De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een kantoorpand vast op €5.059.000 voor het jaar 2020, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging tegen de afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een vergoeding toe voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de afwijzing van het beroep over de WOZ-waarde, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde tegen de nevenbeslissingen over immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierecht. Het hof oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn terecht was vastgesteld en dat de vergoeding van immateriële schade conform het overzichtsarrest moest blijven op €1.000.
Het hof verwierp het betoog dat het procederen van de gemachtigde een bijzondere omstandigheid vormde die de termijn verlengde. Wel werd het proceskostenbedrag verlaagd van €379,50 naar €218,75, en werd het griffierecht niet vergoed omdat het beroep op zichzelf ongegrond was. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het ging om proceskosten en griffierecht en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot een lagere proceskostenvergoeding.