ECLI:NL:HR:2011:BP3068
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Vergoeding heffingsrente bij ambtshalve vermindering voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende ontving voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting die in 2007 ambtshalve werd verminderd zonder vergoeding van heffingsrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen het niet vergoeden van rente over het tweede halfjaar van 2006. De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk en kende een rentevergoeding toe. Het hof vernietigde deze uitspraak en kende een lagere rentevergoeding toe, waarbij het bezwaar ontvankelijk werd verklaard door conversie van de ambtshalve vermindering in een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag.
De Hoge Raad bevestigt dat het opleggen van een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag mogelijk is en dat de keuze daartoe aan de inspecteur is. De rentenadeel die ontstaat door de keuze van de inspecteur moet worden vergoed op grond van het evenredigheidsbeginsel. Hoewel tegen de ambtshalve vermindering zelf geen bezwaar openstaat, kan bezwaar worden gemaakt tegen het niet tijdig vergoeden van heffingsrente. Dit bezwaar is ontvankelijk indien het binnen zes weken na de definitieve aanslag wordt ingediend, tenzij er gegronde redenen zijn voor latere indiening.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat de inspecteur gehouden is heffingsrente te vergoeden bij ambtshalve vermindering van een voorlopige aanslag en dat belanghebbenden tijdig bezwaar moeten maken tegen het niet vergoeden van deze rente.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.