ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8340
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- H.E. Kostense
- A.M.J.G. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Hof bevestigt deelnemingsvrijstelling voor redeemable preference shares na herstructurering
Belanghebbende, houdster van een fiscale eenheid, ontving in 2004 een vergoeding van €900.245 uit redeemable preference shares (RPS) in haar Australische dochtermaatschappij. De inspecteur kwalificeerde deze vergoeding als belastbare financieringsvergoeding, stellende dat de RPS feitelijk een lening zijn. De rechtbank volgde dit standpunt deels en verwierp de deelnemingsvrijstelling.
In hoger beroep oordeelde het hof dat het Nederlandse fiscale recht primair uitgaat van de civielrechtelijke kwalificatie van aandelen en dat de RPS, ondanks hun hybride kenmerken, voldoende vergelijkbaar zijn met cumulatief preferente aandelen volgens Nederlands recht. Hierdoor vallen de voordelen uit hoofde van deze aandelen onder de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb.
Het hof verwierp ook het fraus legis-verweer van de inspecteur, omdat niet aannemelijk was dat de omzetting van leningen in RPS uitsluitend was bedoeld om belasting te ontwijken. De aanslag bleef in stand, maar het bedrag van het verrekende verlies werd verminderd. Het hof veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De vergoeding op de redeemable preference shares valt onder de deelnemingsvrijstelling, waardoor het beroep van belanghebbende wordt toegewezen en het verrekende verlies wordt verminderd.