Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
1 augustus 2023 reeds oneerlijk zijn bevonden en daarom ambtshalve worden vernietigd. Omdat gevolg van de oneerlijkheid is dat de bedingen volledig buiten toepassing moeten worden gelaten en niet kan worden teruggevallen op aanvullend recht, zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. Ten aanzien van artikel 4.3 is geoordeeld dat dit beding in het tussenvonnis van 12 september 2023 vernietigd is, dat de jaarlijkse huurverhogingen in beginsel niet toewijsbaar zijn (op een huurverhoging van € 1,20 na waarmee [geïntimeerde 1] hebben ingestemd) en dat bij de berekening van de huurachterstand moet worden uitgegaan van de aanvangshuurprijs plus € 1,20. Onder 11 en 12 van het bestreden eindvonnis is een betalingsregeling opgenomen die partijen hebben getroffen voor de huurachterstand - die per 31 oktober 2023 € 3.379,03 bedroeg - en de proceskosten. De kantonrechter heeft [geïntimeerde 1] hoofdelijk veroordeeld om de bedragen van die regeling te voldoen op de wijze als overeengekomen. Voorwaardelijk, voor het geval [geïntimeerde 1] niet aan die veroordeling voldoen, heeft de kantonrechter de ontbinding en ontruiming uitgesproken alsmede [geïntimeerde 1] hoofdelijk veroordeeld aan [appellante] het restant van de huurachterstand te betalen en maandelijks vanaf 1 november 2023 tot aan de ontruiming een bedrag gelijk aan de aanvangshuurprijs, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
- ook ambtshalve - verplicht te toetsen of aan de vordering bedingen ten grondslag (kunnen) liggen die oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [1] Als de rechter tot de conclusie komt dat bedingen oneerlijk zijn, dan moet hij deze op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen buiten toepassing laten. [2] Als de rechter nalaat ambtshalve te toetsen, kan de Staat aansprakelijk worden gehouden. [3] Dat vóór 2023 in huurzaken nog geen ambtshalve toetsing plaatsvond, betekent niet dat die toetsing nu niet meer zou kunnen en moeten plaatsvinden.
maximaal 3%naast een op de CPI gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de prejudiciële beslissing). [4] De Hoge Raad oordeelde onder meer:
- dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst;
- dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
- dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW Pro;
- dat de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt, die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen;
- dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening; en
- dat de rechter bij een vordering tot ontbinding en ontruiming wegens een tekortkoming in de huurbetalingsverplichting van de huurder ambtshalve moet onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt op grond van de tenzij-clausule.
reëleen niet slechts formele opzeggingsmogelijkheid moet zijn. [9] Ook aan dit vereiste is niet voldaan. Immers, hoewel de huurder formeel gezien de huurovereenkomst kan opzeggen, zal deze daar - zoals ook de Hoge Raad overweegt in (rov. 3.2.8 van) de prejudiciële beslissing - niet snel gebruik van (kunnen) maken, zeker niet in tijden van krapte op de woningmarkt. [10]
gemiddeldehuurprijs. Hieruit kan niet worden afgeleid wat het huurverhogingspercentage voor een specifieke woning is of zal zijn, waardoor ook niet duidelijk is in hoeverre de individuele huurder hierdoor wordt beschermd. Bovendien wordt gelet op artikel 54 lid 2 van Pro de Woningwet bij de berekening van de hiervoor bedoelde gemiddelde huurprijs geen rekening gehouden met huurovereenkomsten met een geliberaliseerde huurprijs.
voorsteldoen. Daarmee is nog niet gezegd dat dit ook daadwerkelijk tot een verlaging van de huurprijs zou leiden. Een en ander nog daargelaten dat het kennelijk op de weg van [geïntimeerde 1] zou liggen om aan te tonen dat de huur in een gegeven jaar hoger ligt dan de markthuurwaarde. Dit beding doet dus aan de oneerlijkheid van het opslagbeding niet af.
decent profitof zelfs
minimal profitgarandeert. [14]
bij aktede omvang van de huurachterstand te specificeren, uitgaande van de vernietiging van (alleen) het opslagbeding. Het hof zal de zaak daartoe naar de rol van 10 februari 2026 verwijzen. [appellante] dient zich in haar akte tot dit onderwerp te beperken.
Moeten de art. 6 lid Pro 1, 7 lid 1 en 8ter van Richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?(rov. 3.2.6). Bij prejudiciële beslissing van 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) heeft de Hoge Raad deze vraag daadwerkelijk aan het HvJEU gesteld.
7.Beslissing
rol van dinsdag 10 februari 2026zodat [appellante] zich bij akte kan uitlaten over wat hiervoor in 6.58 is overwogen;