Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart het beroep in de zaken AMS 22/972, AMS 22/4911, AMS 22/4913 en AMS 22/4915 gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre het betreft de waardevaststelling van de onroerende zaken [straat 4] , [straat 3] en [straat 5] en [straat 1] ;
- stelt de waarde van de onroerende zaken [straat 4] , [straat 3] en [straat 5] voor het kalenderjaar 2020 vast op elk € 380.000,- en bepaalt dat de aanslag OZB voor het jaar 2020 overeenkomstig deze waarde wordt verminderd;
- stelt de waarde van de onroerende zaken [straat 1] voor het kalenderjaar 2020 vast op € 225.000,- en bepaalt dat de aanslag OZB voor het jaar 2020 overeenkomstig deze waarde wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;
- verklaart het beroep in de zaak AMS 22/4910 ongegrond;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht tot een bedrag van in totaal € 200,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan eisers tot een bedrag van € 3.399,-.”
2.Feiten
Betreft [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] en [straat 5]
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Betaling van griffierecht
oetnoot 1:ECLI:NL:HR:2021: 1974.]
voetnoot 2: Artikel 17, tweede en derde lid, van de Wet WOZ.] Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van het object op de waardepeildatum 1 januari 2019 niet te hoog heeft vastgesteld.
- [straat 3] € 402.000,-,
- [straat 4] € 448.000,- en
- [straat 5] € 417.000,-.
oetnoot 3:Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.] De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 30 maart 2022 een beroep op betalingsonmacht griffierecht (bobog) van eisers gemachtigde heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende worden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is de gemachtigde in staat gesteld het verzoek aan te vullen. De gemachtigde heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen, maar heeft op 16 november 2022 opnieuw een verzoek tot vrijstelling van het griffierecht gedaan met een beroep op betalingsonmacht, zonder de benodigde gegevens bij te voegen. Het griffierecht is uiteindelijk op 13 januari 2023 in alle zaken betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond tien maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals de gemachtigde bekend is. Deze vertraging is aan de gemachtigde toe te rekenen. In het gegeven dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die louter leidt tot nodeloze vertraging.[
voetnoot 4: Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 en de RBGEL van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4950] De redelijke termijn wordt daarom verlengd met afgerond tien maanden, van 30 maart 2022 tot 13 januari 2023. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 6 juli 2021 ontvangen. De redelijke termijn van twee jaar en tien maanden is bij het doen van deze uitspraak niet overschreden. Daarom hebben eisers geen recht op een vergoeding.
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep
6.Kosten
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.