4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen en beslist:
“
Betaling van griffierecht
1. Eisers hebben een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht. Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat eisers daartoe de gelegenheid is gegeven. Eisers hebben het griffierecht in alle zaken betaald.
2. Eisers voeren aan dat de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld omdat rekening moet worden gehouden met de maatregelen die zijn genomen in verband met de coronapandemie. Zij wijzen daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. [v
oetnoot 1:ECLI:NL:HR:2021: 1974.]
3. De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum in dit geval 1 januari 2019 is en dat de coronapandemie op dat moment nog niet aan de orde was. De coronamaatregelen zijn dus niet van invloed op de waarden van de onroerende zaken op de waardepeildatum.
4. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond ook niet slaagt voor zover eisers bedoelen dat de coronamaatregelen zijn weerslag hebben op het leegstandsrisico, dat volgens eisers over de komende 10 jaren (2020 tot 2030) berekend moet worden. Ook in dat kader geldt namelijk dat de coronapandemie op 1 januari 2020 nog niet te voorzien was zodat die omstandigheid ook niet tot uitdrukking komt in de te verwachten leegstand per die datum.
[straat 2] (AMS 22/4910)
(…)
6. De waarde van een onroerende zaak als deze rijksmonumentale niet-woning wordt bepaald op de waarde die kan worden verkregen indien de volle en onbezwaarde eigendom van die onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Dit wordt de waarde in het economisch verkeer (WEV) genoemd. [
voetnoot 2: Artikel 17, tweede en derde lid, van de Wet WOZ.] Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van het object op de waardepeildatum 1 januari 2019 niet te hoog heeft vastgesteld.
7. De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatie-methode en heeft in dat kader verwezen naar het overgelegde taxatierapport bij het verweerschrift dat door de taxateur [naam 2] is opgemaakt op 3 mei 2023. Partijen verschillen niet van mening over de bruikbaarheid van de huurwaardekapitalisatiemethode voor de vaststelling van de waarde van het onderhavige object en de rechtbank volgt partijen daarin.
8. De taxateur heeft de huurwaarde voor de onroerende zaak bepaald door de huurwaarde van vergelijkingsobjecten te analyseren. Deze vergelijkingsobjecten betreffen kantoren in het centrum van [Z] , omdat er geen voldoende huurgegevens van vergelijkbare scholen beschikbaar zijn. Verder heeft hij erop gewezen dat er vele voorbeelden zijn, waarvan hij er drie heeft overgelegd, van scholen die na afloop van de levenscyclus een andere functie hebben gekregen.
9. Eisers zijn van mening dat kantoren niet vergelijkbaar zijn met scholen. Het object heeft een grote opslagruimte, waar ze in een school niets mee kunnen. Dat vertaalt zich in een lagere waarde per m² opslagruimte.
10. De rechtbank verwerpt dit betoog. De taxateur heeft er terecht op gewezen dat het pand een maatschappelijke bestemming heeft en niet specifiek bestemd is als schoolgebouw en dat na verkoop transformatie naar een andere maatschappelijke functie dus mogelijk is. Het gebruik als kantoor komt het dichtst in de buurt van een school volgens de taxateur en de rechtbank vindt dit aannemelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor de waardevaststelling een vergelijking met kantoorruimten aanvaardbaar is, mits in voldoende mate rekening wordt gehouden met de maatschappelijke bestemming van de onroerende zaak. De niet onderbouwde stelling dat scholen niets hebben aan een grote opslagruimte, wat daar verder van zij, behoeft bij een vergelijking met kantoorruimten geen verdere bespreking.
11. De gemiddelde huurwaarde van vergelijkbare kantoorpanden in het centrum van [Z] met een vergelijkbare oppervlakte is volgens de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix € 272,- per m² voor de primaire ruimten en € 190,- voor de opslagruimten. Voor het onderhavige object is de taxateur uitgegaan van beduidend lagere huurwaarden, te weten € 160,- per m² primaire ruimte en € 116,- per m² opslagruimte. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in voldoende mate rekening gehouden met de maatschappelijke bestemming van de onroerende zaak.
Nu ook de in aanmerking genomen kapitalisatiefactor van 17,5 niet hoger is dan de gemiddelde kapitalisatiefactor van de kantoorruimten (18,2) in het centrum waarmee het object is vergeleken, is de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
12. Het beroep slaagt niet.
[straat 4] (AMS 22/4913), [straat 5] (AMS 22/4915) en [straat 3] (AMS 22/4911)
(…)
In de bestreden uitspraak op bezwaar is de WOZ-waarde vastgesteld op:
- [straat 3] € 402.000,-,
- [straat 4] € 448.000,- en
- [straat 5] € 417.000,-.
In beroep heeft de heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaken [straat 4] en [straat 5] verlaagd naar € 402.000,-.
14. Eisers hebben op de zitting gezegd dat zij zich ook in deze waarde van € 402.000,- niet kunnen vinden. Volgens eisers moet de waarde van elk van de drie onroerende zaken € 349.000,- zijn.
15. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft matrices overgelegd waarin de onroerende zaken wordt vergeleken met drie kantoorpanden in het centrum van vergelijkbare omvang. De gemiddelde huurprijs van deze vergelijkingsobjecten is € 247,-, terwijl voor de onroerende zaken een huurwaarde van € 282,- in aanmerking is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de vergelijkingshuren dus niet aangetoond dat de in aanmerking genomen huurwaarde van het object niet te hoog is. De taxateur heeft zich er vervolgens op beroepen dat een eventueel te hoge huurwaarde wordt gecompenseerd door een lager dan gemiddelde kapitalisatiefactor (15,2 in plaats van het gemiddelde van de vergelijkingsverkopen van 19,1), maar hij heeft nagelaten te onderbouwen dat deze compensatie voldoende is. Met de waardematrices heeft de heffingsambtenaar dus niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaken niet te hoog is vastgesteld.
16. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers de door hen gestelde waarde van € 349.000,- evenmin aannemelijk hebben gemaakt, omdat zij die niet nader onderbouwd hebben. De rechtbank zal daarom de waarde van de onroerende zaken per de waardepeildatum schattenderwijs, daarbij alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, in goede justitie vaststellen op € 380.000,-.
17. De beroepen zijn gegrond en de bestreden uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor wat betreft de kantoren op [straat 3] , [straat 4] en [straat 5] . De rechtbank stelt de waarde van elk van die objecten vast op € 380.000,- en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerende zaakbelasting dienovereenkomstig vermindert.
[straat 1] (AMS 22/972)
(…)
19. Volgens de heffingsambtenaar is een WOZ-waarde van € 234.000,- niet te hoog. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing in beroep een taxatierapport ingediend. In dit taxatierapport is de waarde van de winkel met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode getaxeerd op € 234.000,-, op basis van een vergelijking met drie recente verkooptransacties en drie recente huurtransacties van vergelijkbare objecten.
20. Eisers vinden de vastgestelde waarde te hoog en bepleiten met name een lagere kapitalisatiefactor. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat zowel de verkooptransacties als de huurtransacties onvoldoende vergelijkbare objecten betreffen, omdat ze veel groter zijn. Daar hebben eisers aan toegevoegd dat de heffingsambtenaar de huurwaarde van € 383,- per m² voor het primaire deel en de kapitalisatiefactor van 12,7 onvoldoende heeft onderbouwd.
21. De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht stellen dat de heffingsambtenaar geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven aan de gehanteerde huurwaarde en de kapitalisatiefactor. De drie vergelijkingsobjecten die gebruikt zijn ter onderbouwing van de huurwaarde zijn beduidend groter dan het te waarderen object. ‘Huur 1’, ‘huur 2’ en ‘huur 3’ hebben gebruiksoppervlakten van respectievelijk 99 m², 79 m² en 52 m², terwijl het primaire deel van het object een relatief kleine 25 m² gebruiksoppervlakte heeft. De rechtbank vindt die verschillen (2 tot 4 maal groter dan het te waarderen pand) te groot voor een betrouwbare vergelijking, ook al omdat niet is toegelicht hoe met dat verschil in oppervlakte rekening is gehouden bij de huurwaardevaststelling.
22. Ook de objecten waarvan de gerealiseerde verkoopprijzen aan de kapitalisatiefactor ten grondslag zijn gelegd, zijn groter (63 m² voor ‘verkoop 1’, 84 m² voor ‘verkoop 2’en 76 m² voor ‘verkoop 3’) dan het object (25 m² voor verkoop), en ook hier geldt dat niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met die verschillen. Tevens is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke correcties hebben plaatsgevonden op de gerealiseerde verkoopprijzen om tot transactieprijzen te komen die voldoen aan de uit artikel 17 van de wet WOZ volgende waarderingsficties.
23. Op de zitting heeft de taxateur van de heffingsambtenaar toegelicht dat bij de waardebepaling wel rekening is gehouden met zaken zoals het effect van het afnemend grensnut en afwijkende objectkenmerken, maar de rechtbank merkt op dat ook hier geldt dat deze toelichting niet wordt onderbouwd met gedingstukken. Dat betekent dat wat de taxateur op de zitting naar voren heeft gebracht niet controleerbaar is en de rechtbank er daarom aan voorbij gaat.
24. Eisers hebben de door hen ter zitting voorgestane waarde van € 209.000,- ook niet aannemelijk gemaakt. Eisers stellen deze waarde wel, maar zij hebben geen eigen taxatierapport overgelegd en hebben de door hun voorgestane waarde ook niet op een andere wijze concreet onderbouwd.
25. Omdat de rechtbank van oordeel is dat zowel de heffingsambtenaar als eisers de voorgestane waarde niet aannemelijk hebben gemaakt, zal de rechtbank deze in goede justitie zelf vaststellen. Met inachtneming van alles wat partijen omtrent de waarde naar voren hebben gebracht, stelt de rechtbank de WOZ-waarde van het object voor 2020 schattenderwijs vast op € 225.000,-.
26. Het beroep is gegrond en de bestreden uitspraak op bezwaar wordt vernietigd.
De rechtbank zal de waarde van het object vaststellen op € 225.000,- en bepalen dat de heffingsambtenaar de aanslag OZB zal verminderen in overeenstemming met deze waarde.
Immateriële schadevergoeding
27. Eisers hebben aan de rechtbank verzocht om een immateriële schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van alle zaken als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
28. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. [voetnoot 3:Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.] De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 30 maart 2022 een beroep op betalingsonmacht griffierecht (bobog) van eisers gemachtigde heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende worden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is de gemachtigde in staat gesteld het verzoek aan te vullen. De gemachtigde heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen, maar heeft op 16 november 2022 opnieuw een verzoek tot vrijstelling van het griffierecht gedaan met een beroep op betalingsonmacht, zonder de benodigde gegevens bij te voegen. Het griffierecht is uiteindelijk op 13 januari 2023 in alle zaken betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond tien maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals de gemachtigde bekend is. Deze vertraging is aan de gemachtigde toe te rekenen. In het gegeven dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die louter leidt tot nodeloze vertraging.[voetnoot 4: Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 en de RBGEL van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4950] De redelijke termijn wordt daarom verlengd met afgerond tien maanden, van 30 maart 2022 tot 13 januari 2023. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 6 juli 2021 ontvangen. De redelijke termijn van twee jaar en tien maanden is bij het doen van deze uitspraak niet overschreden. Daarom hebben eisers geen recht op een vergoeding. Proceskosten en griffierecht
29. De rechtbank zal het beroep in de zaken AMS 22/972, AMS 22/4911, AMS 22/4913 en AMS 22/4915 gegrond verklaren en in verband daarmee de heffingsambtenaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.399,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 296,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak) en een factor 1,5 voor 4 samenhangende zaken. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank gaat bij deze berekening van de proceskosten uit van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en toekenning van één proceskostenvergoeding voor de vier zaken omdat sprake is van één aanslagbiljet, één bezwaarschrift, één uitspraak op bezwaar en gelijkluidende beroepschriften. Daarnaast zijn de gemaakte bezwaren en ingestelde beroepen gelijktijdig behandeld, waarbij rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon van wie de werkzaamheden in elk van de zaken gelet op de inhoud nagenoeg identiek was.”