ECLI:NL:GHAMS:2012:BX6093
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- A.M.J.G. van Amsterdam
- J.P.F. Slijpen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrekbaarheid van borgstellingsbetalingen na faillissement en ontbinding vennootschappen
Belanghebbende, bestuurder en aandeelhouder van drie vennootschappen, had zich borg gesteld voor schulden van deze vennootschappen aan een bank. Na faillissement en ontbinding van de vennootschappen betaalde hij bedragen uit hoofde van deze borgstellingen. De inspecteur stelde dat alleen betalingen vóór ontbinding in aftrek konden worden gebracht als verlies uit werk en woning, terwijl betalingen na ontbinding niet aftrekbaar waren.
De rechtbank had het verlies uit werk en woning vastgesteld op €106.099, maar het hof vernietigt dit deels. Het hof oordeelt dat het tijdstip van ontbinding het uiterste moment is om rekening te houden met verlies uit aanmerkelijk belang. Betalingen na ontbinding moeten als informele kapitaalstorting worden gezien die de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang verhogen.
Verder stelt het hof vast dat sprake is van een onzakelijke borgstelling, omdat een onafhankelijke derde niet onder dezelfde voorwaarden borg zou zijn gegaan. De inspecteur heeft onvoldoende bewijs geleverd dat belanghebbende op het moment van borgstelling al wist dat de vennootschappen niet aan hun verplichtingen konden voldoen.
Het hof bevestigt de uitspraak op bezwaar waarin het verlies uit werk en woning is vastgesteld, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het anders oordeelde, en stelt het verlies uit aanmerkelijk belang vast op €121.466. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt vastgesteld op €121.466 en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.