Belanghebbende heeft BPM betaald over een ingevoerde gebruikte Audi A6, waarna bezwaar en beroep zijn ingesteld tegen de hoogte van de BPM-heffing. De Rechtbank stelde de BPM vast op €4.689 en kende rente en immateriële schadevergoeding toe. In hoger beroep is de BPM verder verminderd tot €4.455, met een aanvullende teruggaaf van €234.
Het Hof bevestigt dat bij de BPM-berekening een marge-auto als referentievoertuig mag worden gebruikt en dat de rentevergoeding conform de AWR moet worden berekend. Het beroep op een hogere rentevergoeding op grond van Unierecht wordt verworpen. Tevens wordt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gehandhaafd, waarbij de Staat en de Inspecteur ieder €500 moeten betalen met rente.
De proceskostenvergoeding wordt gematigd vanwege de massaliteit van soortgelijke zaken, waarbij voor de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase een totaal van €495,85 wordt toegekend. De Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank op andere punten bevestigd.