Belanghebbende is eigenaar van een kinderdagverblijf en betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van het pand, met name de technische correctie op de vervangingswaarde, waaronder de restwaarde en levensduur van het hoofdgebouw. De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep staat de juiste berekening van de restwaarde centraal, waarbij het Hof oordeelt dat de door de heffingsambtenaar gebruikte methode, gebaseerd op de Taxatiewijzer en markttransacties exclusief omzetbelasting, correct is. De door belanghebbende voorgestane berekening inclusief omzetbelasting wordt verworpen wegens onjuiste toepassing en risico van dubbeltelling. Ook wordt de verlenging van de levensduur van de installaties naar 23 jaar door de heffingsambtenaar als aannemelijk en juist beoordeeld.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn volgt het Hof de rechtbank niet en verhoogt de vergoeding van € 50 naar € 500, conform recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten, waarbij het proceskostenbedrag wordt gematigd vanwege gedeeltelijk gelijk.
Het Hof vernietigt het deel van de rechtbankuitspraak over de immateriële schadevergoeding en wijst het hoger beroep in zoverre toe, bevestigt de WOZ-waarde en de technische correcties, en legt de financiële gevolgen voor de Staat vast.