ECLI:NL:GHAMS:2026:89

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.337.368/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 237 RvArt. 242 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over oneerlijke huurprijswijzigings- en kostenbedingen in huurovereenkomst woonruimte

In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de kantonrechter over huurachterstand, huurprijswijzigingsbedingen en kostenbedingen in een huurovereenkomst voor woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs.

De kantonrechter had het opslagbeding en incassokostenbeding als oneerlijk beoordeeld en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen, terwijl ontbinding en ontruiming van de woning voorwaardelijk werden toegewezen wegens huurachterstand. Het hof herroept het oordeel over het incassokostenbeding en het CPI-indexatiebeding, die niet oneerlijk zijn, maar bevestigt dat het opslagbeding oneerlijk is vanwege onvoldoende transparantie, het voorkomen op de indicatieve lijst van de Richtlijn oneerlijke bedingen en de aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen.

De Hoge Raad heeft in een prejudiciële beslissing geoordeeld dat een opslagbeding tot maximaal 3% niet per definitie oneerlijk is, maar het hof stelt dat dit niet automatisch geldt voor een opslag van 5%. Het hof wijst erop dat de verhuurder onvoldoende heeft onderbouwd waarom een opslag van 5% noodzakelijk is. De proceskostenbeding wordt ambtshalve onderzocht en vermoedelijk vernietigd, maar de beslissing hierover wordt aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het HvJEU.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere specificatie van de huurachterstand en incassokosten, waarna een deelarrest volgt. Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes.

Uitkomst: Het opslagbeding is vernietigd als oneerlijk, het CPI-indexatiebeding en incassokostenbeding zijn geldig verklaard, en de beslissing over het proceskostenbeding is aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.368/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10582306 CV EXPL 23-9300
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellante],
gevestigd te [stad] ,
appellante,
advocaat: mr. H.M. Hielkema te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
beiden wonend te [stad] ,
geïntimeerden,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde 1] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft de kantonrechter de door verhuurder gevorderde huurachterstand gedeeltelijk en de buitengerechtelijke incassokosten geheel afgewezen. Hij oordeelde daartoe ambtshalve dat de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst oneerlijke huurprijswijzigings- en kostenbedingen bevatten. Omdat de resterende huurachterstand wel ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigde, wees hij deze vorderingen voorwaardelijk toe. De kantonrechter heeft huurder in de proceskosten veroordeeld. Het hof overweegt dat de door verhuurder gevorderde CPI-indexering ten onrechte is afgewezen, omdat het huurprijswijzigingsbeding dat daarop betrekking heeft niet oneerlijk is. Hetzelfde geldt voor het incassokostenbeding. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het opslagbeding (waarmee de huurprijs bovenop de CPI-indexering met maximaal 5% per jaar kan worden verhoogd) wel oneerlijk is. Verhuurder wordt in de gelegenheid gesteld om de omvang van de huurachterstand te specificeren, met inachtneming van het voorgaande. Omdat het kostenbeding ook de proceskosten betreft en de Hoge Raad over de gevolgen van vernietiging van zo’n beding een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, houdt het hof de beslissing over de proceskosten aan.

2.Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 22 januari 2024 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 1 augustus 2023, 12 september 2023 en 7 november 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] als gedaagden.
Tegen [geïntimeerde 1] is verstek verleend.
[appellante] heeft daarna een memorie van grieven ingediend.
Mede op verzoek van [appellante] heeft het hof de zaak aangehouden totdat de Hoge Raad prejudiciële vragen over huurprijswijzigingsbedingen heeft beantwoord. De desbetreffende prejudiciële beslissing is op 29 november 2024 genomen (waarover hierna meer).
[appellante] heeft zich vervolgens bij akte van 14 januari 2025, met een productie, uitgelaten over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en de betekenis hiervan voor de onderhavige zaak.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

3.Feiten

Het hof stelt de feiten als volgt vast.
3.1.
[geïntimeerde 1] huren de woning aan de [straat] te [stad] (hierna: het gehuurde) van [appellante] . Zij hebben daartoe op 28 januari 2020 een huurovereenkomst gesloten. De aanvangshuurprijs bedroeg vanaf 28 januari 2020 € 805,00 per maand, te vermeerderen met € 15,95 aan servicekosten. Het betreft een woning met een geliberaliseerde huurprijs.
3.2.
[geïntimeerde 1] hebben een achterstand laten ontstaan in de huurbetalingen. [appellante] heeft [geïntimeerde 1] op 28 juli 2022 schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [geïntimeerde 1] hebben daarop niet afwijzend gereageerd, waarna [appellante] hen op 5 oktober 2022 bij de gemeente heeft aangemeld in het kader van vroegsignalering. [geïntimeerde 1] zijn bij brief van 14 oktober 2022 door de gemachtigde van [appellante] aangemaand om de op dat moment bestaande achterstand te voldoen binnen 14 dagen na ontvangst van de brief.
3.3.
De Algemene voorwaarden geliberaliseerde woonruimte van [appellante] (hierna: de algemene voorwaarden) zijn op de overeenkomst van toepassing. Specifieke bedingen zijn, voor zover relevant, onder de beoordeling opgenomen.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
[appellante] heeft in eerste aanleg - na eiswijziging - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.534,29 aan huurachterstand tot en met 31 oktober 2023, € 462,97 aan buitengerechtelijke kosten en voorts ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met nevenvorderingen en proceskosten.
4.2.
Bij het bestreden tussenvonnis van 1 augustus 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de artikelen 17.2 en 17.3 van de algemene voorwaarden (incasso- en proceskostenbeding - hof) niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen) en ten aanzien van artikel 4.3 van de algemene voorwaarden (het opslagbeding - hof) dat dit voorshands als oneerlijk moet worden aangemerkt. [appellante] is in de gelegenheid gesteld een akte te nemen maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Bij het bestreden tussenvonnis van 12 september 2023 is artikel 4.3 vervolgens vernietigd. [appellante] is opnieuw in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over - kort gezegd - doorgevoerde (oneerlijke) huurverhogingen. Bij het bestreden eindvonnis van 7 november 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat de artikelen 17.2 en 17.3 bij het tussenvonnis van
1 augustus 2023 reeds oneerlijk zijn bevonden en daarom ambtshalve worden vernietigd. Omdat gevolg van de oneerlijkheid is dat de bedingen volledig buiten toepassing moeten worden gelaten en niet kan worden teruggevallen op aanvullend recht, zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. Ten aanzien van artikel 4.3 is geoordeeld dat dit beding in het tussenvonnis van 12 september 2023 vernietigd is, dat de jaarlijkse huurverhogingen in beginsel niet toewijsbaar zijn (op een huurverhoging van € 1,20 na waarmee [geïntimeerde 1] hebben ingestemd) en dat bij de berekening van de huurachterstand moet worden uitgegaan van de aanvangshuurprijs plus € 1,20. Onder 11 en 12 van het bestreden eindvonnis is een betalingsregeling opgenomen die partijen hebben getroffen voor de huurachterstand - die per 31 oktober 2023 € 3.379,03 bedroeg - en de proceskosten. De kantonrechter heeft [geïntimeerde 1] hoofdelijk veroordeeld om de bedragen van die regeling te voldoen op de wijze als overeengekomen. Voorwaardelijk, voor het geval [geïntimeerde 1] niet aan die veroordeling voldoen, heeft de kantonrechter de ontbinding en ontruiming uitgesproken alsmede [geïntimeerde 1] hoofdelijk veroordeeld aan [appellante] het restant van de huurachterstand te betalen en maandelijks vanaf 1 november 2023 tot aan de ontruiming een bedrag gelijk aan de aanvangshuurprijs, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten, waaronder de nakosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellante] vordert in hoger beroep, na eiswijziging, primair, vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen, en alsnog toewijzing daarvan. Subsidiair, voor het geval het hof de artikelen 4.2 en 4.3 van de algemene voorwaarden vernietigt / buiten toepassing verklaart, vordert [appellante] wijziging van de huurovereenkomst in die zin dat de huur jaarlijks per 1 juli wordt aangepast op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, met terugwerkende kracht vanaf de aanvang van de huurovereenkomst. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1.
Met grieven I tot en met IV richt [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn en dat de huurverhogingen daarom niet toewijsbaar zijn. Grief V is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het incassokostenbeding oneerlijk is en dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom niet toewijsbaar zijn.
De verplichting tot ambtshalve toetsing
6.2.
[appellante] heeft in de eerste plaats betoogd dat met de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen die sinds 2023 bij met name de rechtbank Amsterdam plaatsvindt, sprake is van nieuw beleid. Voorheen werd daarop nooit getoetst. [appellante] is door dit nieuwe beleid overvallen, is het er (inhoudelijk) niet mee eens en kon dit bij de totstandkoming van de huurovereenkomst ook niet voorzien. Dat dit beleid evident kolossale gevolgen heeft voor [appellante] en voor de Nederlandse samenleving als geheel, is blijkens die rechtspraak kennelijk niet relevant. Uit het feit dat de kantonrechter Amsterdam prejudiciële vragen heeft moeten stellen aan de Hoge Raad over dit onderwerp, blijkt wel dat de rechtbank zelf ook niet helemaal zeker weet of het nieuwe beleid rechtens volledig juist is, aldus [appellante] .
6.3.
Het hof begrijpt dit betoog zo, dat [appellante] meent dat ambtshalve toetsing in dit geval achterwege (had) moet(en) blijven. Dat betoog gaat niet op. [geïntimeerde 1] , als huurders van woonruimte, moeten worden aangemerkt als consumenten in de zin van het Europese recht. Op grond van vaste rechtspraak is de rechter in dat geval
- ook ambtshalve - verplicht te toetsen of aan de vordering bedingen ten grondslag (kunnen) liggen die oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [1] Als de rechter tot de conclusie komt dat bedingen oneerlijk zijn, dan moet hij deze op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen buiten toepassing laten. [2] Als de rechter nalaat ambtshalve te toetsen, kan de Staat aansprakelijk worden gehouden. [3] Dat vóór 2023 in huurzaken nog geen ambtshalve toetsing plaatsvond, betekent niet dat die toetsing nu niet meer zou kunnen en moeten plaatsvinden.
6.4.
Vanaf de invoering van de Richtlijn oneerlijke bedingen had aan de bepalingen daarvan uitvoering moeten worden gegeven. Het is [appellante] zelf die daarvoor verantwoordelijk is, ook als in de rechtspraak dergelijke bedingen nog niet zijn getoetst.
De huurprijswijzigingsbedingen
6.5.
Ook het hof moet dus ambtshalve toetsen of de huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Deze richtlijn is geïmplementeerd in artikel 6:231 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof merkt op dat de kantonrechter uitsluitend het opslagbeding (artikel 4.3 algemene voorwaarden) heeft vernietigd en niet het CPI-beding (artikel 4.2 algemene voorwaarden). Omdat de kantonrechter wel heeft geoordeeld dat de aanvangshuurprijs is blijven gelden, gaat het hof er - net als kennelijk [appellante] , dat in hoger beroep opkomt tegen de vernietiging van beide bedingen - van uit dat hij bedoeld heeft ook het CPI-beding te vernietigen.
6.6.
Het hof stelt bij de toetsing voorop dat de huurprijswijzigingsbedingen geen kernbedingen zijn, zoals [appellante] in hoger beroep heeft betoogd. Immers, in de huurovereenkomst is een (aanvangs)huurprijs afgesproken en deze overeenkomst kan (voort)bestaan zonder de huurprijswijzigingsbedingen.
De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 29 november 2024
6.7.
De Hoge Raad heeft op 29 november 2024 - in reactie op door de kantonrechter Amsterdam in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen - een beslissing gegeven over, in de kern, de vraag of een in de geliberaliseerde sector gehanteerd huurprijswijzigingsbeding met een opslag van
maximaal 3%naast een op de CPI gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de prejudiciële beslissing). [4] De Hoge Raad oordeelde onder meer:
  • dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst;
  • dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
  • dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW Pro;
  • dat de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt, die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen;
  • dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening; en
  • dat de rechter bij een vordering tot ontbinding en ontruiming wegens een tekortkoming in de huurbetalingsverplichting van de huurder ambtshalve moet onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt op grond van de tenzij-clausule.
Juridisch kader oneerlijkheid
6.8.
Op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW is een beding vernietigbaar wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend (oneerlijk) is voor de wederpartij (de consument). Zoals de Hoge Raad in 3.2.2 en 3.2.3 van de prejudiciële beslissing heeft vooropgesteld, wordt een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, omdat die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. De omstandigheid dat een beding voorkomt op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen, leidt niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat het beding een oneerlijk karakter heeft. Wel is dat een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Volgens artikel 5 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen moeten schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij wijzigingsbedingen staat tegenover het rechtmatige belang van de wederpartij van de consument om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn.
Het indexatiebeding is niet oneerlijk
6.9.
Uit de prejudiciële beslissing volgt in de eerste plaats dat het indexatiebeding apart op oneerlijkheid moet worden getoetst. Dit beding (artikel 4.2 van de algemene voorwaarden) luidt in deze zaak als volgt:
4.2
CPI index
De huurprijs wordt jaarlijks gewijzigd op basis van de wijziging van het jaarprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2006=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In dit geval vindt de berekening plaats volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
6.10.
Dit beding is niet oneerlijk. De hierop gebaseerde huurprijswijziging is immers gegrond op de consumentenprijsindex van het CBS, als gevolg waarvan enkel de geldontwaarding wordt gecompenseerd. Daarnaast is in het beding toegelicht hoe de aanpassing van de huurprijs wordt berekend.
6.11.
Dit brengt met zich dat de CPI-indexeringen die [appellante] sinds het begin van de huurovereenkomst heeft doorgevoerd van kracht zijn gebleven en dat de kantonrechter die gevorderde bedragen ten onrechte heeft afgewezen. De grieven van [appellante] slagen in zoverre. Het hof komt hierna terug op de consequenties die dit heeft.
Het opslagbeding is oneerlijk
6.12.
De grieven slagen niet voor zover zij zijn gericht tegen de afwijzing van de opslagbedragen, omdat het opslagbeding dat [appellante] hanteert, wel oneerlijk is. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
6.13.
Het opslagbeding luidt als volgt:
4.3
maximaal 5% naast CPI
Verhuurder heeft het recht om de te wijzigen huurprijs zoals omschreven op de wijzigingsdatum naast verhoging overeenkomstig het in lid 2 genoemde percentage, tevens daarbovenop te verhogen met een percentage van maximaal 5%.
6.14.
Vooropgesteld wordt dat een huurovereenkomst voor woonruimte doorgaans voor langere tijd wordt gesloten en dat deze slechts op beperkte gronden kan worden beëindigd door de verhuurder. Met de Hoge Raad (rov. 3.2.6 prejudiciële beslissing) is het hof van oordeel dat de verhuurder er - gelet op het wettelijk systeem met beperkte opzeggingsgronden - een gerechtvaardigd belang bij heeft om de aanvangshuurprijs jaarlijks te kunnen aanpassen en dat de huurder er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat de huurprijs betaalbaar blijft.
6.15.
De prejudiciële beslissing gaat over een opslagbeding van maximaal 3%. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat hoewel dit in individuele gevallen op grond van bijkomende omstandigheden anders kan zijn, een opslagbeding van maximaal 3% niet oneerlijk is, omdat dit percentage nodig kan zijn om de doelen van het opslagbeding te bereiken. Het hof gaat ervan uit dat deze beslissing niet met zich brengt dat een opslagbeding van maximaal 5% per definitie oneerlijk is. Ook bij een dergelijk beding geldt dat bij de beoordeling steeds, in iedere individuele zaak, alle relevante omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een rol spelen. Daarbij gaat het onder meer om (i) de transparantie van het beding en het (al dan niet) ontbreken van gronden voor toepassing van de opslag, (ii) de mate waarin het opslagbeding voldoet aan de omschrijvingen in de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen, (iii) de mate van verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw, (iv) de aard van de overeenkomst, en (v) overige aspecten.
Het opslagbeding is onvoldoende transparant (i)
6.16.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) stelt vergaande beperkingen aan de geldigheid van prijswijzigingsbedingen. Niet alleen moet het beding in duidelijke en begrijpelijke taal gesteld zijn, het moet ook de gronden bevatten op basis waarvan en de wijze waarop de huurprijs kan worden aangepast en deze gronden moeten een geldige reden vormen voor de wijziging van de huurprijs. [5] Het transparantievereiste moet ruim worden opgevat, vanwege de gedachte dat de consument zich in een zwakkere positie bevindt en over minder informatie beschikt dan de handelaar. Het gaat erom dat vóór het sluiten van de overeenkomst de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument in staat wordt gesteld om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien. [6]
6.17.
Verder is van belang dat het HvJEU heeft geoordeeld dat de oneerlijkheid beoordeeld moet worden op basis van de omstandigheden rondom de sluiting van de overeenkomst, maar dat het beding oneerlijk kan zijn als gedurende de uitvoering de mogelijkheid bestaat op een verstoring van het evenwicht, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. [7] Relevant is dus of het beding het evenwicht kan verstoren, los van de vraag of en in hoeverre de verhuurder feitelijk uitvoering geeft aan het beding. Dit betekent dat bij de toetsing van het opslagbeding ervan uit moet worden gegaan dat [appellante] steeds de maximale opslag van 5% in rekening zal brengen.
6.18.
Het voorliggende opslagbeding is onvoldoende transparant. [geïntimeerde 1] , als huurders, kunnen weliswaar voorzien met welk percentage de huurprijs maximaal mag worden verhoogd en hoe vaak, maar de daadwerkelijke financiële consequenties van het beding zijn niet inzichtelijk. Immers, niet voorzienbaar is in hoeverre en op welke gronden [appellante] , binnen de bandbreedte van 0 tot 5%, toepassing zal geven aan het beding. Daardoor is een door [appellante] aan het beding gegeven toepassing voor [geïntimeerde 1] niet controleerbaar.
6.19.
Een stijging met jaarlijks 5% lijkt op papier bovendien misschien niet zoveel, maar leidt op de middellange en lange termijn - bovenop de CPI-indexeringen - tot een enorme stijging van de huurprijs. Het hof illustreert dit met de onderstaande grafiek: [8]
Uit deze grafiek blijkt dat de huurprijs ingeval van een opslagbeding als het onderhavige - dat geldt bovenop de indexering - in twintig jaar tijd (niet ongebruikelijk bij een huurovereenkomst) stijgt van € 1.000,- tot meer dan € 4.000,-, in plaats van tot het bedrag van ongeveer € 1.600,- dat zou gelden als de huur alleen zou worden geïndexeerd. Ook een rekenvoorbeeld maakt dit inzichtelijk: bij een aanvangshuur van € 1.500,- op 1 juli 2019 bedraagt de huurprijs per 1 juli 2024 € 2.318,38, een stijging van 54,56% in slechts vijf jaar tijd, in plaats van € 1.782,18 bij uitsluitend geïndexeerde huur (een stijging van 18,81%).
6.20.
Niet aan te nemen valt dat deze vergaande financiële consequenties van het huurprijswijzigingsbeding voor [geïntimeerde 1] , als normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consumenten, inzichtelijk waren. Ook daarmee is het opslagbeding onvoldoende transparant.
Het beding staat op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen (ii)
6.21.
De indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen noemt onder 1.j) het beding dat tot doel of gevolg heeft “de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. Volgens punt 2.b) van de lijst staat punt 1.j), onder meer, niet in de weg aan bedingen waarbij de verkoper zich het recht voorbehoudt de voorwaarden van een overeenkomst voor onbepaalde tijd eenzijdig te wijzigen, mits hij verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de consument en deze vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen. Punt 1.l) heeft betrekking op bedingen die tot doel of gevolg hebben de verkoper het recht te verlenen de prijs te verhogen, zonder dat de consument het overeenkomstige recht heeft om de overeenkomst op te zeggen, indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs.
6.22.
De uitzondering opgenomen in punt 2.b) van de indicatieve lijst is niet van toepassing op het opslagbeding in deze zaak, alleen al omdat in dit beding niet is opgenomen dat de huurder de overeenkomst vanwege de wijziging kan opzeggen (zie hierboven). Daarbij komt dat de opzeggingsmogelijkheid die in punt 2.b) is opgenomen, een
reëleen niet slechts formele opzeggingsmogelijkheid moet zijn. [9] Ook aan dit vereiste is niet voldaan. Immers, hoewel de huurder formeel gezien de huurovereenkomst kan opzeggen, zal deze daar - zoals ook de Hoge Raad overweegt in (rov. 3.2.8 van) de prejudiciële beslissing - niet snel gebruik van (kunnen) maken, zeker niet in tijden van krapte op de woningmarkt. [10]
6.23.
Het opslagbeding voldoet dus aan de omschrijving van de op de indicatieve lijst voorkomende wijzigingsbedingen.
Het beding verstoort het evenwicht in strijd met de goede trouw (iii)
6.24.
Om te kunnen bepalen of het opslagbeding oneerlijk geacht moet worden omdat het “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort” (artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen), moet volgens vaste rechtspraak van het HvJEU met name onderzocht worden of het beding een aantasting inhoudt van de rechtspositie van de consument op basis van nationaalrechtelijke bepalingen. [11]
6.25.
Als het opslagbeding geen onderdeel zou uitmaken van de algemene voorwaarden, zou [appellante] op grond van de op 28 januari 2020 (de datum waarop partijen de huurovereenkomst hebben gesloten) geldende dwingendrechtelijke regels een huurprijswijziging hebben kunnen proberen te bewerkstelligen. Tot 1 mei 2021 kon de verhuurder de huurder een redelijk aanbod tot wijziging van de huurprijs doen en had de verhuurder een opzeggingsgrond als de huurder dit niet accepteerde (artikel 7:274 lid 1 onder Pro d BW (oud)). Hoewel de huurprijs hiermee kon worden verhoogd, is niet aannemelijk dat de huurprijs langs deze weg in dezelfde mate zou zijn gestegen als met het opslag- en CPI-beding (zie hiervoor onder 6.19). De verhuurder moest immers bij de rechter stellen en bewijzen dat zijn voorstel redelijk was, waarna rechterlijke toetsing plaatsvond. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de huurprijs van vergelijkbare woningen, maar ook naar omstandigheden die de huurder persoonlijk betroffen, zoals de betaalbaarheid voor de huurder. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde 1] dus door de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid van [appellante] in een juridisch minder gunstige positie geplaatst, waarmee op zichzelf beschouwd het in artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen bedoelde evenwicht aanzienlijk is verstoord.
6.26.
De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing overwogen dat een opslagbeding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% niet oneerlijk hoeft te zijn als het gehanteerde percentage in redelijkheid nodig is om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het beding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) (zie 6.7 hierboven).
6.27.
Dat een opslag van 5% bovenop de CPI-indexering nodig is om die doelen te bereiken is door [appellante] wel gesteld, maar niet gebleken. [appellante] heeft volstaan met de niet-onderbouwde stelling dat zich in het (recente) verleden verschillende onvoorspelbare ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de lasten van verhuurders met aanmerkelijk meer dan de inflatie stegen (zoals de grote stijging van de bouwprijzen, de financiële gevolgen van de strenge eisen van de overheid ten aanzien van de verduurzaming en gestegen financiële lasten). Deze kale algemene stelling volstaat niet.
6.28.
[appellante] heeft nog gesteld dat zij in de praktijk behoedzaam en prudent omgaat met het opslagbeding. Dat is echter niet relevant voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding. De rechter moet het beding immers beoordelen uitgaande van het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Zoals hiervoor is overwogen, is niet van belang of en in hoeverre uitvoering aan het beding is gegeven.
Tussenconclusie
6.29.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het opslagbeding oneerlijk is: (i) het beding is niet transparant, (ii) het komt voor op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen en (iii) het verstoort, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [geïntimeerde 1] aanzienlijk. Een jaarlijkse huurstijging met dit opslagpercentage bovenop de CPI-indexering blijft niet binnen aanvaardbare grenzen. De aard van de overeenkomst en overige (door [appellante] aangevoerde) aspecten maken dit oordeel niet anders. Het hof licht dat hierna toe.
De aard van de overeenkomst maakt de beoordeling niet anders (iv)
6.30.
[appellante] heeft erop gewezen dat de rechtspraak inzake de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen is gebaseerd op rechtspraak van het HvJEU over andere typen contracten, zoals energiecontracten, financiële producten en telecomcontracten. Bij dergelijke typen contracten is er meer contractsvrijheid, waardoor consumenten ook meer behoefte hebben aan bescherming. Huurders van woonruimte kennen echter al een uitgebreide wettelijke bescherming en hebben de consumentenbescherming dus niet nodig. Anders dan bij de hiervoor genoemde contractsoorten, kan een verhuurder wegens de wettelijke opzegbescherming voor de huurder geen einde maken aan de huurovereenkomst. Door de rechtspraak inzake andersoortige overeenkomsten simpelweg te kopiëren op huurcontracten, worden huurders onevenredig bevoordeeld en zijn de gevolgen voor verhuurders disproportioneel, aldus [appellante] .
6.31.
Dit betoog van [appellante] slaagt niet. Juist is dat de verhuurder de huurovereenkomst, buiten de in de wet geregelde gronden, niet kan beëindigen, maar ook de huurder kan dat in de praktijk meestal niet, omdat niet aannemelijk is dat in de huidige woningmarkt vergelijkbare woonruimte voor een vergelijkbare huurprijs beschikbaar is, nog daargelaten dat gelet op de vaak gedurende vele levensfasen opgebouwde band van een huurder met zijn woning en ook gelet op de kosten die verhuizing met zich brengt aannemelijk is dat een dergelijke verhuizing voor een huurder zeer nadelig is. Dat maakt dat consumentenbescherming bij huurovereenkomsten juist meer noodzakelijk is dan bij andersoortige contracten waarbij, zoals [appellante] ook stelt, de consument juist eenvoudiger kan opzeggen of overstappen en er meerdere alternatieven zijn. Dat de huurder beschermd wordt door de Nederlandse huurwetgeving klopt, maar die bescherming betreft vooral de (on)mogelijkheid tot beëindiging van de huur en, in gevallen van geliberaliseerde woonruimte zoals in dit geval aan de orde is, veel minder de huurprijs. Huurprijsbescherming bij geliberaliseerde huur is immers pas sinds 1 mei 2021 ingevoerd in Nederland, en vooralsnog slechts als een (inmiddels verlengde) tijdelijke maatregel tot 1 mei 2029. De stelling van [appellante] dat verhuurders slechts in beperkte gevallen kunnen opzeggen zodat verhuurders pas na opzegging door de huurder de huurprijs kunnen aanpassen, maakt een en ander niet anders. Uiteraard kan het buiten toepassing laten van een opslagbeding financiële gevolgen hebben voor verhuurders. Maar naar de toekomst toe kunnen zij rekening houden met de verplichtingen die nu eenmaal voortvloeien uit de betreffende regelgeving. In de tegengestelde situatie, dus waar een opslagbeding van toepassing zou blijven, geldt dat een huurder niet, of slechts in zeer beperkte mate, kan optreden tegen de door de verhuurder conform het opslagbeding verhoogde huurprijs.
Overige omstandigheden doen aan oneerlijkheid niets af (v)
Invloed Wet op het overleg huurders verhuurder
6.32.
[appellante] heeft verder betoogd dat het evenwicht tussen partijen niet wordt verstoord omdat de belangen van de huurders op grond van de Wet overleg huurders verhuurder (WOHV) behartigd worden door de onafhankelijke huurdersorganisatie Alert. Alert heeft recht op informatie van, overleg met en advies aan [appellante] ten aanzien van de (wijziging van de) huurvoorwaarden van [appellante] . De onderhavige algemene voorwaarden, waaronder het opslagbeding, zijn ook aan Alert voorgelegd en met haar besproken, en zijn door Alert onvoorwaardelijk aanvaard. Bovendien wordt jaarlijks overleg gevoerd over de dat jaar toe te passen huurprijsaanpassing. Als [appellante] wil afwijken van het advies van Alert, zal zij dat schriftelijk en gemotiveerd moeten doen. Gelet hierop legt [appellante] niet eenzijdig voorwaarden op en heeft de huurder in zekere zin invloed op de voorwaarden en de uitwerking daarvan, aldus [appellante] .
6.33.
Het gaat in deze zaak om toetsing van het beding uit de huurovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] Bij de toetsing van het beding moet worden uitgegaan van het moment van contractsluiting. [geïntimeerde 1] zelf hebben niet over het beding onderhandeld. Dat Alert dat destijds namens hen heeft gedaan, blijkt niet uit het beding. Hierin staat immers enkel dat de verhuurder zelf bepaalt dat en hoe de jaarlijkse huurprijsaanpassing plaatsvindt. Bovendien bestaat er voor [appellante] geen verplichting om een huurdersvereniging in stand te houden. Dat [appellante] jaarlijks met Alert overlegt over de toe te passen huurprijsaanpassing ziet op de vraag hoe in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan het beding. Dat is, zoals hiervoor al is overwogen, niet relevant voor de vraag of het beding oneerlijk is.
6.34.
Het betoog van [appellante] over de WOHV kan er dus niet aan afdoen dat het beding oneerlijk is.
6.35.
Dat [appellante] als woningcorporatie gebonden is aan de ‘huursombenadering’ (artikel 54 Woningwet Pro), zoals zij ook heeft betoogd, kan [appellante] evenmin baten. In dat artikel is, kort gezegd, bepaald dat de gemiddelde huurprijs van woningen van een toegelaten instelling op 1 januari van een gegeven jaar (slechts) met een bij ministeriële regeling bepaald percentage mag stijgen ten opzichte van de huurprijs op 1 januari van het jaar ervoor. Het gaat hierbij dus om de
gemiddeldehuurprijs. Hieruit kan niet worden afgeleid wat het huurverhogingspercentage voor een specifieke woning is of zal zijn, waardoor ook niet duidelijk is in hoeverre de individuele huurder hierdoor wordt beschermd. Bovendien wordt gelet op artikel 54 lid 2 van Pro de Woningwet bij de berekening van de hiervoor bedoelde gemiddelde huurprijs geen rekening gehouden met huurovereenkomsten met een geliberaliseerde huurprijs.
Aanvangshuurprijs onder marktniveau
6.36.
[appellante] heeft aangevoerd dat het beding niet oneerlijk is, omdat de aanvangshuurprijs destijds onder de geldende markthuurwaarde lag. Dat is bij vrijesectorwoningen haar vaste beleid.
6.37.
Dat [appellante] de woning onder de markthuurwaarde heeft verhuurd, heeft zij niet onderbouwd. Gesteld noch gebleken is bovendien dat de aanvangshuurprijs onderwerp van onderhandeling tussen partijen is geweest. Niet valt dus in te zien waarom deze stelling van [appellante] tot het oordeel zou moeten leiden dat het beding niet oneerlijk is. Het beding biedt [appellante] immers de mogelijkheid om de huur al na betrekkelijk korte tijd zodanig te verhogen dat de huurprijs boven de markthuurwaarde komt te liggen.
[geïntimeerde 1] hebben een eenzijdig recht op huurverlaging
6.38.
[appellante] heeft er verder op gewezen dat [geïntimeerde 1] op grond van artikel 4.7 van de algemene voorwaarden eenzijdig de huurprijs konden doen verlagen, indien en voor zover deze hoger zou zijn dan de markthuurwaarde. Hiermee hadden zij het in hun macht ervoor te zorgen dat zij nooit teveel zouden betalen, aldus [appellante] .
6.39.
Artikelen 4.7 en 4.8 van de algemene voorwaarden luiden als volgt:
4.7
Marktconforme huurprijs
Zowel de huurder als de verhuurder is bevoegd om telkens wanneer vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de laatste door partijen overeengekomen of de door de kantonrechter vastgestelde aanpassing van de huurprijs aan de markthuurprijs is ingegaan, bij de eerstvolgende huurprijsaanpassingsdatum (1 juli) (…) herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs.
4.8
Indien huurder of verhuurder op grond van lid 7 aanpassing van de huurprijs voorstelt in verband met de ontwikkelingen in de markt en van deze bevoegdheid gebruik wil maken, stelt hij de andere partij daarvan schriftelijk in kennis uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de herziene huurprijs moet ingaan. Wanneer partijen binnen drie maanden na ontvangst van deze kennisgeving niet tot overeenstemming zijn gekomen, heeft ieder der partijen het recht om de huurovereenkomst op te zeggen met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in de wet en de huurovereenkomst.
6.40.
[appellante] gaat met haar betoog voorbij aan het uitgangspunt dat het op haar weg ligt, als verhuurder, geen oneerlijke huurprijswijzigingsbedingen te hanteren in overeenkomsten met een consumenthuurder, en dus de huurprijs niet op een onredelijke manier te verhogen. Het is niet aan de huurder om zich inspanningen te moeten getroosten om de huurprijs op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Op grond van het desbetreffende beding konden [geïntimeerde 1] bovendien slechts na (steeds) vijf jaren een aanpassings
voorsteldoen. Daarmee is nog niet gezegd dat dit ook daadwerkelijk tot een verlaging van de huurprijs zou leiden. Een en ander nog daargelaten dat het kennelijk op de weg van [geïntimeerde 1] zou liggen om aan te tonen dat de huur in een gegeven jaar hoger ligt dan de markthuurwaarde. Dit beding doet dus aan de oneerlijkheid van het opslagbeding niet af.
Bijzondere positie woningcorporatie als toegelaten instelling
6.41.
[appellante] heeft ook gewezen op haar bijzondere positie als woningcorporatie, die, anders dan commerciële verhuurders, ook publieke taken heeft. Deze taken zijn bovendien wettelijk verankerd in de Woningwet. Veel van die taken leiden tot extra exploitatielasten, waardoor er behoefte is aan een redelijke bandbreedte bij de vaststelling van de jaarlijkse huurverhoging.
6.42.
Aedes en verschillende woningcorporaties hebben dit ook aangevoerd in de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. Plaatsvervangend procureur-generaal Wissink zag hierin onvoldoende basis om bij de beoordeling van het opslagbeding a priori een onderscheid te maken tussen corporaties, institutionele verhuurders en overige verhuurders. [12] De Hoge Raad heeft zich hierover niet uitgelaten in de prejudiciële beslissing. Ook het hof ziet geen aanleiding om bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het opslagbeding een dergelijk onderscheid te maken. Een en ander gelet op het volgende.
6.43.
Ook [appellante] , als woningcorporatie, heeft te gelden als handelaar in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daarbij komt dat [appellante] weliswaar een woningcorporatie is, maar dat zij de onderhavige woning niet verhuurt in de uitoefening van de hiermee gepaard gaande publieke taken. Het gaat hier immers om een vrijesectorwoning, niet om een sociale huurwoning.
6.44.
Een opslagbeding kan volgens de Hoge Raad noodzakelijk zijn voor het compenseren van de ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft [appellante] in het geheel niet onderbouwd waarom het voor het bereiken van deze doelen noodzakelijk is om een opslagbeding van 5% te hanteren. Met de hiervoor aangehaalde (blote) stellingen heeft [appellante] dat nog altijd niet toegelicht.
Ontwrichtende rechtspraak en onevenredige sanctie
6.45.
[appellante] heeft verder betoogd dat de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen zoals die sinds 2023 plaatsvindt, maatschappij-ontwrichtende gevolgen heeft. Huurders kunnen, in geval van een oneerlijk geacht beding, een flink onverwacht financieel voordeel en een lagere huurprijs in de wacht slepen en zullen niet snel meer geneigd zijn te vertrekken uit hun huurwoning. Dit heeft onvoorstelbaar grote gevolgen voor de financiële positie van verhuurders en uiteindelijk ook voor het woningbouwbeleid en de pensioenen van veel mensen. De kantonrechter heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden, aldus [appellante] .
6.46.
Indien en voor zover [appellante] hiermee wil betogen dat het beding niet oneerlijk is omdat de vernietiging ervan onevenredig grote gevolgen heeft, kan dat betoog niet slagen. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de gevolgen van vernietiging immers geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het beding al dan niet oneerlijk is. Bij de toetsing van het beding moet worden uitgegaan van het moment van contractsluiting.
6.47.
Het hof realiseert zich overigens dat de vernietiging van een oneerlijk bevonden beding potentieel verstrekkende gevolgen heeft. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel over de oneerlijkheid en betekent evenmin dat vernietiging van het beding of zelfs de ambtshalve toetsing in zijn geheel achterwege moet blijven. Zoals hiervoor ook is overwogen (zie 6.2 tot en met 6.4), is de rechter tot dit laatste nu eenmaal verplicht. Als een beding oneerlijk is bevonden, moet de rechter dit volgens vaste rechtspraak van het HvJEU buiten toepassing laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument. Het doel van de Richtlijn oneerlijke bedingen is dat gebruikers van algemene voorwaarden daarin geen oneerlijke bedingen opnemen. Naar het oordeel van het HvJEU kan dat doel alleen worden bereikt met deze sanctie, omdat die maakt dat verhuurders worden gestimuleerd dergelijke bedingen niet (langer) te hanteren.
Strijd met het (grond)recht op eigendom
6.48.
Het buiten toepassing verklaren van het opslagbeding leidt volgens [appellante] tot strijd met het grondrecht op een ongestoord genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Hoge Raad heeft in het verleden weliswaar geoordeeld dat wettelijke huurprijsregulering in Nederland in algemene zin niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM, maar heeft zich niet uitgelaten over de situatie dat als gevolg van niet voorziene, gewijzigde regelgeving of rechtspraak een verhuurder zijn (rendements)doelen niet meer kan behalen en zijn belangen daardoor disproportioneel worden geschaad. De volledige vernietiging van de huurprijswijzigingsbedingen zou ertoe leiden dat [appellante] in het geheel geen huurverhogingen meer kan toepassen. Daarmee wordt een niet-gerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht, aldus [appellante] .
6.49.
Het hof volgt [appellante] hierin niet. Vooropgesteld wordt dat, zoals [appellante] zelf ook aangeeft, de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Nederlandse huurprijsregulering niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM. [13] Dat systeem staat huurverhogingen immers toe, ook in de geliberaliseerde sector.
De Richtlijn oneerlijke bedingen ziet niet op eigendomsrechten, maar op oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden. Deze richtlijn maakt dus geen (directe) inbreuk op het eigendomsrecht van [appellante] . Overigens is in dit verband niet artikel 1 EP Pro EVRM van toepassing, maar artikel 17 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), dat volgens de toelichting bij het Handvest overeenstemt met artikel 1 EP Pro EVRM. Op grond van artikel 51 van Pro het Handvest zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Aldus dient de nationale rechter bij de toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen rekening te houden met artikel 17 van Pro het Handvest, evenals met artikel 7 van Pro het Handvest, dat de eerbiediging van de woning waarborgt. Wat betreft het eigendomsrecht wijst het hof er verder op dat deze toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen het jaarlijks verhogen van de huur niet onmogelijk maakt, indien de bedingen op grond waarvan die huurverhoging plaatsvindt, niet oneerlijk zijn. Dat laatste is wat de rechter moet toetsen en sinds 2023 ook toetst. Als een verhuurder door de vernietiging van een oneerlijk bevonden beding geen huurverhogingen meer kan doorvoeren, is dat niet het gevolg van ‘gewijzigde spelregels tijdens het spel’, zoals [appellante] heeft aangevoerd, maar is dat de sanctie die volgt uit de Richtlijn oneerlijke bedingen.
6.50.
Als de toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen al tot een inbreuk op het eigendomsrecht van [appellante] zou leiden - wat niet het geval is -, dan is deze inbreuk gerechtvaardigd. De vernietiging van het opslagbeding vindt haar basis in de Richtlijn oneerlijke bedingen. Deze sanctie wordt opgelegd ter bescherming van de consumenthuurder en is in het algemeen belang, omdat deze huurder, als de zwakkere partij in haar relatie met de verhuurder, niet geconfronteerd moet worden met oneerlijke bedingen. Dat doel kan naar het oordeel van het HvJEU alleen worden bereikt met deze sanctie, omdat die maakt dat verhuurders worden gestimuleerd dergelijke bedingen niet (langer) te hanteren. En zoals hiervoor is overwogen, is het nog steeds mogelijk voor [appellante] om de huur jaarlijks te verhogen; hiervoor kan zij in ieder geval gebruik maken van het CPI-indexatiebeding. Verder is niet uitgesloten dat ook een opslagbeding kan worden opgenomen in huurovereenkomsten. Daarbij zal [appellante] wel duidelijk moeten kunnen uitleggen waarom een dergelijk beding überhaupt nodig is en hoe het in de praktijk zal worden toegepast. Het beding mag dan bovendien ook anderszins niet oneerlijk zijn, bijvoorbeeld omdat de betaalbaarheid van de huur in het geding is.
Dat [appellante] met alleen het CPI-indexatiebeding geen redelijk rendement kan behalen en zelfs verlieslatend wordt, is wel gesteld, maar niet onderbouwd. Bovendien volgt uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2018 dat artikel 1 EP Pro EVRM (dat overeenstemt met artikel 17 van Pro het Handvest) een verhuurder van woonruimte niet steeds of in beginsel een
decent profitof zelfs
minimal profitgarandeert. [14]
De redelijkheid en billijkheid
6.51.
Voor het geval de Richtlijn oneerlijke bedingen onverkort wordt toegepast, betoogt [appellante] dat vernietiging of het buiten toepassing laten van de huurprijswijzigingsbedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De gevolgen hiervan zijn disproportioneel en catastrofaal voor [appellante] , en bovendien extreem schadelijk voor het algemeen belang. Sanctionering moet daarom achterwege blijven, aldus [appellante] .
6.52.
Een krachtens de wet geldende regel is alleen dan niet van toepassing als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:2 lid 2 BW Pro). Dat laatste betekent dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het buiten toepassing laten van een wettelijke regeling (in dit geval: artikel 6:231 e.v. BW en de Richtlijn oneerlijke bedingen). Uitgangspunt is dat oneerlijke bedingen worden vernietigd opdat de gebruikers ervan worden aangespoord om deze uit hun voorwaarden te halen. Het ligt voor de hand dat vernietiging van het opslagbeding negatief uitpakt voor [appellante] . Dat de gevolgen (in dit ene geval) catastrofaal en schadelijk zullen zijn voor het algemeen belang, heeft [appellante] echter niet geconcretiseerd. Zoals [appellante] zelf heeft gesteld heeft zij zeer spaarzaam gebruik gemaakt van de opslagruimte. Zij kan bovendien gebruik maken van het CPI-indexatiebeding.
6.53.
Ook het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gaat dus niet op.
Verjaring
6.54.
Voor het geval het beding oneerlijk wordt bevonden, heeft [appellante] subsidiair verzocht om vast te stellen dat een eventuele vordering van [geïntimeerde 1] ter zake van teveel betaalde huur is verjaard.
6.55.
[geïntimeerde 1] hebben in hoger beroep verstek laten gaan. Zij hebben dus geen vordering ingesteld tot terugbetaling van teveel betaalde huur. Ook in eerste aanleg hebben [geïntimeerde 1] een dergelijke vordering niet ingesteld. [appellante] heeft dus geen belang bij haar verzoek, als gevolg waarvan dit niet toewijsbaar is.
Geen ambtshalve verrekening
6.56.
[appellante] heeft tot slot nog verzocht om toepassing te geven aan het oordeel van de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing dat de rechter de vordering van de verhuurder tot betaling van de huurachterstand niet mag verrekenen met een eventuele tegenvordering van de huurder die het gevolg is van het buiten toepassing laten van een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding. Het hof zal met inachtneming hiervan beslissen op de vordering.
Tussenconclusie
6.57.
Het opslagbeding (artikel 4.3 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk en terecht door de kantonrechter vernietigd op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW.
6.58.
De vernietiging van het opslagbeding heeft tot gevolg dat alle huurverhogingen die gebaseerd zijn op dit beding, zijn komen te vervallen. Dit betekent dat [appellante] de huurprijs alleen mocht verhogen op grond van artikel 4.2 van de algemene voorwaarden. [appellante] zal in de gelegenheid worden gesteld om
bij aktede omvang van de huurachterstand te specificeren, uitgaande van de vernietiging van (alleen) het opslagbeding. Het hof zal de zaak daartoe naar de rol van 10 februari 2026 verwijzen. [appellante] dient zich in haar akte tot dit onderwerp te beperken.
Het incassokostenbeding
6.59.
[appellante] betoogt met haar vijfde grief dat het incassokostenbeding niet oneerlijk is en dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom toewijsbaar zijn. Deze grief slaagt gelet op het navolgende.
6.60.
Artikel 17.2 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
Als huurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle (…) daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
6.61.
Artikel 17.3 van de algemene voorwaarden luidt:
Als het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de verkrijging buiten rechte daarvan kosten moeten worden gemaakt, dan zullen deze kosten worden bepaald conform de geldende algemene maatregel van bestuur. De kosten zijn verschuldigd nadat de huurder, na het intreden van het verzuim, vruchteloos is aangemaand tot betaling van de geldsom binnen een termijn van veertien dagen. (…)
6.62.
Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat artikel 17.2 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk is. Immers, dit beding moet worden gelezen in samenhang met artikel 17.3, dat hiervan een uitwerking vormt in het geval het tekortschieten bestaat uit de niet-tijdige betaling van de huur. Een dergelijk tekortschieten is in deze zaak aan de orde. Artikel 17.3 verwijst naar de geldende algemene maatregel van bestuur (het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten), waarmee het beding in feite betekenisloos is; ook zonder het beding zou deze regeling gelden. De kantonrechter heeft het incassokostenbeding dus ten onrechte vernietigd. Nadat [appellante] zich in de hiervoor onder 6.58 bedoelde akte heeft uitgelaten over de omvang van de huurachterstand, zal het hof de omvang van de verschuldigde buitengerechtelijke kosten vaststellen.
Het proceskostenbeding
6.63.
Hoewel [appellante] niet heeft gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter over de proceskosten, moet het hof niettemin ambtshalve de oneerlijkheid onderzoeken van het proceskostenbeding (artikel 17.2 van de algemene voorwaarden). [15] [geïntimeerde 1] zijn in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld. Omdat zij gelet op het voorgaande ook in hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk worden gesteld, zouden [geïntimeerde 1] in beginsel ook worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
6.64.
In zijn prejudiciële beslissing van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) heeft de Hoge Raad - in antwoord op door de kantonrechter in de rechtbank [stad] gestelde prejudiciële vragen - geoordeeld dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper (zoals een verhuurder) en een consument (in die zaak de huurder) dat ertoe strekt dat de consument die tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen alle gerechtelijke kosten van zijn wederpartij moet betalen, in het algemeen moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding (rov. 3.1.6). Verder heeft de Hoge Raad het voornemen geuit om het HvJEU de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Moeten de art. 6 lid Pro 1, 7 lid 1 en 8ter van Richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?(rov. 3.2.6). Bij prejudiciële beslissing van 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) heeft de Hoge Raad deze vraag daadwerkelijk aan het HvJEU gesteld.
6.65.
In lijn hiermee is het hof voornemens het onderhavige proceskostenbeding,
dat vergelijkbaar is met het aan de Hoge Raad voorgelegde beding, te vernietigen omdat dit oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het proceskostenbeding tast immers de positie aan waarin [geïntimeerde 1] zonder dat beding verkeren, doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in de proceskostenveroordeling van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), terwijl niet gezegd kan worden dat [appellante] redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat [geïntimeerde 1] een dergelijk beding zouden aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld. De ambtshalve matigingsbevoegdheid van artikel 242 lid 1 Rv Pro doet hieraan niet af, omdat het in aanmerking nemen daarvan strijdig is met het uitgangspunt dat de nationale rechter zonder meer verplicht is oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten en dit beding niet kan herzien en dat het beding bovendien ook effect kan sorteren buiten het kader van een gerechtelijke procedure (rov. 3.1.4 en 3.1.5 van beide voormelde beslissingen van de Hoge Raad).
6.66.
Wat het gevolg is van een eventuele vernietiging van het proceskostenbeding, is gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde prejudiciële vraag nog niet duidelijk. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen zich schriftelijk uit te laten over het voornemen om het proceskostenbeding te vernietigen en over de gevolgen van die vernietiging nadat het HvJEU de hiervoor bedoelde prejudiciële vraag heeft beantwoord.
De subsidiaire vordering tot wijziging van de huurovereenkomst
6.67.
[appellante] heeft subsidiair gevorderd de huurovereenkomst te wijzigen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze eiswijziging is niet toewijsbaar. Immers, op grond van vaste rechtspraak van het HvJEU kan geen aanspraak worden gemaakt op een wettelijke bepaling van aanvullend recht die van toepassing zou zijn geweest als een vernietigd beding niet in de overeenkomst stond. [16]
Slotsom, bewijsaanbod
6.68.
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 10 februari 2026 voor het nemen van een akte zoals bedoeld in 6.58. Daarna zal het hof een deelarrest wijzen over de huurachterstand en de incassokosten, waarin de zaak met betrekking tot de proceskosten naar een roldatum over een jaar zal worden verwezen. Als het antwoord op de prejudiciële vraag later of eerder komt, kan [appellante] om uitstel vragen respectievelijk de roldatum vervroegen. In de tussentijd houdt het hof iedere verdere beslissing aan.
6.69.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellante] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de
rol van dinsdag 10 februari 2026zodat [appellante] zich bij akte kan uitlaten over wat hiervoor in 6.58 is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, J.E. van der Werff en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.HvJEU 4 juni 2009, zaak C-243/08, ECLI:EU:C:2009:350 (Pannon).
2.HvJEU 25 november 2020, zaak C-269/19, ECLI:EU:C:2020:954 (
3.HvJEU 28 juli 2016, zaak C-168/15, ECLI:EU:C:2016:602 (
4.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780.
5.Onder meer HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (
6.HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14
7.HvJEU 27 januari 2021, zaken C-229/19 en C-289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia), punt 55.
8.C. Leone, ‘It’s the rendement, stupid’, MvV 2025, nr. 2.
9.HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (
10.Zie ook hof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1983, r.o. 4.26.
11.Onder meer HvJEU 14 maart 2013, zaak C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (Aziz/Catalunyacaixa), punt 68, en HvJEU 16 januari 2014, zaak C-226/12, ECLI:EU:C:2014:10 (Constructora Principado/Menéndez Alvarez), punten 22 en 23. Zie ook HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, rov. 3.8.2.
12.ECLI:NL:PHR:2024:771, punten 7.71.1 tot en met 7.71.3.
13.HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:109.
14.HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:109, punt 3.6.3.
15.HvJEU 8 december 2022, zaak C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (
16.HvJEU 27 januari 2021, zaken C-229/19 en C-289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia), punt 67.