Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grieven I en IIricht Eigen Haard zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het incassokostenbeding oneerlijk is en dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom niet toewijsbaar zijn.
Grieven III en IVzijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn en dat de huurverhogingen daarom niet toewijsbaar zijn. Het hof ziet aanleiding om eerst op de laatste twee grieven in te gaan.
maximaal 3%naast een op de CPI gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de prejudiciële beslissing). [4] De Hoge Raad oordeelde onder meer:
- dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst;
- dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
- dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW;
- dat de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt, die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen;
- dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening; en
- dat de rechter bij een vordering tot ontbinding en ontruiming wegens een tekortkoming in de huurbetalingsverplichting van de huurder ambtshalve moet onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt op grond van de tenzij-clausule.
reëleen niet slechts formele opzeggingsmogelijkheid moet zijn. [9] Ook aan dit vereiste is niet voldaan. Immers, hoewel de huurder formeel gezien de huurovereenkomst kan opzeggen, zal deze daar - zoals ook de Hoge Raad overweegt in (rov. 3.2.8 van) de prejudiciële beslissing - niet snel gebruik van (kunnen) maken, zeker niet in tijden van krapte op de woningmarkt. [10]
gemiddeldehuurprijs. Hieruit kan niet worden afgeleid wat het huurverhogingspercentage voor een specifieke woning is of zal zijn, waardoor ook niet duidelijk is in hoeverre de individuele huurder hierdoor wordt beschermd. Bovendien wordt gelet op artikel 54 lid 2 van de Woningwet bij de berekening van de hiervoor bedoelde gemiddelde huurprijs geen rekening gehouden met huurovereenkomsten met een geliberaliseerde huurprijs.
voorsteldoen. Daarmee is nog niet gezegd dat dit ook daadwerkelijk tot een verlaging van de huurprijs zou leiden. Een en ander nog daargelaten dat het kennelijk op de weg van [geïntimeerde] zou liggen om aan te tonen dat de huur in een gegeven jaar hoger ligt dan de markthuurwaarde. Dit beding doet dus aan de oneerlijkheid van het opslagbeding niet af.
evenredigmoeten zijn (artikel 8 ter lid 1), maakt niet dat vernietiging van het opslagbeding achterwege moet blijven. Nog los van het feit dat dit evenredigheidsvereiste voortvloeit uit dezelfde rechtspraak die noopt tot de hiervoor bedoelde toetsing en sanctionering, heeft Eigen Haard onvoldoende gemotiveerd gesteld dat deze sanctionering onevenredig voor haar uitpakt. Het hof komt hierop ook nog terug bij de bespreking van de volgende twee omstandigheden.
decent profitof zelfs
minimal profitgarandeert. [14]
Moeten de art. 6 lid 1, 7 lid 1 en 8ter van Richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?(rov. 3.2.6). Bij prejudiciële beslissing van 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) heeft de Hoge Raad deze vraag daadwerkelijk aan het HvJEU gesteld.