Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:887

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/754
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a AWRArt. 6:17 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen zelfstandig beroepsrecht voor cessionaris van belastingvordering bij teruggaaf omzetbelasting

Belanghebbende, als cessionaris van een vermeend vorderingsrecht op de Belastingdienst uit hoofde van teruggaafverzoeken omzetbelasting, stelde beroep in tegen uitspraken op bezwaar die aan de oorspronkelijke belastingplichtige, [A] B.V., waren gericht. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende geen beroepsgerechtigde is volgens artikel 26a, lid 1, AWR.

Het geschil spitste zich toe op de vraag of een cessionaris, die verkrijgt onder bijzondere titel, een zelfstandig beroepsrecht heeft. Het hof bevestigde dat artikel 26a AWR een limitatieve opsomming bevat van wie beroep kan instellen en dat een cessionaris niet als belanghebbende in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt. De cessie geeft wel een recht op uitkering van de teruggaaf, maar niet de status van belanghebbende.

Het hof verwierp ook het subsidiaire standpunt dat het ontbreken van een zelfstandig beroepsrecht tot een onbedoeld rechtstekort leidt, omdat de oorspronkelijke belastingplichtige zelf bezwaar en beroep heeft ingesteld en de zaak inhoudelijk is behandeld. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat een cessionaris geen zelfstandig beroepsrecht heeft en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/754
26 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 23 januari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/33 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft bij op naam van [A] B.V. (hierna: [A] B.V.) gegeven beschikkingen van 8 december 2010, door [A] B.V. bij de aangiften omzetbelasting ingediende teruggaafverzoeken over de kwartalen in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 afgewezen.
1.2.
[A] B.V. heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 heeft de inspecteur de bezwaren nietontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 23 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 maart 2025 en nader gemotiveerd bij brief van 4 april 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 25 februari 2026 een nader stuk ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
[A] B.V. heeft bij brieven van 12 januari 2011 bezwaren ingediend tegen de onder 1.1 vermelde beschikkingen.
2.2.
Op 1 november 2015 heeft [A] B.V. belanghebbende gemachtigd om haar te vertegenwoordigen in de aanhangige (bezwaar)procedures over de beschikkingen.
2.3.
Bij brief van [A] B.V. aan de inspecteur van 30 april 2018 is meegedeeld dat [A] B.V. de vordering die zij meent te hebben op de Belastingdienst uit hoofde van de teruggaaf-verzoeken heeft gecedeerd aan belanghebbende en [Y] (hierna ook: de cessionarissen). In de brief is voorts het volgende opgenomen:
“De cessionarissen zullen de bezwaarprocedure in naam van [ [A] B.V.] maar voor eigen rekening en risico voortzetten.”
2.4.
In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 is onder meer het volgende opgenomen:
“Mr. Drs. [X]
[adres]
Betreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]
[ [A] B.V.] (hierna: [A] ) heeft bezwaar gemaakt wegens op aangiften omzetbelasting geweigerde voorbelasting. (…) Bij het onderstaande wil ik opmerken dat met [A] ook wordt bedoeld de betrokken adviseurs.
(…)
Conclusie
De conclusie is dat [A] op grond van het bovenstaande geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. (…)”
2.5.
Bij beroepschrift namens belanghebbende, [A] B.V. en [Y] is op 11 oktober 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
2.6.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 september 2021 in de zaak met kenmerk HAA 19/5378 (ECLI:NL:RBNHO:2021:8379) op het beroep van [A] B.V. beslist. In die zaak was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.
2.7.
Het Hof heeft bij uitspraak van 6 juni 2023 in de zaak met kenmerk 21/01718 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1418) op het hoger beroep van [A] B.V. tegen de onder 2.6 vermelde uitspraak van de rechtbank beslist. Ook in de procedure voor het Hof was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.
2.8.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 november 2025 in de zaak met kenmerk 23/02948 (ECLI:NL:HR:2025:1793) het door [A] B.V. tegen de onder 2.7 vermelde uitspraak van het Hof ingestelde cassatieberoep – voor zover hier van belang – met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.
2.9.
Bij brief van 8 januari 2024 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 bevestigd en meegedeeld dat het beroep is geregistreerd onder kenmerk HAA 24/33.

3.Geschil in hoger beroep

Primair is tussen partijen in geschil of de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:
“1. [A] B.V. in liquidatie (de BV) heeft over de tijdvakken 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 omzetbelasting teruggevraagd. Verweerder heeft die teruggaven bij beschikkingen van 8 december 2010 geweigerd. De BV heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren niet ontvankelijk verklaard. De BV heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft daarop afwijzend beslist en het Hof Amsterdam evenzeer. De BV heeft beroep in cassatie ingesteld.
2. De BV heeft haar, weliswaar betwiste, vorderingen in de vorm van de terug te ontvangen omzetbelasting gecedeerd aan eiser. Als cessionaris heeft eiser beroep ingesteld tegen de uitspraken op de bezwaren tegen de in 1 genoemde beschikkingen. Eiser heeft daarvoor primair aangevoerd dat een cessionaris als rechtsverkrijger onder bijzondere titel een zelfstandig bewaar- en beroepsrecht heeft.
Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem had moet erkennen als belanghebbende in het bezwaar en dat de uitspraak op het bezwaarschrift (mede) aan hem had moeten worden gericht.
Meer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming voordoet.
3. Volgens verweerder is eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep omdat hij geen beroepsgerechtigde is in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
4. In deze zaak procedeert eiser niet als gemachtigde van de BV, maar procedeert hij voor zichzelf als cessionaris. Tussen partijen is niet in geschil dat de cessie rechtsgeldig tot stand is gekomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser als cessionaris een zelfstandig beroepsrecht heeft. Artikel 26a van de Awr bevat een limitatieve opsomming van degenen die beroep bij de belastingrechter kunnen instellen. Deze bepaling – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – vormt het gesloten stelsel van rechtsbescherming. Voor zover hier van belang komt het beroepsrecht volgens dit artikel toe aan degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd, degene die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen, degene van wie de belasting is ingehouden en degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Eiser is dus geen belanghebbende in de zin van deze bepaling. Eiser heeft aangevoerd dat een belastingvordering en daarmee het beroepsrecht overgaat op de rechtsopvolger van de belastingplichtige en het daarbij geen verschil maakt of sprake is van verkrijging onder algemene titel of bijzondere titel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij een verkrijger onder algemene titel zet de verkrijger volledig de rechtspositie van zijn rechtsvoorganger voort en verkrijgt daarmee van zijn rechtsvoorganger ook de status van belanghebbende of belastingschuldige in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Awr. Voor een verkrijger onder bijzondere titel geldt dit niet. Een verkrijger onder bijzondere titel heeft een nieuwe eigen rechtspositie. Een cessionaris verkrijgt onder bijzondere titel en door de cessie heeft eiser het recht verkregen dat de al dan niet aan de BV terug te geven omzetbelasting aan hem wordt uitgekeerd, maar daarmee heeft eiser niet de status verkregen van de BV als degene tot wie de desbetreffende beschikkingen waren gericht.
5. Het subsidiaire standpunt van eiser stuit ook af op het bovenstaande omdat een uitspraak op het bezwaar tegen een belastingaanslag of een op grond van de belastingwet gegeven beschikking alleen kan zijn gericht tegen degene die het bezwaarschrift heeft ingediend of diens gemachtigde in de bezwaarprocedure.
6. Verweerder heeft aangevoerd dat het meer subsidiaire standpunt van eiser, dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming zou voordoen,
eveneens moet worden verworpen.
7. Aangaande het meer subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank dat het ontbreken van een zelfstandig beroepsrecht van een cessionaris mogelijk een rechtstekort oplevert als de belastingplichtige zelf geen bezwaar maakt, terwijl een bezwaar of beroep wel tot een voor de belastingplichtige gunstige uitkomst had kunnen leiden. In dit geval is daarvan geen sprake omdat de BV wel bezwaar heeft gemaakt en tegen de uitspraak op het bezwaar ook beroep, hoger beroep en beroep in cassatie heeft ingesteld. In rechte is de zaak dus inhoudelijk behandeld. Daarbij is eiser als gemachtigde van de BV – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – steeds in de gelegenheid gesteld gronden aan te voeren in relatie tot zijn ontvankelijkheid en het materiële geschil inzake de eventuele teruggaaf van omzetbelasting aan de BV. Van een rechtstekort is dan ook geen sprake. Daaraan doet niet af dat de hiervoor genoemde procedures door de BV worden gevoerd. Dus ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat aan eiser een zelfstandig beroepsrecht toekomt, kan een zelfstandig beroepsrecht niet tot een voor eiser gunstiger resultaat leiden. Naar aanleiding van hetgeen eiser in zijn pleitnota heeft aangevoerd merkt de rechtbank nog op dat artikel 1 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van Pro Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet tot een ander oordeel kunnen leiden omdat van een rechtstekort geen sprake is.
8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in deze zaak geen beroepsrecht heeft. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.
5.2.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4 terecht vooropgesteld dat artikel 26a AWR een limitatieve opsomming bevat van degenen die beroep kunnen instellen bij de belastingrechter (het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming). Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende, die voor zichzelf procedeert als cessionaris, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van deze bepaling. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar tot hem zijn gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Uit de vermelding van het onderwerp in het geschrift waarin de uitspraken op bezwaar zijn vervat (“Betreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]”, zie 2.4) alsmede de inhoudelijke overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de uitspraken op bezwaar zijn gericht tot [A] B.V., de vennootschap die bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde, op haar naam gestelde beschikkingen. Het feit dat de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende zijn geadresseerd, wordt verklaard door de omstandigheid dat belanghebbende zich in de bezwaarprocedure heeft gesteld als gemachtigde van [A] B.V. De inspecteur heeft de uitspraken op bezwaar daarom met inachtneming van het voorschrift van artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan belanghebbende toegezonden in zijn hoedanigheid van gemachtigde van [A] B.V. Gelet op de genoemde inhoudelijke overwegingen van de uitspraken op bezwaar en de aanduiding van het onderwerp van de uitspraken heeft belanghebbende aan de adressering van de uitspraken niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de uitspraken tot hem waren gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Dit nog daargelaten de vraag of een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in het onderhavige geval (waarin niet belanghebbende, maar [A] B.V. bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen) zou hebben geleid tot een ontvankelijk beroep.
5.3.
Ook het standpunt van belanghebbende dat het beroepsrecht van [A] B.V. op hem is overgegaan vanwege een rechtsgeldig tot stand gekomen cessie van het vermeende vorderingsrecht van [A] B.V. op de Belastingdienst wordt verworpen, op de door de rechtbank in rechtsoverweging 4 weergegeven gronden. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, reeds omdat rechtsopvolgers onder algemene titel en rechtsopvolgers onder bijzondere titel (zoals cessionarissen) geen rechtens gelijke gevallen zijn. De verwijzing door belanghebbende naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) – onder meer ABRvS 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1153 en ABRvS 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9513 – gaat evenmin op, reeds omdat deze uitspraken betrekking hebben op het van artikel 26a AWR afwijkende begrip ‘belanghebbende’ van artikel 1:2 en Pro 8:1 Awb.
5.4.
Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
5.5.
De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, R.C.H.M. Lips en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: