Belanghebbende, als cessionaris van een vermeend vorderingsrecht op de Belastingdienst uit hoofde van teruggaafverzoeken omzetbelasting, stelde beroep in tegen uitspraken op bezwaar die aan de oorspronkelijke belastingplichtige, [A] B.V., waren gericht. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende geen beroepsgerechtigde is volgens artikel 26a, lid 1, AWR.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of een cessionaris, die verkrijgt onder bijzondere titel, een zelfstandig beroepsrecht heeft. Het hof bevestigde dat artikel 26a AWR een limitatieve opsomming bevat van wie beroep kan instellen en dat een cessionaris niet als belanghebbende in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt. De cessie geeft wel een recht op uitkering van de teruggaaf, maar niet de status van belanghebbende.
Het hof verwierp ook het subsidiaire standpunt dat het ontbreken van een zelfstandig beroepsrecht tot een onbedoeld rechtstekort leidt, omdat de oorspronkelijke belastingplichtige zelf bezwaar en beroep heeft ingesteld en de zaak inhoudelijk is behandeld. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.