ECLI:NL:GHARL:2026:1122

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
200.356.744
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998Art. 8.13 Netcode ElektriciteitArt. 16 lid 1 sub c Elektriciteitswet 1998Art. 3.25 EnergiewetArt. 3.38 lid 2 Energiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering aansluiting zonnepark op elektriciteitsnet wegens ontbreken afdwingbare termijn

Zonnepark Zevend vorderde in kort geding aansluiting op het elektriciteitsnet van Liander uiterlijk 30 juni 2026, gebaseerd op een Aansluit- en Transportovereenkomst (ATO) en wettelijke bepalingen. De voorzieningenrechter wees de vordering af en het hof bevestigt deze beslissing. De ATO bevat geen afdwingbare uiterste datum voor aansluiting, en de wettelijke 18-wekentermijn uit artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet Pro 1998 (oud) is buiten toepassing verklaard vanwege strijd met het Handvest van de grondrechten van de EU.

De aansluiting is afhankelijk van een netuitbreiding van het onderstation Druten, waarvoor ook werkzaamheden van TenneT nodig zijn. Liander kan de planning van TenneT niet beïnvloeden, waardoor het onmogelijk is om een harde aansluitdatum te garanderen. De termijnen in de Netcode gaan pas lopen na realisatie van deze netuitbreiding.

Zevend heeft onvoldoende spoedeisend belang bij haar vordering, omdat de financiële belangen voortkomen uit keuze om pas na aansluiting te bouwen en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) al uitstel heeft verleend voor subsidievoorwaarden. Het hof veroordeelt Zevend tot betaling van proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de vordering tot aansluiting op het elektriciteitsnet uiterlijk 30 juni 2026 afwijst wegens ontbreken van een afdwingbare termijn en onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.744
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 449293
arrest in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
Zonnepark Zevend B.V.(hierna: Zevend)
die is gevestigd in Bilthoven
advocaten: mrs. H.P. Wiersema en M. Franke
en
Liander N.V.
die is gevestigd in Arnhem
advocaten: mrs. R.W. de Vlam en A. Mahmoud

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Zevend heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 10 juni 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte overlegging productie van Zevend
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 januari 2026 is gehouden en de daarin genoemde stukken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Zevend vordert aansluiting op het door Liander beheerde elektriciteitsnet, (na eiswijziging in hoger beroep) uiterlijk op 30 juni 2026. Zevend baseert de vordering op de tussen partijen gesloten Aansluit- en Transportovereenkomst (hierna: de ATO) en op de verplichtingen van Liander als netbeheerder op grond van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet Pro 1998 (E-wet) (oud) en artikel 8.13 van de Netcode Elektriciteit (de Netcode). [2]
2.2.
De voorzieningenrechter heeft de vordering (in eerste aanleg met de strekking tot aansluiting uiterlijk op 30 juni 2025) afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de (gewijzigde) vordering alsnog wordt toegewezen.
2.3.
Ook het hof zal de vordering afwijzen. Het hof sluit zich grotendeels aan bij de overwegingen van de voorzieningenrechter. De ATO bepaalt geen afdwingbare uiterste datum waarop Liander de aansluiting moet realiseren. Artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) blijft buiten toepassing; het rechtszekerheidsbeginsel waarop Zevend zich heeft beroepen leidt evenmin tot toepassing van een afdwingbare uiterste termijn. De termijnen die de Netcode noemt voor aansluiting gaan pas lopen nadat een voor zo’n aansluiting benodigde netuitbreiding is gerealiseerd. Daarbij komt dat Zevend onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de vordering. Het hof licht dit oordeel hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en achtergronden
3.1.
De voorzieningenrechter heeft de feiten en achtergronden omschreven in rov. 2.1 tot en met 2.14 van het vonnis. Tegen die overwegingen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten en achtergronden uitgaan. Kort gezegd en aangevuld met wat in hoger beroep is gebleken, komen die neer op het volgende.
3.2.
Zevend wil een park met zonnepanelen realiseren en exploiteren in Puiflijk, gemeente Druten. Daarvoor is een aansluiting nodig op het elektriciteitsnet dat door Liander als netbeheerder wordt beheerd. TenneT is de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet.
3.3.
Tussen (vertegenwoordigers en rechtsvoorgangers van) Zevend en Liander is in het voorjaar van 2020 overlegd over een 25 MVW aansluiting met een terugleververmogen van 10.000 kW. Namens Liander is toen kenbaar gemaakt dat een dergelijke aansluiting om technische redenen rechtstreeks zou moeten worden aangesloten op het (dichtstbij gelegen) onderstation Druten (OS Druten). Bij e-mailbericht van 19 mei 2020 is namens Liander onder meer het volgende bericht:

(…)
Het verrekenpunt voor deze aansluiting is onderstation Druten.
De aansluiting wordt aangesloten op de huidige 10 kV of de toekomstige 20 kV installatie van dit onderstation.
(…)
Let op!
Er spelen meerdere initiatieven die, als ze doorgang vinden, op onderstation Druten moeten worden aangesloten.
Deze initiatieven kunnen niet allemaal tegelijkertijd uitgevoerd worden. De eerste partij die opdracht verstrekt reserveert de beschikbare capaciteit.
Bij vergeven capaciteit en/of aansluitmogelijkheid neemt de doorlooptijd toe.
Het beschikbare 10 kV vermogen zal door de vele en grote aanvragen snel vergeven zijn.
Graag rekening houden met het aansluiten op 20 kV met een doorlooptijd van circa 5 jaar, want de 20 kV moet nog gerealiseerd worden.
(…)
3.4.
De aanvraag van een offerte en nader overleg heeft vervolgens geleid tot een aanbiedingsbrief van Liander van 7 oktober 2021 met daarbij de ATO. Zevend heeft de ATO op 3 november 2021 ondertekend. In (een aanhangsel bij) de ATO staat vermeld dat rechtstreeks wordt aangesloten op het onderstation (OS) Druten. In de aanbiedingsbrief staat onder het kopje “
Planning en uitvoering” het volgende:

(…)
De aansluiting kan pas gerealiseerd worden in Q2 2025 in verband met uitbreiding OS Druten.
3.5.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft Zevend op 9 december 2022 een SDE++ subsidie toegekend. Daarbij behorende verplichtingen zijn dat Zevend binnen 18 maanden opdrachten verstrekt voor de levering en de bouw van de installatie (en afschrift aan de RVO stuurt) en dat de installatie binnen vier jaar in gebruik wordt genomen.
3.6.
Namens Zevend is op 18 oktober 2023 aan Liander een update gevraagd over de datum van aansluiting. Op 20 oktober 2023 zijn alle aandelen in Zevend overgedragen door Gutami Solar Development B.V. aan Technique Solaire Nederland B.V. Liander heeft op 27 november 2023 geantwoord: “
Korte update omtrent OS Druten, we zijn druk bezig met het prioriteringen en aanpassingen van Tennet, OS druten staat momenteel op Q4 2025 / Q1 2026.” Zevend heeft daarop niet gereageerd.
3.7.
Begin 2024 heeft Liander desgevraagd laten weten dat zij verwachtte dat aansluiting kon plaatsvinden in het eerste of tweede kwartaal van 2026 maar mogelijk eerder. In april 2024 heeft Liander medegedeeld dat de planning was uitgesteld tot medio 2026. In een overleg van mei 2024 heeft Liander laten weten dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de aansluiting eerder dan Q2 2026 kan worden gerealiseerd maar dat er grote kans is dat dat voor het einde van 2026 gebeurt. Zevend heeft in juni 2024 geschreven dat de vertraging niet aanvaardbaar is en om verduidelijking van de redenen van vertraging gevraagd. Daarop heeft Liander geschreven dat (in de offerte vermeld staat dat) de aansluiting gerealiseerd kan worden nadat het onderstation Druten gereed is en dat zij afhankelijk is van de bouw daarvan. In oktober 2024 heeft Zevend Liander gesommeerd haar verplichtingen na te komen en de aansluiting te realiseren.
3.8.
In de in de memorie van antwoord opgenomen “indicatieve planning” van Liander is aansluiting voorzien in week 26 van 2027.
3.9.
De RVO heeft in januari 2025 uitstel voor het aanleveren van de opdrachten verleend tot 31 december 2025. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Zevend verklaard dat de RVO bij wijze van gedogen nader uitstel heeft verleend tot 31 december 2026 en dat de deadline voor ingebruikname meeschuift.
Spoedeisend belang
3.10.
In een kort geding moet het hof beoordelen of de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Het hof ziet aanleiding om eerst de inhoud van deze zaak te beoordelen en daarna het spoedeisend belang.
De vordering van Zevend
3.11.
Zevend vordert aansluiting op het door Liander beheerde elektriciteitsnet. In eerste aanleg vorderde Zevend dat per 30 juni 2025. In hoger beroep is de eis gewijzigd en strekt de vordering tot aansluiting uiterlijk op 30 juni 2026. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Zevend toegevoegd dat zij ook al geholpen zou zijn met een veroordeling tot aansluiting per 31 december 2026 en dat als voorwaardelijke of alternatieve eisvermindering aan het hof voorgelegd. Zevend baseert de vordering op de ATO en op verplichtingen van Liander op grond van artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) en artikel 8.13 van de Netcode.
3.12.
Liander heeft onder meer betoogd dat de ATO geen afdwingbare verplichting tot aansluiting in Q2 2025 (dan wel 30 juni 2026 of 31 december 2026) inhoudt. Zij heeft verder aangevoerd dat artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) buiten toepassing moet blijven en artikel 8.13 van de Netcode niet van toepassing is op deze situatie. Zij heeft er onder meer op gewezen dat de aansluiting een netuitbreiding vergt die deels door TenneT moet worden gerealiseerd en dat zij geen invloed heeft op de planning van TenneT, die met congestie en achterstanden kampt.
De ATO
3.13.
De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.3 beslist dat niet kan worden aangenomen dat de ATO een verbintenis voor Liander inhoudt om een aansluiting te realiseren voor het einde van Q2 2025. De voorzieningenrechter heeft daartoe, samengevat, overwogen dat tussen partijen veel overleg heeft plaatsgevonden, dat daarin duidelijk naar voren in gekomen dat de wensen van Zevend directe aansluiting vergen op een onderstation, en wel OS Druten, dat niet aannemelijk is dat Liander daarbij een harde datum heeft genoemd of heeft willen noemen en dat Zevend er niet redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de verwijzing naar Q2 2025 een fatale termijn was maar die moest beschouwen als een weergave van de verwachte termijn voor de noodzakelijke aanpassing van OS Druten. Daarbij speelt mee dat Liander voor en na het aangaan van de ATO heeft benadrukt dat OS Druten onvoldoende capaciteit heeft en moet worden uitgebreid voordat de aansluiting kan worden gerealiseerd. Het hof neemt die beslissing en de gronden daarvan over, maakt die tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe.
3.14.
De ATO bevat zelf geen datum voor de aansluiting. In het aanhangsel “Gegevens afnemer” bij de ATO, een tabel, staan bij “Datum inbedrijfsstelling aansluiting”, “Datum aanvang transportdienst levering” en “Datum aanvang aansluitdienst” geen data ingevuld. Het betoog van Zevend dat het aan haar was die data in te vullen leidt niet tot een andere uitkomst; de ATO zelf noemt hoe dan ook geen (uiterste) datum van aansluiting. Verder was bij het aangaan van de ATO ook voor Zevend duidelijk dat aansluiting pas kon plaatsvinden na aanpassing van OS Druten en dat die aanpassing niet alleen werkzaamheden van Liander maar ook van TenneT vergde. Dat zij dat destijds begreep heeft Zevend bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard. Ook los daarvan heeft Zevend onvoldoende toegelicht dat zij niet zou hebben begrepen dat werkzaamheden van TenneT nodig waren, gelet op de uitleg van Liander dat een deel van het OS Druten tot het hoogspanningsnet van TenneT behoort en een deel tot het midden- en laagspanningsnet van Liander. TenneT moet de velden en vermogensschakelaars aanleggen en Liander de transformatoren en schakelinstallaties. Tegen die achtergrond heeft Zevend onvoldoende toegelicht dat de in de aanbiedingsbrief genoemde periode Q2 2025 een afdwingbare uiterste datum behelsde waarvan zij nakoming kan vorderen, en niet slechts een planning.
3.15.
Daar komt nog bij dat Zevend ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zelf uitging van een afdwingbare uiterste datum. Zij wist vanwege de berichten van Liander (althans kan die kennis haar worden toegerekend) al in 2020 dat capaciteitsgebrek werd verwacht. Toen Liander in november 2023 liet weten dat de planning van Q2 2025 niet zou worden gehaald maar de aanpassing van OS Druten in Q4 2025 / Q1 2026 werd verwacht, heeft Zevend niet geprotesteerd of gemeld dat daarmee sprake was van niet-nakoming van een afdwingbare uiterste termijn in de ATO. Pas ruim een half jaar later, naar aanleiding van een melding van verdere vertraging, meldde Zevend dat die vertraging niet aanvaardbaar is. Ook daaruit blijkt niet dat Zevend vertrouwde op aansluiting in Q2 2025.
3.16.
Kortom: de ATO bevat geen verplichting tot aansluiting op een bepaalde uiterste datum.
Artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud)
3.17.
Zevend heeft een beroep gedaan op de 18-wekentermijn voor een aansluiting als bedoeld in artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud), althans aangevoerd dat de afwijkend in de ATO overeengekomen termijn ook een afdwingbare uiterste datum oplevert zoals die 18-wekentermijn. Artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) luidde ten tijde van het aangaan van de ATO als volgt:

Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijk termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder in ingediend, indien het verzoek betreft:
a. een aansluiting tot 10 MVA;
b. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn heeft gerealiseerd.
3.18.
Per 22 februari 2025 is lid 4 gewijzigd in: “
Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn.” Ook het huidige artikel 3.38 lid 2 Energiewet noemt slechts een redelijke termijn, en geen specifieke termijn.
3.19.
De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.4 beslist dat de E-wet geen gefixeerde wettelijke termijn voor aansluiting bevat waarop Zevend zich in dit kort geding met succes kan beroepen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat niet langer van een termijn van 18 weken kan worden uitgegaan. De tekst van artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) die die termijn noemt, is vervallen en voor zover die nog van toepassing is op de aansluiting van Zevend geldt dat die termijn door het hof Den Bosch [3] buiten toepassing is gelaten wegens strijd met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Het hof neemt deze beslissing en de gronden daarvan over, maakt die tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe.
3.20.
Na het aangehaalde arrest van het hof Den Bosch heeft ook dit hof de 18-wekentermijn van artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) buiten toepassing gelaten. [4] De overwegingen van beide hoven komen erop neer dat op grond van de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 (enkel) de ACM als Nationaal Regulerende Instantie bevoegd was om de voorwaarden voor aansluiting op het net te bepalen, en niet de nationale wetgever, terwijl de besluiten van de Nationaal Regulerende Instantie onderworpen moeten zijn aan een rechterlijke toetsing. Als de ACM de voorwaarden, waaronder de invulling van de redelijke termijn, (in een besluit als de Netcode) zou hebben vastgesteld, had Liander daartegen eerst bezwaar kunnen maken en vervolgens beroep kunnen instellen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, terwijl toetsing van de 18-wekentermijn in de wet niet (goed) mogelijk is gelet op artikel 120 Grondwet Pro. Om de werking van het in artikel 47 van Pro het Handvest neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen moet de 18-wekentermijn van artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) daarom buiten toepassing blijven. Het hof ziet geen reden, zeker niet in kort geding, om deze overwegingen niet te volgen.
3.21.
Zevend heeft aangevoerd dat als artikel 23 lid Pro 4 E-wet (oud) buiten toepassing blijft, de 18-wekentermijn (althans de in de ATO genoemde termijn als afdwingbare uiterste datum) toch geldt op grond van het rechtzekerheidsbeginsel. Dat betoog slaagt niet. Niet valt in te zien dat en waarom het rechtszekerheidsbeginsel op zo’n manier afbreuk zou kunnen doen aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 Handvest Pro, dat Zevend in haar verhouding tot Liander toch een beroep op de 18-wekentermijn toekomt. Verder geldt dat voor zover door onjuiste implementatie bij Zevend vertrouwen is gewekt op een bepaalde aansluitingstermijn (Zevend wijst op de PAS-problematiek), dit vertrouwen niet door Liander is gewekt en Zevend daar ook geen aanspraken jegens Liander op kan baseren. Daar komt bij dat ook dit betoog van Zevend voortbouwt op het standpunt dat de ATO een afdwingbare uiterste datum inhoudt (die in de plaats zou zijn gekomen van een afdwingbare 18-wekentermijn), welk standpunt in 3.13-3.16 hierboven is verworpen.
3.22.
Het voorgaande betekent dat de 18-wekentermijn niet geldt, maar een redelijke termijn, zonder dat sprake is van een specifieke afdwingbare uiterste datum. Zoals hierna onder 3.23 nader overwogen, staat tussen partijen vast dat de aansluiting pas kan worden gerealiseerd nadat het OS Druten is uitgebreid, zodat deze redelijke termijn ook pas daarna begint te lopen. Maar zelfs als de redelijke termijn al zou lopen, kan dat niet leiden tot toewijzing van Zevends vordering. Vast staat dat voor de aansluiting uitbreiding van OS Druten nodig is en dat daar werkzaamheden van TenneT voor nodig zijn; Liander heeft ook toegelicht welke werkzaamheden Liander en welke TenneT moet verrichten. Tegenover de toelichting van Liander dat TenneT haar eigen taak, planning en prioritering heeft waar Liander van afhankelijk is, heeft Zevend onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Liander de planning van TenneT kan beïnvloeden en daarbij tekortschiet. Dat Liander het voortouw heeft genomen bij de voor aanpassing van OS Druten benodigde bestemmingsplanwijziging, maakt niet dat zij de werkzaamheden van TenneT kan plannen of versnellen. Dat Liander de planning van haar eigen werkzaamheden op OS Druten afstemt op de planning van TenneT (en niet vooruitwerkt waardoor haar werk in afwachting van TenneT ongebruikt ligt) komt het hof niet onredelijk voor. Zevend heeft toegelicht dat TenneT in sommige gevallen wel prioriteit kan geven, bijvoorbeeld aan Defensie, maar dat maakt niet dat ook Zevend daar aanspraak op kan maken, laat staan jegens Liander. Dat gelet op het voorgaande nu niet bepaald kan worden wanneer de redelijke termijn eindigt, is onbevredigend voor Zevend, maar wel de realiteit. Niet gesteld of gebleken is overigens dat de allocatie van middelen ter zake op onoorbare wijze geschiedt.
Netcode
3.23.
Ten slotte heeft Zevend zich beroepen op artikel 8.13 van de Netcode, dat bepaalt dat een aansluiting, afhankelijk van de complexiteit daarvan, binnen 26 weken, 52 weken dan wel een door de netbeheerder vast te stellen aantal weken wordt gerealiseerd. Voor zover dat artikel, dat per 1 januari 2025 is ingevoerd, al geldt voor de in 2021 aangevraagde aansluiting van Zevend, slaagt het beroep erop niet. Liander heeft terecht aangevoerd (en Zevend heeft erkend) dat voor netuitbreiding geen bepaalde termijn geldt (vergelijk artikel 16 lid 1 sub Pro c E-wet (oud) en thans artikel 3.25 Energiewet) en dat het aan de ACM als toezichthouder, en niet aan individuele (kandidaat) aangeslotenen, is om toe te zien op tijdige actie op dit gebied van de netbeheerders. Omdat tussen partijen vast staat dat de aansluiting van Zevend pas kan plaatsvinden nadat de netuitbreiding ten aanzien van OS Druten is gerealiseerd, gaat de termijn van aansluiting (zoals die van artikel 8.13 van de Netcode) pas na de netuitbreiding lopen. Die conclusie kan ook worden afgeleid uit twee recente vonnissen van de rechtbank Gelderland in bodemprocedures. [5]
Onmogelijkheid van nakoming
3.24.
Zelfs als sprake zou zijn van een verplichting van Liander tot realisatie van de aansluiting binnen een bepaalde termijn, zou Zevends vordering niet toegewezen kunnen worden. Gelet op de hiervoor omschreven afhankelijkheid van Liander van de planning van TenneT, waarvan niet aannemelijk is geworden dat Liander die kan beïnvloeden, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het Liander onmogelijk is om die verplichting na te komen. [6] Ook dat is reden voor afwijzing van de vordering.
Spoedeisend belang
3.25.
Zoals hierboven overwogen, moet het hof in een kort geding beoordelen of de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang bij haar vordering heeft Zevend gewezen op de voortdurende onzekerheid over de datum van aansluiting, op stijgende bouwkosten, op het pas later kunnen gaan genereren van inkomsten en op de termijnen voor de SDE++ subsidie.
3.26.
Die belangen zijn onvoldoende spoedeisend. Zevends belang is financieel: het gaat erom met de aansluiting van haar zonnepark inkomsten te genereren. Liander heeft terecht aangevoerd dat het de eigen keuze van Zevend is om pas te bouwen nadat de aansluiting is gerealiseerd; de stijgende bouwkosten vloeien uit die keuze voort. De RVO heeft al verschillende keren uitstel verleend voor het voldoen aan de subsidievoorwaarden; niet gebleken is dat geen verder uitstel mogelijk is. Daarbij komt dat Liander heeft toegelicht dat de subsidie een “banking” faciliteit heeft waarmee eerder niet gebruikte subsidie, ook als het zonnepark pas later in gebruik wordt genomen, later alsnog kan worden verkregen, wat Zevend niet (voldoende) heeft weersproken. Mocht toch sprake zijn van verlies van subsidiegelden kan zich dat vertalen in een vordering tot schadevergoeding. Een afweging van belangen leidt niet tot een ander oordeel. Zevend is nog niet begonnen met de bouw terwijl zij daarvoor naar eigen zeggen nog zes tot negen maanden nodig heeft, zodat een aansluiting per 30 juni 2026 niet meteen zal kunnen worden gebruikt of zelfs niet mogelijk is; per 31 december 2026 mogelijk wel. Daarbij komt echter dat, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, niet voldoende aannemelijk is dat op Liander een verplichting rust tot aansluiting binnen een bepaalde termijn, terwijl voor Liander een veroordeling tot nakoming dreigt die zij onmogelijk kan nakomen.
De conclusie
3.27.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Zevend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Zevend tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [7]
3.28.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 juni 2025;
4.2.
veroordeelt Zevend tot betaling van de volgende proceskosten van Liander:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Liander (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, L. Janse en M. van Hooijdonk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

2.Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202151, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van Pro de Elektriciteitswet 1998.
3.De voorzieningenrechter verwijst naar hof Den Bosch 29 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1220 rov. 3.56.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7483, rov. 3.29-3.33.
5.Rechtbank Gelderland 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8685, rov. 5.28-5.30 en Rechtbank Gelderland 17 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11225, rov. 5.27-5.30.
6.HR 21 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5738.
7.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.