ECLI:NL:HR:2007:AY3632
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering renteaftrek wegens niet-houdstermaatschappij in fiscale eenheid
In deze zaak gaat het om een aanslag vennootschapsbelasting over 1992 die aan de rechtsvoorgangster van belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende maakte deel uit van een fiscale eenheid met werkmaatschappijen en was moedermaatschappij. In 1992 werd een dividend gedeclareerd via een tussenhoudstermaatschappij, waarbij een lening werd opgenomen ter financiering.
De werkelijke leiding van belanghebbende werd in 1992 verplaatst naar Aruba en later naar de Nederlandse Antillen. Tevens werd een Arubaanse vennootschap opgericht waarin belanghebbende en haar directeur aandelen hielden. Het geschil betrof de vraag of de rente over de lening aftrekbaar was, waarbij het Hof oordeelde dat aftrek moest worden geweigerd omdat belanghebbende niet als houdstermaatschappij kon worden aangemerkt volgens artikel 25 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering en wees proceskostenveroordeling af. Het arrest werd in november 2007 gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van Van Brunschot.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat renteaftrek wordt geweigerd omdat belanghebbende geen houdstermaatschappij is.