ECLI:NL:GHAMS:2025:3635

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
23-000714-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake inreisverbod en ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, geboren in Kono, Sierra Leone, heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarin hij werd vervolgd voor het verblijven in Nederland terwijl er een inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd. Het hof heeft de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie beoordeeld, waarbij de verdediging aanvoerde dat er sprake was van willekeur in de vervolging en dat het inreisverbod onvoldoende was gemotiveerd. Het hof oordeelde dat de motivering van het inreisverbod tekortschiet, maar dat dit niet leidt tot vrijspraak, omdat het inreisverbod materieel niet evident strijdig is met het Unierecht. De verdachte heeft zich jarenlang meewerkend opgesteld bij pogingen tot uitzetting, maar beschikt niet over de benodigde reisdocumenten. Het hof concludeert dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde niet in staat was om Nederland te verlaten, en verklaart hem niet strafbaar. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000714-24
datum uitspraak: 17 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer
13-082985-24 tegen
[verdachte ],
geboren te Kono ( Sierra Leone ) op [geboortedag 1] 1981,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2025 en 10 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden - dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

VONNIS WAARVAN BEROEP

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere einduitspraak dan de politierechter.
VERWEER STREKKENDE TOT NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het terugkeerbesluit niet steeds consequent wordt uitgevoerd, dat sprake is van willekeur in de vervolging en de berechting van de verdachte en dat de Terugkeerrichtlijn in de situatie van de verdachte de mogelijkheden biedt om de verwijdering van de verdachte uit te (blijven) stellen en om het terugkeerbesluit voorlopig niet uit te voeren. De vervolging van de verdachte is niet langer opportuun en is niet verenigbaar met (de doelstellingen van) de Terugkeerrichtlijn en beginselen van het Unierecht. Ten aanzien van dit laatste punt heeft de raadsman er onder meer op gewezen dat de Terugkeerrichtlijn de lidstaten verplicht het vertrek van derdelanders te bevorderen met inachtneming van hun grondrechten, en dat de situatie waarin de verdachte zich bevindt zich niet goed verhoudt met de artikelen 1 en 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest ) nu de verdachte op straat leeft, kwetsbaar is en herhaaldelijk wordt aangehouden.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de beslissing tot vervolging bij het Openbaar Ministerie ligt, en dat de opportuniteitsvraag – gelet op de bij een dergelijk verweer toe te passen maatstaf – niet ter toetsing voorligt. Ook voor zover de raadsman daaraan ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van willekeur of van strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat – mede gelet op de zeer terughoudende toets die de strafrechter in dit kader heeft te betrachten – het verweer moet worden verworpen. Het gegeven van wisselende uitkomsten in het kader van door de verdachte begane verschillende overtredingen van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan niet leiden tot een succesvol beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
Dat brengt het hof tot de volgende beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Naar aanleiding van de stelling van de raadsman dat sprake zou zijn van willekeur in de vervolging van de verdachte overweegt het hof dat de omstandigheid dat de verdachte niet bij ieder politiecontact wordt aangehouden of naar aanleiding van ieder aantreffen wordt vervolgd wegens zijn illegaal verblijf nog niet maakt dat sprake is van willekeur wanneer dat wél gebeurt. Dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt ook overigens uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden.
Naar aanleiding van de stelling dat de vervolging van de verdachte niet verenigbaar is met (de doelstellingen van) de Terugkeerrichtlijn en met de beginselen van het Unierecht overweegt het hof dat uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd onvoldoende is gebleken dat in deze
strafzaaksprake is van overheidshandelen dat zich niet verhoudt tot de artikelen 1 en 4 van het Handvest .
Voor zover de raadsman een beroep heeft gedaan op omstandigheden die het de verdachte onmogelijk maken om Nederland te verlaten, geldt dat deze in de regel niet de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie raken, maar dat die betrokken zullen moeten worden bij de vraag of de verdachte strafbaar is (vgl. HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0865).
Het hof verwerpt het verweer. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

BEWIJSOVERWEGING

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de gebrekkige motivering van het inreisverbod ten aanzien van de vraag of het gedrag van de verdachte destijds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast vormde, niet aan een bewezenverklaring in de weg hoeft te staan. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod een degelijke bedreiging vormde.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd, nu daaruit onvoldoende volgt dat het gedrag van de verdachte destijds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast vormde. Hij heeft daartoe gewezen op het gegeven dat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie melding maakt van sepots, ontslagen van alle rechtsvervolging en niet-ontvankelijkverklaringen van het Openbaar Ministerie in andere zaken waarin overtreding van artikel 197 Sr ten laste was gelegd. Dat is een contra-indicatie voor het aannemen van een dergelijke werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging.
Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader

Aanleiding en actualisering juridisch kader

In 2022 heeft dit hof naar aanleiding van themazittingen in verschillende arresten met betrekking tot het in artikel 197 Sr strafbaar gestelde in Nederland verblijven in weerwil van een inreisverbod een juridisch kader opgenomen (o.a. Hof Amsterdam 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3199). Het hof ziet aanleiding in het voorliggende arrest andermaal een juridisch kader op te nemen, dat van toepassing is in 197-zaken tegen derdelanders en is aangepast naar de rechtsontwikkeling sinds 2022, en wel als volgt.
Nationaal wettelijk kader: artikel 197 Sr, Vw 2000 en Vb 2000
Artikel 197 Sr luidt: “Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
In artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel kan de Minister als bedoeld in artikel 1 Vw 2000 (sinds 1 juli 2025: de Minister van Asiel en Migratie) in afwijking van het eerste lid bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 vaardigt de Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is (en op wie artikel 64 van die wet niet van toepassing is) en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, Vw 2000.
Op grond van artikel 66a, vierde lid, Vw 2000 wordt een inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b en c, van dat artikel kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben in geval hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid.
Volgens artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan ingevolge die bepaling blijken uit onder meer (a) een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict, of (b) een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd.
Europees kader: de Terugkeerrichtlijn
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn) beoogt om op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. Te dien einde stelt de richtlijn „gemeenschappelijke normen en procedures” vast die de lidstaten van de EU moeten toepassen bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen (vgl. punten 31 en 32 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 28 april 2011, C‑61/11 PPU, ECLI:EU:C:2011:268).
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vaardigen lidstaten van de EU een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Artikel 7, eerste lid, van die richtlijn schrijft voor dat in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek wordt vastgesteld. Op grond van het vierde lid van dat artikel kan van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek worden afgezien, onder andere indien de derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gaat het terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet is voldaan aan de terugkeerverplichting [het hof begrijpt: naar het land van herkomst of een ander in aanmerking komend land]. De duur van dat verbod kan gezien het tweede lid van dat artikel meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Jurisprudentie invulling van het Unierechtelijke openbare-ordebegrip
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft in het arrest van 11 juni 2015 (C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377) uitleg gegeven aan het begrip “gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het voetspoor van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat die uitleg mede richtinggevend moet worden geacht voor de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging voor de openbare orde” in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit een en ander volgt kortweg dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:239).
In een uitspraak van 19 juli 2018 heeft de ABRvS geoordeeld dat bij de uitvaardiging van een inreisverbod – ongeacht de duur daarvan – het Unierecht wordt toegepast, waarbij alle in artikel 6.5a, derde of vierde lid, Vb 2000 en artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde (ECLI:NL:RVS:2018:2472).
Overigens heeft de ABRvS in haar uitspraak van 18 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4687) benadrukt dat de Minister, ook wanneer een ernstige bedreiging van de openbare orde kan worden aangenomen, deugdelijk en aan de hand van de in artikel 6.5a Vb 2000 genoemde gronden heeft te motiveren waarom hij een inreisverbod van maximaal 10 jaren (een zogenoemd zwaar inreisverbod) uitvaardigt, in plaats van een licht inreisverbod met een maximumduur van vijf jaren (een zogenoemd licht inreisverbod).
Beoordeling inreisverbod als tenlastegelegd bestanddeel
Met artikel 66a Vw 2000 en artikel 6.5a Vb 2000 is beoogd Unierecht, meer bepaald artikel 11, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, in Nederlands recht om te zetten (Kamerstukken II 2009/10, 32420, nr. 3, p. 17-19). Daarnaast strekt de in artikel 197 Sr neergelegde strafbaarstelling van verblijf in weerwil van een inreisverbod tot waarborging van het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn (Kamerstukken I 2011/12, 32420, nr. D. p. 7).
In het licht van het voorgaande kan van het in een op artikel 197 Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000” niet worden gesproken indien dat inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het recht van de Europese Unie, die van de Terugkeerrichtlijn in het bijzonder. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 197 Sr dient de rechter dus te onderzoeken of het inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen.
Meer specifiek brengt dit mee dat de strafrechter in geval een inreisverbod met een duur van meer dan vijf jaar is uitgevaardigd, dient te onderzoeken of ten tijde van die uitvaardiging met betrekking tot de verdachte sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het openbare-ordecriterium).
Formele rechtskracht, uitzonderingen en taakverdeling tussen strafrechter en bestuursrechter
Ten aanzien van de taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter bij het oordeel of ten tijde van de uitvaardiging van een inreisverbod sprake was van een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging, geldt het volgende.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1621) het volgende overwogen:
“2.5.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan een besluit van een bestuursorgaan waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, in het strafrecht formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op de rechtszekerheid, het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617). Deze taakverdeling houdt onder meer verband met de onwenselijkheid dat de strafrechter anders gedwongen zou zijn om in een daarop niet toegesneden procedure, waarin het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de bestuursrechter is toegerust en geroepen (…).
Dit uitgangspunt van de formele rechtskracht brengt mee dat de strafrechter in beginsel ervan moet uitgaan dat een besluit van een bestuursorgaan wat betreft de wijze van totstandkoming en zijn inhoud in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Is het besluit bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617).
2.5.2. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan op deze formele rechtskracht van besluiten een uitzondering te maken in die zin dat een gedraging in weerwil van een besluit van een bestuursorgaan niet tot strafbaarheid leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval als zich de uitzonderlijke situatie voordoet dat (i) fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling (vgl. HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:527) of (ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit (…).”
Eerder had de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:527) al het volgende overwogen:
“3.2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof is uitgegaan van een onjuist toetsingskader.
3.2.2. (…) Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
(…)
3.3.
Het middel klaagt (…) dat het oordeel van het Hof dat het inreisverbod evident in strijd is met het bepaalde in (…) de Terugkeerrichtlijn (…) ontoereikend is gemotiveerd.
3.4.
In zijn arrest van 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387, heeft de Hoge Raad overwogen dat in een geval als het onderhavige waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het inreisverbod heeft gevolgd, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken het volgende geldt. Is het inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan dient de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uit te gaan. Is het inreisverbod door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks in beginsel eraan in de weg dat de strafrechter het verweer dat het inreisverbod in strijd is met het Unierecht, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken.
3.5.
Van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld kan sprake zijn wanneer de strafrechter vaststelt dat de oplegging van het inreisverbod evident in strijd is met het onder 3.2 bedoelde toetsingskader.
3.6.
Blijkens de hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof - ondanks hetgeen onder 3.1 is vermeld over de bestuursrechtelijke rechtsgang - het ervoor gehouden dat ten tijde van zijn uitspraak het besluit tot uitvaardiging van het inreisverbod tegen de verdachte nog niet rechtens onaantastbaar was. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet begrijpelijk is het daarin besloten liggende oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
3.7.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.8.
Opmerking verdient dat ook wanneer de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang of wanneer een onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter in die rechtsgang niet kan worden afgewacht, in de strafzaak het in 3.2 bedoelde toetsingskader slechts aan het aannemen van de rechtmatigheid van het inreisverbod in weg staat als de strafrechter vaststelt dat in het voorliggende geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.”
Nu tegen een beschikking waarbij een inreisverbod wordt uitgevaardigd een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, dient de strafrechter, zo leidt het hof uit het arrest van 12 november 2024 af, in zaken als de onderhavige uit te gaan van de rechtmatigheid van een inreisverbod, ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van deze bestuurlijke rechtsgang,
tenzijhet inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter is vernietigd – dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan – of sprake is van één van de uitzonderlijke situaties als door de Hoge Raad in dat arrest genoemd, te weten:
(i) in de situatie dat fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling,
of
(ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit.
Mede in het licht van het arrest van 28 maart 2017 kan – ook weer ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang – van zo’n uitzonderlijke situatie worden gesproken, als de strafrechter tot het oordeel komt dat in het voorliggende geval met betrekking tot de verdachte ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod
evidentgeen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
Uit het arrest van 28 maart 2017 spreekt voorts dat voor dat oordeel niet toereikend is dat de
motiveringvan de beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod op dit punt tekortschiet. De beslissing tot uitvaardiging van het verbod moet
materieeltekortschieten, in die zin dat deze inhoudelijk bezien niet had mogen worden genomen, en dát moet evident zijn.
Stukken voor beoordeling inreisverbod
Om de strafrechter in staat te stellen de noodzakelijke feitelijke vaststellingen te doen met betrekking tot de vraag of ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod materieel sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, is het wenselijk dat het Openbaar Ministerie – naast een uittreksel uit de Justitiële Documentatie – reclasseringsrapporten of andere relevante informatiebronnen overlegt die inzicht bieden in het functioneren van de betreffende verdachte op de verschillende leefgebieden op dat moment.
In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie dergelijke informatie verstrekt.

Beoordeling tenlastegelegde in de voorliggende zaak

Hoewel de nationaliteit van de verdachte (al jaren) ongewis is, staat vast dat de verdachte geen EU-burger is. Bij beschikking van 25 januari 2013 is jegens hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Namens de verdachte is op 31 januari 2013 beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij hem het inreisverbod is opgelegd. Dat beroep is op 21 februari 2013 door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, ongegrond verklaard. Daartegen zijn, voor zover bekend, geen verdere rechtsmiddelen aangewend. De beschikking is daarmee onherroepelijk geworden.
De verdachte verbleef op 9 maart 2024 in Amsterdam in weerwil van het inreisverbod, dat op dat moment niet was ingetrokken of vervallen. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte Nederland in de periode tussen 25 januari 2013 en 9 maart 2024 op enig moment heeft verlaten.
Het hof constateert – met de raadsman – dat de motivering van het inreisverbod voor wat betreft het openbare-ordecriterium tekortschiet, nu daarin geen overwegingen worden gewijd aan het concrete gedrag van de verdachte. Daarmee ziet het hof zich tegen de achtergrond van het genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:527) voor de vraag gesteld of ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod materieel evident niet aan het openbare-ordecriterium was voldaan. Daarover overweegt het hof als volgt.
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2025 blijkt dat de verdachte ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod (op 25 januari 2013) onder meer:
  • viermaal onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een diefstal, waarvan tweemaal een gekwalificeerde diefstal;
  • eenmaal onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van verduistering;
  • zevenmaal onherroepelijk was veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel of ambtelijke vordering;
  • driemaal onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van huis- of lokaalvredebreuk;
  • eenmaal onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van poging tot zware mishandeling.
Deze feiten zijn gepleegd tussen 21 januari 2000 en 10 januari 2012. Een groot deel van deze feiten is gepleegd en afgedaan in de laatste drie jaren voorafgaand aan het uitvaardigen van het inreisverbod: tussen januari 2010 en 25 januari 2013 is de verdachte eenmaal veroordeeld voor winkeldiefstal, tweemaal voor lokaalvredebreuk, vijfmaal voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel of ambtelijke vordering en eenmaal voor poging tot zware mishandeling. Dat zijn niet alleen gedragingen die verstorend zijn voor de openbare orde en/of overlast veroorzaken, maar ook gedragingen die anderen schade (kunnen) berokkenen en/of hen in hun gevoel van veiligheid (kunnen) aantasten.
De verdachte is op 24 maart 2006 ongewenst verklaard. De reclassering heeft in een rapport van 16 januari 2023 over dit delictverleden in relatie tot verdachtes gedrag en zijn situatie het volgende toegelicht:
De heer [verdachte ] kan vanwege zijn status als ongewenst vreemdeling geen adequaat bestaan in Nederland opbouwen. Het ontbreekt betrokkene derhalve aan een reguliere baan, structureel inkomen en adequate huisvesting. Uit het reclasseringsdossier blijkt dat er tevens aanwijzingen zijn van middelenmisbruik en een posttraumatische stressstoornis. Betrokkene is naar ons inziens gebaat bij een hulpverleningstraject gericht op zijn persoonlijke problematiek ter voorkoming van recidive. Een reclasseringstoezicht is echter niet uitvoerbaar, aangezien betrokkene vanwege zijn status als ongewenst vreemdeling geen aanspraak kan maken op structurele hulpverlening en sociale voorzieningen. Vanuit de Top 600 Aanpak kan er ook weinig ingezet worden vanwege zijn illegale verblijfsstatus, zoals een uitkering. Zolang de heer [verdachte ] in Nederland verblijft, blijft zijn toekomstperspectief uitzichtloos en zal het recidiverisico naar ons inziens hoog blijven.
Gelet op het aantal delicten, de frequentie waarmee die delicten in aanloop naar het uitvaardigen van het inreisverbod zijn gepleegd en de aard en ernst van de gepleegde delicten, bezien tegen een achtergrond van aanwijzingen voor middelenmisbruik en een posttraumatische stressstoornis, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod materieel evident niet aan het openbare-ordecriterium was voldaan.
Nu het dossier ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor de gedachte dat sprake is van één van de uitzonderingssituaties als door de Hoge Raad onder (i) en (ii) in rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 12 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1621) genoemd, zal het hof uitgaan van de rechtmatigheid van het inreisverbod.
Het kennelijk tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 maart 2024 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.
STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op overmacht toekomt en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte in een schrijnende situatie verkeert, hij zich inmiddels geruime tijd meewerkend opstelt, maar niet over de vereiste reisdocumenten beschikt en daarom het land niet kan verlaten. De verdachte heeft herhaaldelijk meegewerkt aan presentaties bij ambassades van landen waar hij naartoe zou kunnen worden uitgezet en heeft contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie, hetgeen zonder resultaat is gebleven. Er zijn verschillende pogingen gedaan om de verdachte uit te zetten (onder meer tijdens de tenuitvoerlegging van de tweede ISD-maatregel), maar ook dat is niet gelukt, zo heeft de raadsman betoogd.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een schrijnende situatie voor deze verdachte, maar dat het beroep op overmacht desalniettemin moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte alles heeft gedaan dat binnen zijn macht ligt om een vertrek uit Nederland te realiseren. Zo heeft de verdachte in vertrekgesprekken herhaaldelijk aangegeven niet mee te willen werken aan een vertrek uit Nederland en heeft hij in het verleden herhaaldelijk geweigerd bij dergelijke gesprekken te verschijnen, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt het volgende.
Vooropgesteld zij dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod voor de verdachte een rechtsplicht meebrengen Nederland te verlaten. Van die verplichting is slechts uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij daartoe buiten zijn schuld niet in staat is, bijvoorbeeld omdat diegene buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten (vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8848 en HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2416). Het is dus primair de verantwoordelijkheid van de vreemdeling al datgene te doen wat tot zijn vertrek uit Nederland kan leiden. Pas indien aannemelijk is geworden dat een vreemdeling al het mogelijke heeft gedaan wat van hem redelijkerwijs kan worden verwacht met het oog op zijn vertrek uit Nederland, kan deze omstandigheid het oordeel dragen dat hij aangaande zijn vertrek uit Nederland verkeert in een toestand van overmacht.
Uit informatie van de IND en de reclassering komt naar voren dat de verdachte sinds juli 1997, dus al ruim 28 jaar, in Nederland verblijft; naar eigen zeggen was hij vijftien jaar toen hij als alleenstaande minderjarige naar Nederland is gekomen. Op 24 maart 2006 is de verdachte ongewenst verklaard. Bij de genoemde beschikking van 25 januari 2013 is de ongewenstverklaring opgeheven en is hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren. Het is sindsdien niet gelukt de verdachte uit te zetten omdat de verdachte niet beschikt over de vereiste reisdocumenten. De verdachte volhardt erin uit Sierra Leone te komen, terwijl taalanalyses uitwijzen dat hij uit Ghana afkomstig zou zijn.
De verdachte heeft over zijn verblijfsrechtelijke situatie ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 maart 2024 als volgt verklaard:
Ik ben bij verschillende ambassades gepresenteerd, maar ik heb het toen niet kunnen regelen. Ik heb totaal 4 jaar een ISD-maatregel gehad. In die periode hebben ze mij niet kunnen uitzetten. De Nigeriaanse ambassade heeft geweigerd. Net als Niger, Ghana, en ook en [sic] Laos. De ambassade van Sierra Leone die wil niets. Ik weet dat ik ongewenst ben verklaard maar ik kan niets doen want de IND kan mij niet uitzetten. Toen ik in de ISD zat heb ik gezegd dat ik graag wil gaan maar toen is er niets gebeurd. Als het kan wil ik wel terug naar Sierra Leone.
De verdachte is op 8 oktober 2025 opnieuw gepresenteerd bij de Ghanese vertegenwoordiging, is daar opnieuw is geweigerd en op 16 oktober 2025 is er weer een laissez-passer aangevraagd bij de Sierra Leoonse vertegenwoordiging.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zich inmiddels al lange tijd in te zetten om zijn uitreis te realiseren. Over zijn inspanningen en de gang van zaken heeft hij onder meer (zakelijk weergegeven) het volgende verklaard:
Ik kan niet weg, want ik heb geen reisdocumenten. Ik weet niet waar ik naartoe moet. Ik ben vijf keer bij de Ghanese ambassade gebracht. Zij vragen me dingen die ik niet weet, dit komt door de taal. Bij mijn laatste presentatie was ik daar voor ongeveer een half uur. Er wordt me dan direct verteld dat ik niet uit Ghana kom omdat ik de taal niet spreek. De volgende dag hoor ik op de afdeling dat mijn verzoek is afgewezen omdat ik niet Ghanees ben. Bij de ambassade praten ze Engels en hun eigen taal met me, maar die taal spreek ik niet. Als mij daar wordt gevraagd waar ik vandaan kom, zeg ik dat ik uit Kono in Sierra Leone kom. Ik leg wel uit dat de taalanalyse uitwijst dat ik uit Ghana kom. Ik heb daar ook weer gezegd dat ik bereid ben naar Ghana te gaan en daar te leven. Over twee dagen ga ik weer naar de Sierra Leoonse ambassade om weer een laissez-passer te vragen. Ik wil wel naar Sierra Leone of naar een ander land dat mij toelaat. Ik heb daar niets, maar als men zegt dat ik weg moet en ik krijg een laissez-passer dan ga ik niet moeilijk doen.
De verklaringen van de verdachte vinden steun in de bijlage van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), waaruit blijkt dat de verdachte sinds 2012 zonder resultaat is gepresenteerd bij autoriteiten van Sierra Leone, Ghana, Niger en Nigeria voor het verkrijgen van een laissez-passer en tevens dat de Sierra Leoonse vertegenwoordiging een
non-statementvoor de verdachte heeft afgegeven. Uit die informatie van DT&V volgt dat de verdachte tot september 2017 steevast een weigerende houding had.
Er is opnieuw gepoogd de verdachte vrijwillig uit Nederland te laten vertrekken tijdens de tenuitvoerlegging van de tweede aan hem opgelegde ISD-maatregel. De verdachte is in die betreffende zaak van 17 juni 2018 tot 11 februari 2021 strafrechtelijk gedetineerd geweest. Gedurende die periode heeft DT&V driemaal een vertrekgesprek met hem gevoerd. De strekking van deze gesprekken was dat de verdachte aanvankelijk aangaf terug te willen keren naar zijn land van herkomst, maar dat geen enkel land hem erkent als onderdaan. Verdachtes meewerkende houding veranderde later in die ISD-periode in een weigerachtige houding.
Het hof sluit niet uit dat die weigerachtige houding toen was ingegeven doordat hij opnieuw werd geweigerd door de autoriteiten van verschillende landen en dat gevoelens van onmacht en woede de overhand bij de verdachte nemen als hij met de uitkomsten van de taalanalyse of met een weigering wordt geconfronteerd. Wat daar ook van zij, in het kader van de beoordeling van het beroep op overmacht is van belang dat uit het voorgaande volgt dat de laatste daadwerkelijke blijk van weigering in dit dossier dateert van ruim drie jaren voordat het bewezenverklaarde plaatsvond.
Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte niet beschikt over documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, en blijkt uit een door de raadsman bij zijn schriftelijk standpunt gevoegde bijlage dat de verdachte ook tussen 2006 en 2010 viermaal bij de Ghanese autoriteiten en driemaal bij de Sierra Leoonse autoriteiten tevergeefs is gepresenteerd. Deze autoriteiten hebben de aanvragen voor een laissez-passer steeds geweigerd.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte, die weliswaar eerder een weigerachtige houding omtrent zijn vertrek uit Nederland innam, zich nadien en inmiddels al een aantal jaren actief meewerkend inzet om zijn vertrek uit Nederland te (kunnen) realiseren, maar tot op heden zonder resultaat. Hoewel de verdachte zelf blijft zeggen uit Sierra Leone te komen, heeft hem dat sinds de beëindiging van de ISD-maatregel er niet van weerhouden zijn medewerking te verlenen aan het aanvragen van laissez-passers bij andere autoriteiten dan die van Sierra Leone. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof verder genoegzaam gebleken dat de verdachte niet beschikt over (contactgegevens van) familie of andere persoonlijke contacten in landen waaraan hij wordt gerelateerd, waardoor ook zij hem niet kunnen helpen zijn verklaring over zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen en zijn laissez-passeraanvragen te bevorderen.
Naar het oordeel van het hof is – gelet op het voorgaande – aannemelijk dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde buiten zijn schuld niet in staat was het land te verlaten, nu hij ondanks zijn medewerking daaraan niet in het bezit kon komen van de benodigde reisdocumenten en deze omstandigheid dan ook niet (meer) is toe te rekenen aan een weigerachtige houding van zijn kant. Niet is gebleken dat de verdachte legale mogelijkheden om Nederland te verlaten ter beschikking stonden waarvan in redelijkheid kon worden gevergd dat hij daarvan gebruikmaakte. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verdachte voldoende langdurig zonder succes al het mogelijke heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd met het oog op zijn vertrek uit Nederland.
Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde al geruime tijd geen gehoor heeft kunnen geven aan de verplichting om uit Nederland te vertrekken, zodat hem strafrechtelijk niet valt te verwijten dat hij op 9 maart 2024 in weerwil van het inreisverbod in Nederland verbleef. Het beroep op overmacht slaagt dan ook.
De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat het bovenstaande oordeel omtrent het beroep op overmacht betrekking heeft op het verblijf van de verdachte in Nederland op 9 maart 2024 en dat een meewerkende houding van de verdachte onverminderd vereist is en dus van belang blijft.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte
niet strafbaaren ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. J.J.I. de Jong en mr. E.J. Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2025.

BEWIJSMIDDELEN

1.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, doorgenummerde pagina’s 33-36.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Kenmerk Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND): [V-nummer 1]
V-nummer: [V-nummer 2]
Onderwerp van de beschikking
Deze beschikking heeft betrekking op de aanvraag tot opheffen van de ongewenstverklaring in de zin van artikel 68 van de Vreemdelingenwet, die op 13 maart 2012 is ingediend door:
[verdachte ] ,
geboren op [geboortedag 1] 1981,
nationaliteit: Onbekend,
verder aangeduid als 'betrokkene'.
Deze beschikking heeft ook betrekking op het uitvaardigen van een inreisverbod tegen betrokkene.
Besluit
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingewilligd.
Betrokkene moet Nederland onmiddellijk verlaten. Deze kennisgeving geldt op grond van artikel 62a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als terugkeerbesluit.
Tegen betrokkene wordt ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren. Het inreisverbod wordt uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet.
Rechtsgevolgen van deze beschikking
De uitvaardiging van het inreisverbod heeft tot gevolg dat betrokkene na bekendmaking van de
beschikking geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben. Betrokkene dient Nederland
onmiddellijk te verlaten en kan worden uitgezet.
Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid van de Vreemdelingenwet, is strafbaar op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.
Het instellen van beroep heeft niet tot gevolg dat de hier genoemde rechtsgevolgen worden opgeschort.
2.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een kopie van een publicatie van inreisverboden in de Staatscourant (nr. 8182), gedateerd 25 maart 2013, doorgenummerde pagina’s 37-38.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Bij beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, d.d. 25 januari 2013, onder dossiernummer [IND-nummer] , is de vreemdeling [verdachte ] , geboren op [geboortedag 1] 1981, nationaliteit: onbekend, met toepassing van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet, een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene de Europese Unie (exclusief het Verenigd Koninkrijk en Ierland), de Europese Economische Ruimte en Zwitserland daadwerkelijk heeft verlaten.
3.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 16-20.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
Ik begrijp dat ik ben aangehouden als verdachte van het zich als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland bevinden. Ik weet dat ik ongewenst ben verklaard, maar ik kan niets doen want de IND kan mij niet uitzetten.
4.
Een ambtsedig proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2024056307-2 van 9 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op 9 maart 2023 [het hof begrijpt: 2024] zag ik op de Warmoesstraat te Amsterdam een persoon waarvan ik weet dat deze persoon tot ongewenst vreemdeling is verklaard [het hof begrijpt: aan wie een inreisverbod is opgelegd]. Ik ken deze persoon onder de naam [verdachte ] , geboren op [geboortedag 1] 1981 te Kono in Sierra Leone . Ik hield [verdachte ] aan ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.
Ik hoorde dat [verdachte ] ongevraagd verklaarde in de Nederlandse taal: “Ik kan niet uitgezet worden dus het heeft geen zin om mij mee te nemen”.
5.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 12 maart 2024, opgemaakt door mr. A.B.M. Wijnveldt, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 maart 2024 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:
U houdt mij voor dat ik een inreisverbod heb. Dat weet ik.