ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3011
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- F.J.P.M. Haas
- M.J. Leijdekker
- C.W.M. van Ballegooijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing pensioenaanspraak en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, bestuurder van Stichting [A], betwistte dat de door hem ontvangen pensioenaanspraak in 2004 door de inspecteur in de heffing mocht worden betrokken. Het geschil betrof ook of deze aanspraak ultimo 2004 tot de rendementsgrondslag (box 3) behoort en of vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg toekwam.
De feiten toonden aan dat Stichting [A] een stellig voornemen had om pensioenrechten toe te kennen, maar dat dit pas in maart 2004 werd geconcretiseerd met bestuursbesluiten, pensioenoffertes en ondertekening van de pensioenbrief. De rechtbank had geoordeeld dat de aanspraak terecht in 2004 werd belast, niet eerder, mede op grond van het voorzichtigheidsbeginsel van goed koopmansgebruik.
Het Hof bevestigde dit oordeel en verwierp het standpunt dat reeds in 2003 een juridisch afdwingbare pensioentoezegging bestond. Tevens oordeelde het Hof dat de pensioenaanspraak als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 behoort en dat het niet bevoegd is te oordelen over de vermeende onredelijkheid van dubbele belastingheffing in box 1 en box 3.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg kende het Hof een vergoeding van € 1.500 toe wegens immateriële schade, omdat de behandeling langer dan twee jaar had geduurd zonder bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor dit onderdeel en ongegrond voor het navorderingsaanslagdeel.
Uitkomst: De pensioenaanspraak is terecht in 2004 belast en belanghebbende krijgt een vergoeding van € 1.500 voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.