ECLI:NL:GHAMS:2016:565
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake navorderingsaanslagen en vergoeding immateriële schade belastingzaken
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen uitspraken van de rechtbank inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2008. De rechtbank had de beroepen tegen de navorderingsaanslagen voor 1990 en 1991 niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond, met uitzondering van een boetebeschikking over 2005 die werd verminderd.
Het geschil betrof met name de ontvankelijkheid van de beroepen, de beoordeling van de toegepaste boete, en het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof bevestigde dat het beroep tegen navorderingsaanslagen die reeds tot nihil waren verminderd terecht niet-ontvankelijk was, maar oordeelde dat het verzoek om immateriële schadevergoeding desalniettemin behandeld moest worden.
Na uitgebreide toetsing van de duur van de bezwaarfase en de beroepsprocedure, waarbij rekening werd gehouden met de complexiteit van de zaak en de invloed van belanghebbende op de procesduur, concludeerde het hof dat de redelijke termijn niet was overschreden. Daarom bestond geen grond voor vergoeding van immateriële schade. Ook de toegepaste wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding werd door het hof bevestigd.
De uitspraak van de rechtbank werd met verbetering van gronden bevestigd en de hoger beroepen werden ongegrond verklaard. Er werden geen kosten aan het hoger beroep verbonden.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond, verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen, uitspraak rechtbank bevestigd.