ECLI:NL:GHARL:2021:11761

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
22 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.283.056/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over volledige toekenning proceskostenvergoeding bij gedeeltelijk gelijk

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een bestuurlijke strafzaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had de proceskostenvergoeding met een kwart verminderd omdat de betrokkene slechts gedeeltelijk in het gelijk was gesteld.

Het hof oordeelt dat deze vermindering onterecht is, verwijzend naar een eerder arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) waarin is bepaald dat een proceskostenvergoeding moet worden toegekend indien en voor zover de betrokkene in het gelijk is gesteld, zonder automatische vermindering bij gedeeltelijk gelijk. Het hof vernietigt daarom het besluit van de kantonrechter voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.

Vervolgens kent het hof een volledige proceskostenvergoeding toe van € 1.335,50, gebaseerd op het aantal toegekende procespunten, de waarde per punt en de wegingsfactoren passend bij de aard van de zaak. Voor het overige bevestigt het hof de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot betaling van deze proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hof kent de volledige proceskostenvergoeding toe en vernietigt de vermindering door de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.056/01
CJIB-nummer
: 226523984
Uitspraak d.d.
: 22 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard, die beschikking gewijzigd in die zin dat de omschrijving van de gedraging en de bijbehorende feitcode worden vastgesteld op “als bestuurder van een motorrijtuig niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad” feitcode R315b met bijbehorend sanctiebedrag van € 95,- en het beroep tegen de inleidende beschikking voor het overige ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 787,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, richt zich uitsluitend tegen de door de kantonrechter vastgestelde proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft overwogen dat - nu de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk is gesteld - de proceskostenvergoeding met een kwart moet worden verminderd. Een proceskostenvergoeding moet evenwel worden toegekend indien en voor zover de betrokkene in het gelijk is gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336. De kantonrechter heeft volgens de gemachtigde miskend dat uit dat arrest niet blijkt dat de proceskostenvergoeding met een kwart moet worden verminderd als de betrokkene slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.
2. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en die beschikking gewijzigd als hierboven vermeld. Omdat de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, is de proceskostenvergoeding met een kwart verminderd. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, de telefonische hoorzitting, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en de telefonische zitting bij de kantonrechter zijn in totaal vier procespunten toegekend. Gelet op de aard van de zaak is de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. De kantonrechter heeft aldus een proceskostenvergoeding toegekend van € 787,50 (= 4 x € 525,- x 0,5 x 0,75).
3. Gelet op hetgeen het hof in het arrest van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 heeft overwogen, heeft de kantonrechter de proceskostenvergoeding ten onrechte met een kwart verminderd. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen, voor zover een proceskostenvergoeding is toegewezen, en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk de onderstaande proceskostenvergoeding toewijzen (vgl. het arrest van het hof van
1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Voor het overige zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het via een telefonische verbinding bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen het hoger beroepschrift dienen in totaal vier procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu in hoger beroep het geschil slechts betrekking heeft op de hoogte van de proceskostenvergoeding wordt voor de vaststelling van de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast (vgl. voormeld arrest van het hof van 1 april 2021). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.335,50 (= 1,5 x € 534,- x 0,5 + 2 x
€ 748,- x 0,5 + 1 x € 748,- x 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.335,50
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.