Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
28 februari 2014van u te ontvangen.
eiseres:
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
“dat [T BV] tegen vergoeding personen naar [N] vervoert en hiervoor gebruik maakt van de parkeergelegenheid die wordt geboden op de parkeerplaats [N] :”en verder
“[dat het] aantal personen dat door [T BV] onder eigen naam en onder naam van de firma [naam] in de periode 1 januari tot en met 31 december 2012 tegen betaling naar [N] wordt vervoerd, wordt vastgesteld op 27.760”. De veronderstelling van belanghebbende dat de vaststellingovereenkomst (en de daaruit voortvloeiende te betalen belasting) mede zou zien op toeristen die door haar zijn vervoerd en waaraan [T BV] tickets heeft verkocht - volgens belanghebbende zou dit in 2013 gaan om 55.077 tickets - vindt dan ook, naar het oordeel van het Hof, geen steun in de vaststellingsovereenkomst. Bovendien ligt dit laatste ook niet voor de hand. [T BV] zou dan dagtoeristenbelasting betalen ter zake van handelingen waarvoor zij op grond van (de tekst van) de Verordening niet in de dagtoeristenbelasting kan worden betrokken. Het Hof acht het dan ook niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, sprake is van dubbele heffing van dagtoeristenbelasting. Van een onverbindendverklaring van de Verordening, dan wel vermindering van de aanslag om die reden kan dan ook geen sprake zijn.