Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
(…)Op 13 april 2015 heb ik uw bezwaar tegen de aanslag Gemeentelijke heffing met het aanslagbiljetnummer 36987061 (heeft nu [Rechtbank: nummer] 46890280) ontvangen
.(…)”
(…)De vastgestelde waarde per 1-1-2015 is na hertaxatie vastgesteld op € 225.000,-.
(…)”
(…)In uw bezwaarschrift heeft u verzocht om een vergoeding van de kosten overeenkomstig artikel 7:15 Awb Pro. Uw verzoek wordt toegekend.
(…)”
(…)”
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Overwegingen
Dit betoog slaagt. Nu pas bij de bestreden uitspraak op 19 augustus 2020 definitief een proceskostenvergoeding is toegekend aan [belanghebbende] voor het door hem ingediende bezwaar tegen de aanslag over het belastingjaar 2015, was de waarde per procespunt ingevolge het Bpb € 261,-. De heffingsambtenaar moet aan [belanghebbende] dus nog € 13,- betalen.
Dit betoog wordt verworpen nu de uitspraak op bezwaar van 6 september 2018 bij uitspraak van deze rechtbank van 17 oktober 2019 is vernietigd en het belastinggeschil over de waarde van de onroerende zaak eerst beëindigd is bij de in rechte vaststaande uitspraak op bezwaar van 19 augustus 2020.
De overschrijding van de redelijke termijn moet geheel worden toegerekend aan de bestuurlijke fase.
De hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding stelt de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten is geen aanleiding, omdat die bij de bestreden uitspraak al volledig zijn vergoed.
5.Beoordeling van het hoger beroep
6.Proceskosten en griffierecht hoger beroep
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin niet is beslist op belanghebbendes verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van (proces)kosten, immateriële schade en griffierecht;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- beslist dat, indien de bedragen van de door de rechtbank reeds toegekende vergoedingen van griffierecht (€ 48), (proces)kosten (€ 1.343) en immateriële schade (€ 3.500) niet tijdig zijn vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop de rechtbank haar uitspraak heeft gedaan;
- bepaalt dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136 terugbetaalt en indien dit bedrag niet tijdig wordt vergoed te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.