ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3679
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep navorderingsaanslag en vergrijpboete inkomstenbelasting 2005
Belanghebbende, een accountant en fiscaal adviseur, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2005, gebaseerd op een boekenonderzoek dat onvolledige aangifte en niet aangegeven inkomsten aannemelijk maakte. De inspecteur stelde een navorderingsaanslag vast op een belastbaar inkomen van €23.681 en legde een vergrijpboete van 50% op wegens opzet.
Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank, waarbij de aanslag en boete werden verminderd, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de navorderingsaanslag en de boete. Het Hof stelde vast dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan en dat de inspecteur terecht omkering en verzwaring van de bewijslast toepaste. Het Hof achtte aannemelijk dat belanghebbende inkomsten had genoten die niet waren aangegeven en dat de schatting van de inspecteur redelijk was, maar vond de navorderingsaanslag te hoog en stelde deze bij op €18.716.
De vergrijpboete werd bevestigd, maar verminderd tot 45% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Het Hof oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn onbetwist was en dat de vermindering passend was. Tevens werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed. De uitspraak bevestigt het belang van correcte aangifte en de toepassing van sancties bij opzettelijke onjuistheden, met aandacht voor redelijke termijnen in bestuursprocedures.
Uitkomst: Navorderingsaanslag en vergrijpboete verminderd, boete vastgesteld op 45% wegens overschrijding redelijke termijn.