ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4641
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake heffingsrente en immateriële schadevergoeding na verwijzing Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen het achterwege blijven van heffingsrentevergoeding over de jaren 2006 en 2007 na ambtshalve vermindering van voorlopige aanslagen. De rechtbank wees de beroepen ongegrond, het Gerechtshof te ’s-Gravenhage bevestigde dit, maar de Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof Amsterdam bevestigde dat het bezwaar over 2006 niet-ontvankelijk was omdat het niet tijdig was ingediend binnen zes weken na de definitieve aanslag. Voor 2007 oordeelde het Hof dat het bezwaar wel ontvankelijk was en kende het een vergoeding van €532 aan heffingsrente toe over het tweede halfjaar van 2007.
Daarnaast wees het Hof het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak werd gedaan door drie rechters van de belastingkamer op 21 februari 2013.
Uitkomst: Bezwaar 2006 niet-ontvankelijk verklaard, bezwaar 2007 gegrond met toekenning heffingsrente en kostenvergoeding, immateriële schadevergoeding afgewezen.