Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd na een onderzoek van de Inspecteur, waarbij de waarde van een gebruikte BMW X5 werd herzien. De rechtbank vernietigde deze aanslag en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten. Zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep.
Het Hof oordeelt dat de nationale rechters bevoegd zijn het Unierecht toe te passen en dat het Unierecht geen strijdigheid met de heffingswijze van BPM oplevert. De stelplicht en bewijslast voor waardevermindering wegens schade rusten op belanghebbende, die een motorschade van € 15.000 stelde. Het Hof stelt vast dat deze schade een essentieel gebrek vormt waardoor de auto niet wegverkeerbestendig is, zodat waardevermindering niet in aanmerking kan worden genomen volgens de Uitvoeringsregeling BPM.
Verder oordeelt het Hof dat het vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht zolang dit geen onoverkomelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Belanghebbende heeft griffierecht betaald zonder beroep op betalingsonmacht, zodat geen ondoeltreffendheid is. De forfaitaire regeling voor proceskostenvergoeding voldoet aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, dat van de Inspecteur gegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd behalve de vergoedingsbeslissingen.