtermaatschappij op de Nederlandse Antillen als houdstermaatschappij moest worden aangemerkt volgens artikel 25 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), waardoor interne rentebetalingen slechts tegen 4% belast zouden mogen worden. De rechtbank had dit standpunt verworpen en het hof bevestigt dit oordeel.
Het hof overweegt dat door de fiscale eenheid de dochtermaatschappij voor Nederlandse belastingdoeleinden is opgegaan in de moedermaatschappij, waardoor zij geen zelfstandig belastingplichtig subject is. Hierdoor kan artikel 25 BRK Pro niet worden toegepast op de dochtermaatschappij. Ook het beroep op Europese vrijheden zoals vestigingsvrijheid en kapitaalverkeer wordt afgewezen, mede omdat de Nederlandse Antillen niet als lidstaat worden beschouwd en de situatie als interne verhouding wordt gezien.
Het hof wijst verder op het ontbreken van een definitie van houdstermaatschappij in de BRK en bevestigt dat het verschil in kwalificatie tussen Nederland en de Antillen niet tot een andere belastingheffing leidt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij het belastbare bedrag wordt vastgesteld tegen het reguliere vennootschapsbelastingtarief.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de dochtermaatschappij binnen de fiscale eenheid niet als houdstermaatschappij kwalificeert en dat de interne rente tegen het reguliere vennootschapsbelastingtarief wordt belast.