ECLI:NL:GHAMS:2017:5529
Gerechtshof Amsterdam
- Verwijzing na Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens weigering beschermingsbewind
De zaak betreft de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellante wegens het ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden. De rechtbank Rotterdam had de regeling uitgesproken met een bewindvoerder, die de aanvraag van beschermingsbewind nauwgezet moest monitoren.
Na een voordracht tot beëindiging wegens tekortkomingen wees de rechtbank een eerste verzoek af en gaf appellante een laatste kans onder de voorwaarde dat zij beschermingsbewind zou aanvragen. De bewindvoerder verklaarde dat zij dit nauwgezet heeft gemonitord en dat appellante haar medewerking heeft geweigerd uit vrees voor het verlies van toeslagen.
De rechtbank beëindigde later de regeling zonder schone lei vanwege het ontstaan van nieuwe schulden, bestaande uit ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslagen. Het hof bevestigt dit vonnis en oordeelt dat de tekortkomingen aan appellante zijn toe te rekenen, omdat de bewindvoerder voldoende heeft gedaan en appellante bewust niet heeft meegewerkt.
De Hoge Raad had de zaak terugverwezen vanwege onvoldoende motivering omtrent de rol van de bewindvoerder. Het hof heeft dit nu herbeoordeeld en concludeert dat de bewindvoerder haar verplichtingen is nagekomen en dat de weigering van appellante tot het aanvragen van beschermingsbewind haar eigen verantwoordelijkheid is.
Het arrest bekrachtigt daarmee de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens weigering van appellante om beschermingsbewind aan te vragen.