Voetnoten
2.De Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht is bedrijfsvoeringsorganisatie in de zin van art. 8(3) Wet gemeenschappelijke regelingen. Zie art. 3(1) van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020.
3.Motivering beroepschrift in cassatie, onder Middel 1.
4.Rechtbank Midden-Nederland 13 augustus 2021, nr. Awb 20/1206.
6.Hogerberoepsrchrift blz. 2.
7.Hogerberoepschrift, blz. 2.
8.Hogerberoepschrift blz. 2 en 3.
9.Verweerschrift in cassatie, blz. 1.
10.Vgl. t.a.v. de in art. 17(2) Wet WOZ bedoelde waarde in het economische verkeer HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610. 11.Staatscourant 1994, 252, blz. 29.
12.Voetnoot in citaat: Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2015, 14/01107, ECLI:NL:RBGEL:2014:5683, Belastingblad 2015/428 (Arnhem). 13.Voetnoot in citaat: Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2013, 12/00012 LEE, ECLI:NL:GHARL:2013:7343, Belastingblad 2013/459, met aantekening van Van der Burg (Lelystad). 14.Voetnoot in citaat: HR 29 januari 2021, 20/00654, ECLI:NL:HR:2021:138 (Belastingen Bollenstreek). 15.Voetnoot in citaat: . Rb. Amsterdam 9 mei 2015, 13/4223, ECLI:NL:RBAMS:2014:7354 (Amsterdam). Het hof volgt de rechtbank over dit onderwerp. Hof Amsterdam 26 november 2015, 14/00421, ECLI:NL:GHAMS:2015:5017, Belastingblad 2016/27 (Amsterdam). In cassatie is uitsluitend geprocedeerd over de werktuigenuitzondering. Derhalve heeft de Hoge Raad niets gesteld over het oordeel van het Hof over de technische veroudering. Echter, men kan aannemen dat de Hoge Raad het hierover met het Hof eens is, anders had de Hoge Raad zelf dit onderwerp zelf gecasseerd. HR 30 september 2016, 16/00042, ECLI:NL:HR:2016:2198, Belastingblad 2016/459, BNB 2017/4, met aantekening van Bosma (Amsterdam). Zie ook Rb. Overijssel 4 april 2017, 16/ 651, ECLI:NL:RBOVE:2017:1500 (GBLT). Voor een uitgebreider overzicht van deze discussie verwijzen wij tevens naar de beschouwingen van Bervoets en Witkam in Belastingblad 2017/ 298 en 318. 16.Voetnoot in citaat: Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, 18/00369, ECLI:NL:GHARL:2019:5413 (Gemeentelijk belastingkantoor Munitax). Zie o.a. ook Rb. Oost-Brabant 2 juli 2019, 18/2819, ECLI:NL:RBOBR:2019:3908 (Belastingsamenwerking Oost-Brabant) en Hof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2018, 17/00802, ECLI:NL:GHARL:2018:2604, Belastingblad 2018/214, met aantekening van Geerse, V-N 2018/40.24 (Gemeentelijk Belastingkantoor Twente). 17.Voetnoot in citaat: Zie daarvoor Hof Amsterdam 5 januari 2001, 98/4510, ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410, Belastingblad 2001, p. 698, FED 2001/153 (Amsterdam). 18.Voetnoot in citaat: HR 31 januari 2020, 19/03803, ECLI:NL:HR:2020:169, Belastingblad 2020/122, met aantekening van Kapoerchan, V-N 2020/8.23, FED 2020/67, m.nt. Groenewegen, BNB 2020/72, m.nt. Bosma (Gemeentelijk belastingkantoor Munitax). Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2021, 19/ 01549, ECLI:NL:GHARL:2021:2190, Belastingblad 2021/162, V-N 2021/29.19 (Huizen). 19.Voetnoot in citaat: Hof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, 20/00125, ECLI:NL:GHSHE:2020:4097, Belastingblad 2021/126, met aantekening van Scherff, V-N 2021/18.1.7 (Gemeentelijk belastingkantoor Munitax). Zie ook Hof Amsterdam 4 mei 2021, 19/00612, ECLI:NL:GHAMS:2021:1257, Belastingblad 2021/238 en Hof ’s-Hertogenbosch 2 april 2020 19/00386, ECLI:NL:GHSHE:2020:1121, Belastingblad 2020/237, V-N 2020/38.20 (Belastingsamenwerking Oost-Brabant). Voor voorbeelden waarin de gemeente levensduurverlenging aannemelijk maakt: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2021, 20/00528, ECLI:NL:GHARL:2021:241, Belastingblad 2021/110, met aantekening van Kats, V-N 2021/20.23 (Belastingsamenwerking Rivierenland), Rb. Rotterdam 8 juni 2021, ROT 20/975, ECLI:NL:RBROT:2021:5157, Belastingblad 2021/282 met aantekening van Scherff (Nissewaard) en Rb. Den Haag 13 april 2021, SGR 20/1432 en SGR 21/344, ECLI:NL:RBDHA:2021:5643, Belastingblad 2021/276, met aantekening van Karpoerchan (Belastingen Bollenstreek). 20.Voetnoot in citaat: HR 23 oktober 2020, 19/05580, ECLI:NL:HR:2020:1671, Belastingblad 2020/472, met aantekening van Bosma, V-N 2020/54.27, BNB 2020/174, m.nt. Monsma, FED 2021/16, m.nt. Groenewegen (Ede). 21.Voetnoot in citaat: HR 17 februari 2017, 16/02411, ECLI:NL:HR:2017:262, Belastingblad 2017/122, met aantekening van Kruimel, en NTFR 2017/491, met commentaar van Van den Berg (Oostflakkee). 22.Voetnoot in citaat: Bijvoorbeeld: Rb. Noord-Nederland 8 juni 2021, AWB – 19 3000, ECLI:NL:RBNNE:2021:2263 (Waadhoeke). 23.M.P. van der Burg, G. Groenewegen, F.J.H.L. Makkinga en A.W. Schep, Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, 12e druk, Deventer 2021, blz. 123 t/m 126.
25.https://www.wozdatacenter.nl/Taxatiewijzer/, geraadpleegd op 2 november 2023.
26.Zie art. 4(2) Wet WOZ.
27.https://www.waarderingskamer.nl/voor-gemeenten/hulpmiddelen/waarderingsinstructie. Geraadpleegd op 2 november 2023.
28.Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet WOZ moet het geven van richtlijnen en detailregels worden gerekend tot de toezichthoudende taak van de Waarderingskamer. Zie Kamerstukken II, 1992-1993, 22885, nr. 3 blz. 37.
29.Zie onderdeel 3.3.1 van de Waarderingsinstructie, geciteerd in 5.5 van deze conclusie.
31.https://en.wikipedia.org/wiki/Computer_says_no. Geraadpleegd op 2 november 2023.
33.Bovendien heeft hij voor de Rechtbank met succes een viertal verkoopcijfers genoemd ter onderbouwing van de door hem verdedigde restwaardes. Maar het Hof is voor een ander anker gaan liggen, te weten de Taxatiewijzers.
36.G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure, diss. Vrije Universiteit, 2008. De handelseditie verscheen in de serie Recht en praktijk, nr. 165.
37.G. de Groot, De rechter woont niet in Delphi, Expertise en Recht 2009-2, blz. 29 t/m 34. De voetnoot in dit citaat is weggelaten.
38.Voetnoot in citaat: Vaste rechtspraak, zie o.a. EHRM 12 juli 1988, NJ 1988, 851, m.nt. EAA (Schenk/Zwitserland); EHRM 21 september 1993, NJ 1994, 544 (Zumtobel/Oostenrijk); EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534, m.nt. HJS (Dombo/Nederland); EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, m.nt. HJS (Mantovanelli/Frankrijk); EHRM 16 juni 2005, 61603/00 (Storck/Duitsland); EHRM 8 augustus 2006, 43803/98, NJCM-Bulletin 2007, p. 697-706, m.nt. PvD (Eskelinen e.a./Finland)
39.Voetnoot in citaat: Zie voor het civiele procesrecht: HR 5 december 2003, NJ 2004, 74, JBPr 2004, 29, m.nt. R. Schellaars (Nieuw Vredenburgh/NHL).
40.G. de Groot t.a.p.
42.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR: 2015:1008JUD007721212. Zie voor besprekingen van dit arrest onder meer de annotaties in AB 2016/167 (T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik) en RSV 2016/27 (W.A. Faas) en B.J. van Ettekoven, Betekenis van de uitspraak Korošec voor het Nederlandse bestuursrecht, Overheid & Aansprakelijkheid 2016/29; T. Barkhuijsen, Knelpunten bij de inzet van deskundigen in het bestuursrecht, NJB 2016/1603; P. Lemmens, De deskundige, het bestuur, de rechter en het recht van partijen op een eerlijk proces, NJB 2017/472; G. de Groot, Deskundigenbewijs in het bestuursrecht na het Korošec-arrest, NJB 2017/473; R. Giard, Niet alleen aandacht voor een equality of arms, maar ook voor de quality of arms, NJB 2017/776 en de conclusie van Plv. P-G Langemeijer voor HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2383. 43.EHRM 3 mei 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0503JUD000718311.
44.G. de Groot, Deskundigenbewijs in het bestuursrecht na het Korošec-arrest, NJB 2017/473
49.Voetnoot in citaat: Kamerstukken I, 1982-1983, 17 653, nr. 63a, blz. 3.
55.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 7 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020;863, ovw 5.16.3, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3452, ovw 4.6, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 30 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE;2022;1043, ovw 4.25 en – zij het impliciet, Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011;BT7314, ovw 6.1.2 56.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam, 4 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1257, ,ovw 5.8, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10638, ovw 4.2, Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1055, ovw 5.4 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 30 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4142, ovw 4.11. 57.Zie het citaat in 9.4 van deze conclusie.
58.Zie het citaat in 5.5 van deze conclusie.
59.Zie het citaat in 6.3 van deze conclusie.
60.Zie over die samenstelling 5.4 van deze conclusie.
61.Zie 9.5 van deze conclusie.
62.Vgl. C.M. Bergman c.s., Fiscaal procesrecht, zesde druk, Deventer 2020, blz. 313.
63.M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Deventer 2014, par. 15.2.4 en L.J.A. Pieterse, Verwijzingsinstructies in verband met de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie, Deventer 2019, blz. 145 ev.