Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
beschikking van 25 november 2025
A.F.T. RVS B.V. (AFT)
[de werknemer] ( [de werknemer] )
Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het beroepschrift, op de griffie binnengekomen op 11 juni 2025
- het verweerschrift met daarin een verzoek in incidenteel hoger beroep
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep.
De kern van de zaak
Het oordeel van het hof
Wat is er gebeurd?
€ 3.709 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten voor 38 uur per week.
'Terugkeer in deel van eigen functie met beperkte toekomst perspectief wegens gewijzigde organisatie van de functie’.
"omdat het werk wel moet doorgaan".Dat kan volgens [de werknemer] geen reden zijn hem niet meer terug te laten keren in zijn eigen functie. [de werknemer] geeft ook aan dat het hem niet duidelijk is waarom hij een tweedespoortraject moet volgen, terwijl hij voor einde wachttijd hersteld is en zijn eigen werkzaamheden weer kan oppakken. De functie bestaat nog en daarom meldt hij vooralsnog niet te willen meewerken aan het tweedespoortraject.
‘Er is een heleboel de revue gepasseerd en ik zou je dan ook willen vragen om de opties die je mij gegeven hebt nog even toe te sturen, zodat ik die dan ook concreet heb. Zoals ik naar je heb aan gegeven had ik niet anders verwacht dan na mijn ziekte weer gewoon aan het werk te kunnen gaan en wil ik ook het liefst mijn eigen job terug, maar word ik nu gevraagd hier keuzes in te maken.’
’zoals hij al vaker had aangegeven (…) tot zijn pensioen en nog wel langer voor AFT te kunnen blijven werken’. Het was hem dus rauw op zijn dak gevallen dat het tweedespoortraject, wat eerst als formaliteit was gepresenteerd, echt bedoeld was om het voor hem buiten het bedrijf ‘
goed geregeld’te krijgen, omdat er geen plaats meer voor hem zou zijn. Uit het gespreksverslag blijkt dat [de directeur] zich niet kon voorstellen dat [de werknemer] nog blij zou zijn met de werkzaamheden die er nog waren, en dat hij ook risico’s ziet voor de toekomst qua lichamelijke inzetbaarheid van [de werknemer] , die er ‘
immers ook niet jonger op’ wordt: er is steeds meer sprake van kwaaltjes. [de werknemer] heeft erop gewezen dat hij veel verschillend werk kon doen net als voor zijn uitval, waarop [de directeur] meldde het allemaal goed voor hem te willen regelen en daarom ook het tweede spoor aanbood om extern een oplossing te vinden. Volgens [de business controller] zou de baan van [de werknemer] niet meer voor hem beschikbaar zijn zodra de nieuwe kracht was ingewerkt. Er zou nog wel werk voor [de werknemer] zijn maar de vorm waarin was onduidelijk en de duur daarvan was onzeker. [de werknemer] heeft aangegeven dat hij zijn baan gewoon terug wilde, waarop namens AFT is geantwoord dat dit een reorganisatie was en dat een aantal zaken geoutsourcet zouden worden.
De beoordeling
er helemaal doorheen zit’ en dat de eerdere opstelling van AFT hem ‘
niet in de koude kleren is gaan zitten’. In hoger beroep heeft AFT aangevoerd dat het voorstel om mediation te hervatten was bedoeld om de impasse in de onderhandelingen over een beëindigingsregeling te doorbreken. Dat voor AFT ook een andere passende oplossing op tafel lag is niet gebleken. Onder die omstandigheden zou het hervatten van mediation een herhaling van zetten zijn, die in redelijkheid niet van [de werknemer] kon worden verwacht. Ook anderszins blijkt niet dat [de werknemer] geweigerd heeft medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken van het arbeidsconflict weg te nemen. Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 7:628 BW van toepassing is, zodat AFT verplicht is het loon door te betalen. Het bezwaar tegen de veroordeling om het loon van 1 oktober 2024 tot 1 februari 2025 te betalen slaagt daarom niet. Overigens gaat het bezwaar van AFT uit eerste aanleg dat [de werknemer] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor arbeid niet op. [de werknemer] heeft zijn bereidheid daartoe immers in de brief van 7 oktober 2024 uitgesproken, alleen niet voor ander werk dan wat is overeengekomen. De toegekende wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW van 25% over het loon van 1 oktober 2024 tot 1 februari 2025 komt het hof redelijk voor. Dat wordt in hoger beroep overgenomen.
AFT heeft ernstig verwijtbaar gehandeld
AFT voert aan dat na twee jaar ziekte goede zorg is betracht omdat, als [de werknemer] niet volledig hersteld zou zijn en AFT daar geen oog voor had gehad, dat dan problematisch voor alle partijen zou zijn geweest. Daarom is advies ingewonnen bij de arboarts. Er is geen loonstop opgelegd want als hij niet arbeidsgeschikt zou zijn, zou de loonbetalingsplicht voor AFT zijn geëindigd. Dat [de werknemer] de reorganisatie opvoert is een storm in een glas water. Er was van een reorganisatie geen sprake: eind 2023 was er slechts een zeer vroeg voornemen, dat verder niet meer is uitgewerkt noch is doorgevoerd. Dat is [de werknemer] in januari 2024 ook duidelijk uitgelegd. De optie van het tweede spoor was geen bewijs dat AFT van [de werknemer] af wilde, maar was een Poortwachterplicht, geadviseerd door de arbeidsdeskundige. Ook dit is uitgelegd aan [de werknemer] . Tot juni 2024 was er geen vuiltje aan de lucht, tot diens onverwachte melding van een arbeidsconflict en een mediation, waarna [de werknemer] redelijke voorstellen niet accepteerde.
AFT heeft erop gewezen dat [de werknemer] zelf een flinke duit in het zakje heeft gedaan bij het veroorzaken van de verstoorde arbeidsverhouding. Als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van AFT weggedacht wordt dan zou de arbeidsovereenkomst ook zijn ontbonden zodat hem geen billijke vergoeding toekomt. In het andere geval is realistisch te verwachten dat de arbeidsovereenkomst kort na 1 mei 2025 zou eindigen, zodat de inkomensschade en de daarbij behorende componenten zoals pensioenschade zeer beperkt zijn. Een bedrag van
€ 10.000 bruto voor de ernstige verwijtbaarheid is willekeurig en niet onderbouwd en ook duiden de omstandigheden van het geval niet op het voortduren van de arbeidsovereenkomst tot aan de AOW-leeftijd. [de werknemer] heeft een technische achtergrond en moet in staat zijn om ander werk te vinden, waarbij nu de realiteit is dat hij een ZW-uitkering krijgt en daardoor niet kan solliciteren. Het arbeidsongeschiktheidsverleden beperkt hem niet omdat zijn WIA-keuring betekent dat een nieuwe werkgever gedurende vijf jaar een beroep kan doen op de no-riskpolis. Voor immateriële schadevergoeding is geen enkele reden, omdat immateriële schade helemaal niet is onderbouwd. Tenslotte moeten ook de proceskosten buiten beschouwing blijven, zodat onder de streep geen billijke vergoeding verschuldigd is.
€ 150.000 bruto toe te kennen. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.
De beslissing
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [de werknemer] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
€ 986,66;