Belanghebbende ontving in 2015 twee schenkingen van zijn moeder, die binnen 180 dagen na de laatste schenking overleed. De Inspecteur legde daarop een erfbelastingaanslag op waarbij een evenredig deel van de betaalde schenkbelasting in mindering werd gebracht. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze berekening en stelde dat de volledige schenkbelasting in mindering moest komen.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond maar stelde wel dat de hoorplicht was geschonden, waardoor de Inspecteur proceskosten moest vergoeden. Belanghebbende en de Inspecteur gingen in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden omdat het hoorgesprek niet tijdig was aangekondigd, maar dat dit verzuim niet tot benadeling had geleid.
Het geschil over de berekening van de vermindering van de erfbelasting werd door het Hof anders beoordeeld dan door de Rechtbank. Het Hof stelde dat de volledige schenkbelasting die betrekking heeft op de schenking binnen 180 dagen in mindering moet komen op de erfbelasting, en niet slechts een evenredig deel. Hierdoor werd de aanslag verminderd van € 2.051 tot € 1.018. De beschikking belastingrente werd dienovereenkomstig aangepast.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten van belanghebbende. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ongegrond. De uitspraak werd openbaar gedaan op 8 januari 2019.