Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1373

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
23-000232-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 10 OpiumwetArt. 2 onder B OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk voordeel uit cocaïnehandel na hoger beroep

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024, waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel. De betrokkene was eerder onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van handel in cocaïne.

De verdediging voerde verweren aan tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn en verzocht subsidiair om terugwijzing naar de rechtbank. Het hof verwierp deze verweren, oordeelde dat de overschrijding niet leidde tot niet-ontvankelijkheid en dat terugwijzing niet aan de orde was.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd door het hof bevestigd, met een kleine aanpassing in de periode van berekening. Op basis van afgeluisterde telefoongesprekken, getuigenverklaringen en eigen verklaringen van de betrokkene werd het voordeel geschat op €25.635,20. Vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn matigde het hof de betalingsverplichting met 10 procent tot €23.071,00.

Het hof legde de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 230 dagen. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 mei 2026.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €23.071,00 aan de Staat na matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000232-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-650657-16 tegen de betrokkene
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 32.626,35.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2017 veroordeeld voor, kort gezegd, feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet en feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Bij onherroepelijk arrest van het hof van 2 maart 2023 is het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Verder heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 januari 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 25.598,02 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.038,13 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waartegen beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot iets andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Standpunt van partijen

De vordering
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 25.598,02 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 21.758,37 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de betrokkene heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de redelijke termijn excessief is overschreden, waardoor een voldoende zorgvuldige beoordeling door de rechter onmogelijk is gemaakt, met als gevolg een ernstige inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Verder is het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat het openbaar ministerie in vergelijkbare zaken zijn niet-ontvankelijkheid heeft bepleit.
Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De rechtbank heeft ten onrechte een verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen. De verdachte – die op dat moment ziek was en om die reden niet op de zitting aanwezig kon zijn – is beroofd van de behandeling van zijn zaak in de eerste feitelijke instantie.
Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het vonnis niet in stand kan blijven omdat daaruit niet blijkt dat de rechtbank acht heeft geslagen op hetgeen de (toenmalige) raadsman bij conclusie van
16 januari 2020 had aangevoerd, te weten dat het wederrechtelijk voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 19.353,38.
De raadsman heeft de (wijze van) berekening van het wederrechtelijk voordeel door de rechtbank inhoudelijk niet betwist.

Overwegingen met betrekking tot de verweren

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof stelt voorop dat, gezien bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, overschrijding van de redelijke termijn niet om die enkele reden leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. [1]
Het hof begrijpt het betoog van de raadsman aldus, dat als gevolg van het tijdsverloop tijdens de ontnemingsprocedure een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) valt, zoals in dit geval, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens – dat ‘the proceedings
as a wholewere not fair’. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. [2]
Het hof overweegt dat de hiervoor bedoelde jurisprudentie voor de vervolging voor een strafbaar feit toepassing vindt bij een ontnemingsvordering. Hetgeen de raadsman aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd – door het tijdsverloop is een voldoende zorgvuldige beoordeling door de rechter onmogelijk gemaakt – kan echter bij gebreke aan een nadere onderbouwing niet leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De verdediging heeft immers volstaan met de enkele stelling dat een zorgvuldige beoordeling door de rechter niet (meer) mogelijk is en heeft nagelaten dit standpunt nader in te vullen en te onderbouwen.
Ten aanzien van de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel geldt dat de beslissing tot het instellen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel exclusief bij het openbaar ministerie ligt. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komt slechts dan in beeld indien het instellen of handhaven van de vordering tot ontneming onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
In de onderhavige ontnemingszaak is sprake van een relatief fors tijdsverloop, met name in eerste aanleg. De enkele omstandigheid dat er in 2022 bij de rechtbank Den Haag in vijftig zaken door het openbaar ministerie de niet-ontvankelijkheid is gevorderd (het hof begrijpt: naar aanleiding van tijdsverloop), maakt niet dat in dit geval sprake is van gelijke zaken die gelijk zouden moeten worden behandeld. Het hof acht het voortzetten van de ontnemingsvordering daarom niet strijdig met beginselen van een goede procesorde.
Het hof concludeert dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming.
Terugwijzing
De gemachtigde raadsman was in eerste aanleg aanwezig ter terechtzitting en de verdachte, die vanwege ziekte niet kon verschijnen, was op de hoogte van de zitting. De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman om aanhouding afgewezen op de grond dat het verzoek niet onderbouwd was. De raadsman heeft de verdediging vervolgens neergelegd, waarna de zaak op tegenspraak is afgedaan.
Gezien artikel 423, eerste lid, Sv is de hoofdregel dat het hof de zaak zelf afdoet. Naast de in artikel 423, tweede lid, Sv geregelde – hier niet van toepassing zijnde – uitzonderingen heeft de Hoge Raad in zijn zogenoemde kernroljurisprudentie een uitbreiding aan de werking van het tweede lid gegeven voor het geval de rechtbank ten onrechte wél in de hoofdzaak heeft beslist. Van een dergelijk geval is sprake, voor zover hier van belang, wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot zodanige personen dienen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman te worden gerekend. [3] Terugwijzing volgt alleen als is voldaan aan deze voorwaarden. Het mogelijk onterecht of op ontoereikende gronden afwijzen van een aanhoudingsverzoek in eerste aanleg is geen grond voor terugwijzing door het hof. Het uitgangspunt is namelijk dat vormverzuimen bij de behandeling in eerste aanleg doorgaans bij de behandeling in hoger beroep worden hersteld.
Uit het voorgaande volgt dat zich in deze zaak geen van de in de jurisprudentie genoemde gevallen voordoet. Het hof zal de zaak daarom niet terugwijzen naar de rechtbank.
De raadsman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg geen verweer gevoerd en de rechtbank was daarom niet gehouden te reageren op de inhoud van zijn eerder ingezonden schriftelijke conclusie. De rechtbank heeft overigens wel, in het voordeel van de betrokkene, de (van het rapport afwijkende) berekening van mr. Rijkhoff, bestemd voor een zaak van een medebetrokkene, gevolgd inzake het aantal deals dat voor de ontneming in aanmerking wordt genomen.

De grondslag van de ontnemingsvordering

De betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van de handel in cocaïne, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 november 2016. Het is aannemelijk dat deze strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt ontleend aan de inhoud van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) [4] en de verklaring van de betrokkene dat hij samen met anderen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 november 2016 in cocaïne heeft gehandeld. Hij heeft verklaard dat hij voor de verkoop van een halve gram € 5,00 verdiende en voor de verkoop van een hele gram € 10,00. Voor het werk werden de twee dealertelefoons gebruikt die in het dossier zijn genoemd. [5]
Uit het onderzoek is gebleken dat de betrokkene samen met anderen gebruik maakte van twee telefoons, hierna genoemd dealertelefoon 1 ( [telefoonnummer 1] ) en dealertelefoon 2 ( [telefoonnummer 2] ). [6] Deze telefoons rouleerden dagelijks binnen de leden van de groep. Uit de inhoud van het dossier (met name afgeluisterde telefoongesprekken, observaties en getuigenverklaringen) en de eigen verklaring van betrokkene(n), kan worden afgeleid dat de volgende werkwijze door de groepering is gevolgd: de afnemers belden naar één van de dealertelefoons, gaven hun bestelling door en vervolgens werd afgesproken waar de cocaïne zou worden afgeleverd. Een halve gram cocaïne kostte € 25,00 en een hele gram € 50,00. Voor het afleveren van bestellingen in de binnenstad van Amsterdam werd veelal gebruik gemaakt van een (rode) huurfiets of een scooter. Buiten het centrum werd de cocaïne met de auto afgeleverd. [7]
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof verenigt zich met de wijze van berekening van het wederrechtelijk voordeel zoals door de rechtbank is gehanteerd, met dien verstande dat het hof de periode:
‘2 oktober 2016 - 11 oktober 2016’ wijzigt in ‘1 oktober 2016 - 11 oktober 2016’. Deze periode telt 11 dagen in plaats van 10 dagen.
Aantal deals
De twee dealertelefoons die zijn gebruikt voor de cocaïnehandel zijn gedurende een periode afgetapt. Deze periode wordt hierna de gemeten periode genoemd. De gemeten periode beslaat voor dealertelefoon 1 de periode van 12 oktober 2016 tot en met 4 november 2016, oftewel 24 dagen. Voor dealertelefoon 2 is dit de periode van 19 oktober 2016 tot en met 14 november 2016, oftewel 27 dagen.
In het rapport is een aantal deals binnen de gemeten periode vastgesteld. De raadsvrouw van een van de medebetrokkenen, mr. Rijkhoff, heeft in eerste aanleg een daarvan afwijkend aantal deals geteld. Met de rechtbank en de advocaat-generaal neemt het hof, in het voordeel van de betrokkene, de berekening van deze raadsvrouw als uitgangspunt.
Dit betekent dat in de gemeten periode voor dealertelefoon 1 181 deals tot stand zijn gekomen en voor dealertelefoon 2 174 deals. Met de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om 15% van dit aantal deals af te trekken. De omstandigheid dat sommige deals niet slagen, is immers al meegenomen in de berekening van mr. Rijkhoff.
Het gemiddeld aantal deals
per dagis voor dealertelefoon 1 (181: 24 =) 7,54.
Voor dealertelefoon 2 is dit (174 : 27 =) 6,44.
Het gemiddeld aantal deals
per maandvoor dealertelefoon 1 is (7,54 x 365 : 12 =) 229,39.
Voor dealertelefoon 2 (6,44 x 365 : 12 =) 196,02.
De periode waarin met de twee telefoons is gedeald, is de periode van 1 januari 2015 tot en met
15 november 2016. Op basis van extrapolatie kan het totaal aantal deals in deze periode als volgt worden berekend:
Dealertelefoon 1
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
229,39 x 21 = 4.817,24 deals
1 oktober 2016 - 11 oktober 2016: 11 dagen
7,54 x 11 = 82,96 deals
12 oktober 2016 - 4 november 2016 (gemeten periode): 181 deals
5 november 2016 - 15 november 2016: 11 dagen
7,54 x 11= 82,96 deals
Totaal aantal deals telefoon 1: 4.817,24 + 82,96 + 181 + 82,96 = 5.164,16 deals.
Dealertelefoon 2
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
196,02 x 21 = 4.116,39 deals
1 oktober 2016 - 18 oktober 2016: 18 dagen
6,44 x 18 = 115,92 deals
19 oktober 2016 - 14 november 2016 (gemeten periode): 174 deals
Totaal aantal deals telefoon 2: 4.116,39 + 115,92 + 174 = 4.406,31 deals.
Totaal aantal deals beide telefoons: 5.164,16 + 4.406,31 = 9.570,47 deals.
Opbrengst dealers
De betrokkene is één van de dealers geweest. Uit de verschillende verklaringen van de leden van de organisatie kan worden afgeleid dat de dealer € 5,00 voor elke verkochte halve gram en € 10,00 voor elke hele gram kreeg. Op basis van de getuigenverklaringen gaat het hof ervan uit dat 75% van de deals halve grammen betroffen en 25% van de deals hele grammen. Dit is anders dan in het proces-verbaal ontneming, waarin tot 50% halve grammen en 50% halve grammen werd gekomen.
Het aantal verkochte halve grammen is 9.570,47 x 0,75 = 7.177,85. Alle dealers bij elkaar hebben hiermee 7.177,85 x € 5,00 = € 35.889,26 verdiend.
Het aantal verkochte hele grammen is 9.570,47 x 0,25 = 2.392,62. Alle dealers bij elkaar hebben hiermee 2.392,62 x 10 = € 23.926,20 verdiend.
Dat maakt dat alle dealers bij elkaar in totaal € 35.889,26 + € 23.926,20 = € 59.815,46 hebben verdiend. Alle 5 dealers bij elkaar hebben 52,5 maanden gehandeld in cocaïne. De opbrengst voor de dealers per maand is dan € 59.815,46 : 52,5 = € 1.139,34.
Opbrengst betrokkene
De betrokkene heeft zich gedurende een periode van 22,5 maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Het hof berekent zijn verdiensten uit de drugshandel als volgt:
€ 1.139,34 x 22,5 maanden = € 25.635,20.
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van in totaal € 25.635,20, afgerond tot
€ 25.635,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsman heeft het hof verzocht de betalingsverplichting op nihil te stellen met het oog op de geringe omzet die de betrokkene heeft gemaakt, zijn medische problemen en zijn gebrek aan verdienvermogen als gevolg daarvan.
Draagkracht
Het hof stelt in het kader van het draagkrachtverweer van de raadsman voorop dat in het ontnemingsgeding de draagkracht van de betrokkene alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld, indien ter terechtzitting voldoende concreet onderbouwd wordt aangevoerd dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen. In dit verband dient gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van (financiële) zaken te worden gegeven.
Het hof is van oordeel dat het draagkrachtverweer van de raadsman niet zodanig is onderbouwd dat kan worden vastgesteld dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal krijgen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidstoestand van de betrokkene, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De (toekomstige) draagkracht van de betrokkene kan in de executiefase aan de orde worden gesteld.
Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden. Uit het dossier blijkt dat de machtiging tot het leggen van beslag ex artikel 94a Sv op 23 december 2016 aan de betrokkene is betekend. Het ontnemingsvonnis dateert van 17 januari 2024. In eerste aanleg is daarmee de redelijke termijn overschreden met ongeveer 5 jaren en 3 weken. Op 30 januari 2024 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 21 mei 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met 4 maanden. Het hof ziet in deze forse overschrijding aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met 10 procent. Het hof ziet geen aanleiding voor een verdere matiging.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 25.635,20 minus
10 procent is) € 23.071,68, afgerond tot
€ 23.071,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 25.635,00 (vijfentwintigduizend zeshonderdvijfendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 23.071,00 (drieëntwintigduizend eenenzeventig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 230 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 mei 2026.
Mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.
2.Vgl. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, ro 2.3.4.
4.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36 e lid 2 Sr van 28 januari 2019, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina’s 1 tot en met 11.
5.De verklaring van de betrokkene zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017, bewijsmiddel 1, aanvulling bij het vonnis in de strafzaak.
6.Proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2016, in de wettelijke vorm opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, algemeen dossier deel 2, dossierpagina’s 463 tot en met 470.
7.Het rapport, pagina 4 en 5.