ECLI:NL:GHAMS:2021:3988
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep schadevergoeding overleveringsdetentie afgewezen wegens compensatie in Duitsland
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam inzake een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 67 van Pro de Overleveringswet (OLW) en artikel 530 Sv Pro. Verzoeker werd op 25 april 2019 aangehouden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB I) uitgevaardigd door een Duitse officier van justitie, welke niet als rechterlijke autoriteit wordt aangemerkt volgens het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 27 mei 2019.
De rechtbank had eerder vastgesteld dat de overleveringsdetentie op grond van EAB I onterecht was en had verzoeker een schadevergoeding toegekend voor de gehele periode van detentie van 25 april tot 5 juni 2019. Het hof stelt echter vast dat de detentieperiode op grond van EAB I in mindering is gebracht op een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf, waardoor de schade reeds is gecompenseerd.
Op grond hiervan vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het de vergoeding van schade wegens vrijheidsbeneming af. Wel kent het hof een vergoeding toe van € 830,- voor de kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure, conform artikel 530 Sv Pro. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2021.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vergoeding van schade wegens vrijheidsbeneming af en kent alleen vergoeding toe voor kosten rechtsbijstand.