Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1637

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
200.346.890
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 6:119 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid en uitleg betalingsverplichting in woningbouwproject

Partijen waren betrokken bij een woningbouwproject waarbij Baarn Beheer percelen verkocht en Kwakkenbos de woningen moest bouwen. Na een impasse over aannemingsovereenkomsten en bouwkostenstijgingen, sloten partijen op 14 juli 2022 een minnelijke regeling met betalingsafspraken.

Baarn Beheer nam een onvoorwaardelijke betalingsverplichting van €338.800 op zich, welke niet is nagekomen. Het hof oordeelt dat deze verplichting niet vernietigd kan worden wegens dwaling of andere gronden. Daarnaast is [appellant] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor het niet nakomen van deze verplichting.

De rechtbank wees eerder een betaling van €75.000 door [appellant] af wegens een vernietigingsberoep van zijn echtgenote, maar het hof oordeelt dat deze verplichting niet onder het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW Pro valt en dus niet vernietigd kan worden.

Het hof wijst de vorderingen van Kwakkenbos grotendeels toe, wijzigt het bedrag van bestuurdersaansprakelijkheid naar €338.800 en veroordeelt Baarn Beheer en [appellant] hoofdelijk tot betaling van proceskosten. Het incidenteel hoger beroep van Kwakkenbos slaagt deels.

Uitkomst: Het hof bevestigt de onvoorwaardelijke betalingsverplichting van Baarn Beheer en de persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] tot betaling van €338.800 plus €75.000, met wettelijke rente en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.890 en 200.346.888
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 548877 en 559523
arrest van 17 maart 2026
in de zaak met nummer 200.346.890 van

1.[appellant]

die woont in [woonplaats]
2. Baarn Beheer B.V.
die is gevestigd in Baarn
advocaat: onttrokken
en
Kwakkenbos B.V.
die is gevestigd in Harmelen
advocaat: mr. P.J.B. van Deurzen
en in de zaak met nummer 200.346.888 van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: onttrokken
en
Kwakkenbos B.V.
die is gevestigd in Harmelen
advocaat: mr. P.J.B. van Deurzen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] en Baarn Beheer hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in incident van 1 maart 2023 en het vonnis van 3 januari 2024 die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, met zaaknummer 548877 tussen hen en Kwakkenbos heeft uitgesproken. [appellant] heeft daarnaast bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 februari 2024 dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, met zaaknummer 559523 tussen hem en Kwakkenbos heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaardingen in hoger beroep
  • de in beide zaken gelijkluidende memorie van grieven
  • de in beide zaken gelijkluidende memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de in beide zaken gelijkluidende memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • de onttrekking van mr. H.E.C.A. Vlasman als advocaat van [appellant] en Baarn Beheer
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 21 januari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaken

2.1.
Partijen waren betrokken bij een woningbouwproject in [plaats] . Baarn Beheer verkocht percelen ten behoeve van de ontwikkeling van 28 woningen, die door Kwakkenbos moesten worden gebouwd. Nadat Baarn Beheer de percelen aan de kopers had geleverd, maar voorafgaand aan de bouw, beriep Kwakkenbos zich erop dat de door haar met de kopers gesloten aannemingsovereenkomsten vanwege het niet intreden van een opschortende voorwaarde niet tot stand waren gekomen. Kwakkenbos was alleen bereid om de woningen alsnog te bouwen, als andere partijen zouden bijdragen aan de volgens haar gestegen bouwkosten. Om uit de impasse te komen hebben de kopers een gesprek onder leiding van mr. J.J. van de Vijver (advocaat en mediator) geïnitieerd. Daarbij waren naast een vertegenwoordiging van de kopers onder andere Baarn Beheer – vertegenwoordigd door haar enig directeur en aandeelhouder [appellant] – en Kwakkenbos en hun advocaten aanwezig. Tijdens dat gesprek, op 14 juli 2022, zijn afspraken gemaakt om alsnog tot de bouw van de woningen te komen.
2.2.
Partijen verschillen onder meer van mening over of i) Baarn Beheer daarbij een onvoorwaardelijke betalingsverplichting aan Kwakkenbos op zich heeft genomen, ii) de betalingsverplichting die [appellant] op zich nam rechtsgeldig is vernietigd door zijn echtgenote en iii) [appellant] als bestuurder van Kwakkenbos persoonlijk aansprakelijk is voor het niet nakomen van de betalingsverplichtingen door Baarn Beheer .
2.3.
In het vonnis in incident van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:7740) heeft de rechtbank bij wege van voorlopige voorziening Baarn Beheer voor de duur van de procedure veroordeeld tot betaling aan Kwakkenbos van een voorschot van € 338.800, vermeerderd met wettelijke rente. In het vonnis van 3 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:2386) heeft de rechtbank geoordeeld dat Baarn Beheer een onvoorwaardelijke betalingsverplichting van € 338.800 op zich heeft genomen. Daarom heeft zij in dat vonnis de vordering van Kwakkenbos tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen. Kwakkenbos ’ vordering om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 75.000 heeft de rechtbank in dat vonnis afgewezen vanwege een beroep op de vernietigingsbevoegdheid van artikel 1:88 BW Pro. In het vonnis van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:1554) heeft de rechtbank de vordering van Kwakkenbos om [appellant] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid te veroordelen tot betaling van € 338.000, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen.
2.4.
Baarn Beheer en [appellant] zijn tegen voormelde veroordelingen in (principaal) hoger beroep gekomen. Zij willen dat het hof de toegewezen vorderingen alsnog afwijst. Kwakkenbos heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep tegen de vonnissen van 3 januari 2024 en 28 februari 2024 aangetekend en haar eis vermeerderd. Zij vordert dat [appellant] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid wordt veroordeeld tot betaling van € 338.800 (in plaats van € 338.000), vermeerderd met wettelijke rente. Verder komt zij op tegen de afwijzing van haar vordering van € 75.000 op [appellant] . In hoger beroep vordert zij primair dat [appellant] vanwege de verplichting die hij in privé op zich nam, wordt veroordeeld tot betaling van € 150.000 en subsidiair dat hij alsnog wordt veroordeeld tot betaling van € 75.000.
2.5.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat Baarn Beheer een onvoorwaardelijke betalingsverplichting van € 338.800 op zich nam en dat [appellant] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het niet nakomen van die verplichting. In zoverre zal het hof de vonnissen van de rechtbank daarom bekrachtigen, met dien verstande dat het hof (op grond van de vermeerderde eis in de bestuurdersaansprakelijkheidszaak) € 338.800 zal toewijzen in plaats van € 338.000. Het hof is verder van oordeel dat de verplichting tot betaling van € 75.000 die [appellant] op zich nam, niet op grond van artikel 1:88 BW Pro vatbaar was voor vernietiging door zijn echtgenote. Het bedrag van € 75.000 zal daarom alsnog worden toegewezen. Voor toewijzing van het door Kwakkenbos in incidenteel hoger beroep nog meer gevorderde bestaat geen grondslag. Het hof zal hierna toelichten waarom het tot deze beslissingen komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De afspraken van 14 juli 2022
3.1.
De bespreking op 14 juli 2022 onder leiding van mr. Van de Vijver was bedoeld om nog voor de start van de bouwvak uit de impasse te komen die was ontstaan doordat Kwakkenbos de kopers op 15 juni 2022 had laten weten dat de aannemingsovereenkomsten niet tot stand waren gekomen, omdat een opschortende voorwaarde niet was vervuld. Kwakkenbos wilde de bouw van de woningen alleen op zich nemen als zij niet in haar eentje hoefde op te draaien voor de volgens haar hogere bouwkosten.
3.2.
De door mr. Van de Vijver op 14 juli 2022 vastgelegde handgeschreven afspraken zijn door partijen ondertekend en luiden als volgt:
Bouwbedrijf Kwakkenbos en JBB Vastgoed Ontwikkeling en Baarn Beheer BV spreken in het kader van een minnelijke regeling af inzake het [naam1] te [plaats] het navolgende af:
1. dit betreft een afspraak op hoofdlijnen die nog nader zal worden uitgewerkt
2. Baarn Beheer betaalt aan Kwakkenbos een aanvullende vergoeding 280.000,- ex BTW, zijnde 338.800,- incl BTW,
3. de afspraak in artikel 2 zal Pro zodanig worden uitgewerkt opdat Woningborg haar planacceptatie (incl. afgifte certificaten) gestand doet.
4. Partijen stellen vast dat nog een tekort resteert van € 300.000,- incl. BTW t.o.v. de begroting d.d. 30 juni 2022 (PP genoegzaam bekend)
5. Kwakkenbos is sowieso bereid € 150.000,- incl BTW voor haar rekening te nemen
6. PP. spreken af dat resterende € 150.000,- ten laste van kopers zal worden gebracht;
7. PP hebben met kopers de afspraak gemaakt dat zij de notaris aansprakelijk houden voor de door hen geleden schade en zullen deze aansprakelijkheidsvordering cederen aan Kwakkenbos en [appellant] privé
8. Ten aanzien van de aansprakelijkstelling v.d. notaris spreken Kwakkenbos en [appellant] in privé af dat zij ieder voor 50 % bijdragen in het risico dat deze vordering op de notaris niet te gelde wordt gemaakt, in dit laatste geval geldt dat [appellant] i.p. aan Kwakkenbos een bedrag van maximaal € 75.000,00 betaalt.Voor alle duidelijkheid spreken PP af dat dit bedrag à € 150.000,00 niet effectief ten laste van kopers wordt gebracht.
9. Partijen komen overeen dat deze afspraken in een addendum bij de aannemingsovereenkomsten met kopers een regeling vinden
10. Partijen zullen Woningborg informeren dat een nieuwe financiële afspraak is gemaakt overeenkomstig de projectovereenkomst op basis waarvan Woningborg het project heeft geaccepteerd.
11. In geval Woningborg de eerdere acceptatie intrekt dan wel nadere voorwaarden stelt, treden PP in overleg om in lijn met deze ovk tot nadere afspraken te komen
12. De advocaat kopers merkt op dat ingeval van aanpassing van de aanneming ovk’s leidt tot problemen met de financiers van kopers, Partijen in goed overleg in de geest van deze ovk tot een oplossing te komen
13. Partijen gaan ervan uit dat deze set afspraken geen fiscale consequenties zal hebben
14. In het licht van deze afspraken zullen PP geen nadere claims over en weer indienen verband houdend met deze en voorliggende overeenkomsten
15. Kwakkenbos ziet in deze set afspraken voldoende grond om te starten met de bouw, op voorwaarde bouwrijp.
16. Partijen hebben een akkoord over de bouw- en woonrijpwerkzaamheden, zie bijlage.
3.3.
Vast staat dat Kwakkenbos in september 2022 met de bouw van de woningen is gestart en dat noch Baarn Beheer , noch [appellant] naar aanleiding van de op 14 juli 2022 gemaakte afspraken (hierna ook wel de overeenkomst genoemd) iets aan Kwakkenbos heeft betaald. Partijen leggen die afspraken verschillend uit. Ook zijn zij het er niet over eens of de afspraken moeten worden gezien als een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 BW Pro).
De uitleg van afspraken
3.4.
Het hof stelt voorop dat het voor de uitleg van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij met het oog daarop redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van belang. Omdat partijen bij het maken en vastleggen van de afspraken werden bijgestaan door advocaten en de afspraken – volgens de ondertekende vastlegging ervan – waren bedoeld als minnelijke regeling, komt een groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Maar ook dan kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht.
Baarn Beheer nam een onvoorwaardelijke betalingsverplichting van € 338.800 op zich
3.5.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat Baarn Beheer op 14 juli 2022 een onvoorwaardelijke betalingsverplichting op zich heeft genomen. Het hof sluit zich aan bij, en neemt over, de overwegingen 3.5 tot en met 3.7 in het vonnis van 1 maart 2023 en de overwegingen 3.2 tot en met 3.4 in het vonnis van 3 januari 2024. Kort gezegd komt het erop neer dat Baarn Beheer volgens artikel 2 van Pro de overeenkomst een bedrag van € 338.800 zou betalen aan Kwakkenbos . Daaraan waren in de overeenkomst geen voorwaarden gesteld. De uitwerking die nog zou volgen (artikel 1), diende slechts om Woningborg haar planacceptatie gestand te laten doen (artikel 3). Baarn Beheer zou met deze betaling bijdragen aan het door gestegen bouwkosten ontstane tekort (artikelen 2 en 4). Niet is afgesproken dat Kwakkenbos de daadwerkelijke bouwkostenstijging later zou moeten onderbouwen en/of dat de betalingsverplichting van Baarn Beheer afhankelijk zou zijn van de uiteindelijke werkelijke stijging van de bouwkosten. Dat staat niet in de overeenkomst en Baarn Beheer heeft ook niet geconcretiseerd wanneer, hoe en tussen wie een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt. Dat in het gesprek van 14 juli 2022 een door Kwakkenbos opgestelde calculatie van 30 juni 2022 voorlag, betekent – anders dan Baarn Beheer betoogt – niet dat er logischerwijze een finale calculatie zou volgen. Als Baarn Beheer dat had gewild, had zij dat aan Kwakkenbos kenbaar moeten maken en de voorwaarde van nacalculatie moeten stellen. Dat heeft zij niet gedaan, althans nergens uit blijkt dat die voorwaarde tussen partijen is overeengekomen. De vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst kan onbeantwoord blijven. Ook als dat niet het geval is heeft Baarn Beheer geen feiten aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat partijen – gezien hun verklaringen en de betekenis die zij daaraan redelijkerwijs mochten toekennen – een voorwaardelijke betalingsverplichting hebben afgesproken. Haar subsidiaire stelling dat zij slechts aangesproken kan worden op de helft van de stijging van de daadwerkelijke bouwkosten omdat dit de insteek bij de bespreking was, heeft Baarn Beheer niet toegelicht. Zonder onderbouwing valt niet in te zien waarom Baarn Beheer niet gehouden kan worden aan de onvoorwaardelijke betalingsverplichting van € 338.800 die zij op 14 juli 2022 op zich genomen heeft.
Geen vernietiging van die verplichting wegens dwaling
3.6.
Baarn Beheer beroept zich, naar het hof begrijpt, op vernietiging van de overeenkomst van 14 juli 2022 wegens dwaling. Baarn Beheer onderbouwt haar beroep met het standpunt dat Kwakkenbos de kopers verkeerd heeft geïnformeerd over de vervulling van de opschortende voorwaarde. Baarn Beheer heeft echter niet duidelijk kunnen maken waarom dit in de verhouding tussen Kwakkenbos en Baarn Beheer van belang zou zijn. Feit is dat de kopers hebben geaccepteerd dat de aannemingsovereenkomsten door het niet intreden van de opschortende voorwaarde niet tot stand zijn gekomen (hetgeen blijkt uit de inhoud van hun aansprakelijkstelling van de notaris op 13 juli 2022, productie 2 bij memorie van antwoord van Kwakkenbos ) en het gesprek op 14 juli 2022 hebben geïnitieerd om uit de impasse te komen. Hierdoor is evenmin relevant dat in de algemene voorwaarden bij de aannemingsovereenkomsten was bepaald dat doorberekening van toegenomen bouwkosten was uitgesloten. Bovendien stond het partijen en kopers uiteraard vrij later een andersluidende afspraak te maken, om het vastgelopen project los te wrikken.
3.7.
Voor zover Baarn Beheer betoogt dat zij heeft gedwaald omdat de calculatie van Kwakkenbos die tijdens de bespreking van 14 juli 2022 voorlag niet juist was, overweegt het hof het volgende.
Aan de hand van de calculatie van 30 juni 2022 heeft Kwakkenbos aan Baarn Beheer laten zien dat de oorspronkelijke bouwkosten met ruim € 600.000 inclusief btw waren gestegen. De calculatie van juni 2022 sloot op € 5.131.154 inclusief btw. In augustus 2022 heeft Baarn Beheer een calculatie laten uitvoeren door [naam2] . Deze calculatie sloot op € 5.092.156 inclusief btw. Dit is een verhoudingsgewijs klein verschil van slechts € 38.998, terwijl als onbetwist vaststaat dat [naam2] niet alle kosten heeft begroot die in de aanneemsom zaten. Op grond van deze gegevens heeft Kwakkenbos gemotiveerd betwist dat zij met de overgelegde calculatie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Baarn Beheer , die niet ter zitting bij het hof is verschenen, heeft hier niet meer op gereageerd. Zij heeft ook niet betwist dat, zoals Kwakkenbos ter zitting heeft gesteld, de uiteindelijke bouwkosten min of meer overeen kwamen met de in juni 2022 gecalculeerde bouwkosten.
3.8.
Gelet op het voorgaande heeft Baarn Beheer onvoldoende gemotiveerd gesteld dat haar een beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling toekomt omdat Kwakkenbos bij de bespreking van 14 juli 2022 zaken verkeerd heeft voorgespiegeld.
Baarn Beheer is ook btw verschuldigd
3.9.
Het hof volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat Baarn Beheer gehouden is om het bedrag inclusief btw (dus € 338.800) aan Kwakkenbos te betalen. Het hof verwijst naar overweging 3.7 in het vonnis van 3 januari 2024. Dat een bedrag inclusief btw zou worden betaald blijkt uit artikel 2 van Pro de overeenkomst, waarvan in deze procedure nakoming wordt gevorderd. Baarn Beheer heeft ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt waarom geen btw verschuldigd zou zijn. Dat Kwakkenbos en Baarn Beheer betaalde btw kunnen aftrekken, is niet relevant. Voor ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van Kwakkenbos heeft Baarn Beheer te weinig gesteld. Kwakkenbos moet door haar ontvangen btw immers afdragen aan de Belastingdienst, zodat zonder toelichting niet valt in te zien waarom sprake zou zijn van verrijking aan de kant van Kwakkenbos .
Bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant]
3.10.
Vast staat dat Baarn Beheer het bedrag van € 338.800, althans € 338.000, ondanks een veroordeling daartoe in de vonnissen van 1 maart 2023 en 3 januari 2024, niet aan Kwakkenbos heeft betaald. Ook staat vast dat Baarn Beheer geen verhaal biedt voor de vordering van Kwakkenbos .
3.11.
De rechtbank heeft in overwegingen 3.4 en 3.5 van het vonnis van 28 februari 2024 het juridisch kader voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder juist weergegeven. [appellant] heeft daarover ook niet geklaagd. Het hof sluit zich ook aan bij, en neemt over, de overwegingen van de rechtbank in 3.11 en 3.13 van dat vonnis, kort gezegd inhoudende dat sprake is van betalingsonwil aan de zijde van [appellant] en dat [appellant] er als bestuurder van Baarn Beheer bewust voor heeft gekozen om de vordering van Kwakkenbos niet te betalen, terwijl dat wel mogelijk was geweest. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven ook erkend dat er geen sprake was van een niet toereikende financiële situatie bij Baarn Beheer ten tijde van het aangaan van de afspraken in juli 2022. Volgens [appellant] was de reden dat hij desondanks niet namens Baarn Beheer het overeengekomen bedrag heeft betaald, gelegen in het feit dat Kwakkenbos volgens hem een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven tijdens de bespreking van 14 juli 2022. Hiervoor is echter al vastgesteld dat dit niet is komen vast te staan en dat Baarn Beheer op grond van de op die datum gesloten overeenkomst gehouden was het bedrag van € 338.800 aan Kwakkenbos te betalen. [appellant] moest, als bestuurder van Baarn Beheer , ervoor zorgen dat Baarn Beheer aan die betalingsverplichting voldeed. Door dat niet te doen heeft [appellant] bewerkstelligd dat Baarn Beheer haar contractuele verplichting niet is nagekomen. Dat Baarn Beheer in beroep is gegaan tegen de vonnissen van 1 maart 2023 en 3 januari 2024 leidt niet tot een ander oordeel. De daarin uitgesproken veroordelingen zijn immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat ze direct moesten worden uitgevoerd, ongeacht een hoger beroep door Baarn Beheer . Dit betekent dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade van Kwakkenbos van € 338.800, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2022 (de ingangsdatum van de door Baarn Beheer op grond van het vonnis van 3 januari 2024 te betalen wettelijke rente).
De betalingsverplichting van [appellant] kan niet worden vernietigd
3.12.
De rechtbank heeft in het vonnis van 3 januari 2024 geoordeeld dat de afspraak dat [appellant] in privé € 75.000 aan Kwakkenbos zou betalen als de vordering op de notaris niet te gelde zou worden gemaakt (artikel 8 van Pro de overeenkomst), vernietigbaar is op grond van artikel 1:88 BW Pro en dat de echtgenote van [appellant] zich (kennelijk) hierop heeft beroepen. Om die reden heeft de rechtbank Kwakkenbos ’ vordering tot betaling van € 75.000 door [appellant] afgewezen.
3.13.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtgenote van [appellant] op 9 mei 2025 een beroep heeft gedaan op vernietiging van de overeenkomst omdat zij [appellant] geen toestemming had gegeven voor een persoonlijke garantstelling. Partijen verschillen van mening over de vraag of de in artikel 8 van Pro de overeenkomst gemaakte afspraak een rechtshandeling is waarvoor [appellant] op grond van artikel 1:88 BW Pro de toestemming van zijn echtgenote nodig had en of zijn echtgenote – die die toestemming niet had verleend – dus al dan niet de bevoegdheid had om deze afspraak op grond van artikel 1:89 BW Pro te vernietigen.
3.14.
Het hof stelt voorop dat het toestemmingsvereiste slechts geldt voor rechtshandelingen die met zoveel woorden in artikel 1:88 lid 1 BW Pro worden genoemd. Zoals de Hoge Raad heeft uitgemaakt, zou het niet stroken met de rechtszekerheid indien het toestemmingsvereiste zou worden uitgebreid tot niet in het artikellid genoemde rechtshandelingen. [1] In dit geval spraken partijen af dat Kwakkenbos en [appellant] beiden 50% zouden bijdragen in het risico dat het resterende tekort van € 150.000 niet op de notaris verhaald zou kunnen worden (artikel 4 tot Pro en met 8 van de overeenkomst). [appellant] zou dan maximaal € 75.000 aan Kwakkenbos betalen. Baarn Beheer stond buiten deze afspraak. [appellant] heeft zich dus niet als borg of als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden voor een betalingsverplichting van Baarn Beheer (of een ander), noch zich sterk gemaakt voor een ander of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbonden. Hij heeft een eigen, zelfstandige betalingsverplichting van maximaal € 75.000 op zich genomen. Dat is niet een geval als benoemd in artikel 1:88 lid 1 BW Pro. Dat partijen, in navolging van mr. Van de Vijver , in eerste instantie hebben gedacht dat de echtgenote van [appellant] de overeenkomst mede moest ondertekenen in verband met de privé-verplichting die [appellant] op zich nam, maakt dat niet anders. Ook het feit dat Kwakkenbos in de inleidende dagvaarding in de zaak met nummer 200.346.890 de verplichting die [appellant] op zich had genomen bestempelde als een borgstelling (zie randnummer 29), maakt – gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep – niet dat zij daar in hoger beroep geen ander standpunt over mag innemen.
3.15.
De echtgenote van [appellant] kon de voorwaardelijke verplichting tot betaling van maximaal € 75.000 aan Kwakkenbos dus niet vernietigen. Omdat de vordering op de notaris niet te gelde is gemaakt, is de voorwaarde waaronder die verplichting is aangegaan, vervuld. Het betoog van [appellant] dat Kwakkenbos haar schade had kunnen beperken door de vordering op de notaris alleen aan haar te laten cederen, miskent dat partijen dat niet hebben afgesproken en dat Kwakkenbos nakoming vordert van een gemaakte afspraak en geen schadevergoeding. Dat betekent dat [appellant] op grond van artikel 8 van Pro de overeenkomst € 75.000 aan Kwakkenbos moet betalen. Als onbetwist zal ook de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 oktober 2022 worden toegewezen.
Geen verplichting tot betaling van € 75.000 extra
3.16.
In hoger beroep heeft Kwakkenbos haar eis jegens [appellant] vermeerderd tot € 150.000. Zij stelt zich op het standpunt dat [appellant] , omdat hij geen medewerking heeft verleend aan de cessie die volgens artikel 7 van Pro de overeenkomst zou plaatsvinden, tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daardoor kan Kwakkenbos het bedrag van € 75.000 dat zij op grond van artikel 8 maximaal Pro zou dragen, niet op de notaris verhalen. [appellant] betwist aansprakelijk te zijn voor het deel van € 75.000 dat Kwakkenbos zou dragen.
3.17.
Het hof overweegt dat Kwakkenbos het causaal verband tussen het niet meewerken aan de cessie en haar schade niet heeft onderbouwd. Zij heeft niet (gemotiveerd) gesteld dat de kopers enig bedrag (laat staan € 150.000) van de notaris hadden weten te verkrijgen en/of dat Kwakkenbos en [appellant] na cessie van de vordering van de kopers (met succes) een aansprakelijkheidsprocedure tegen de notaris zouden zijn begonnen. [appellant] kan op grond van artikel 7 en Pro 8 van de overeenkomst dus slechts tot betaling van € 75.000 worden veroordeeld.
Geen bewijslevering
3.18.
Omdat partijen geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die tot andere oordelen kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering.
De conclusie
3.19.
Het principale hoger beroep van Baarn Beheer en [appellant] slaagt niet. Omdat zij in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof Baarn Beheer en [appellant] tot betaling van de proceskosten in het principale hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [2]
3.20.
Het incidentele beroep van Kwakkenbos slaagt voor de helft. Daarom moet elke partij zijn eigen kosten van het incidenteel hoger beroep dragen (compensatie van proceskosten).
3.21.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis in incident van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 maart 2023;
4.2.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 januari 2024, behoudens voor zover daarin de reconventionele vordering tot betaling van € 75.000 door [appellant] is afgewezen, vernietigt het vonnis in zoverre en:
veroordeelt [appellant] in reconventie alsnog tot betaling aan Kwakkenbos van een bedrag van € 75.000, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 oktober 2022 tot de dag van algehele voldoening;
4.3.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 februari 2024, met dien verstande dat het in 4.1 toegewezen bedrag van € 338.000 wordt gewijzigd in € 338.800;
4.4.
veroordeelt Baarn Beheer en [appellant] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van Kwakkenbos in het principale hoger beroep, tot op heden begroot op:
€ 13.122 aan griffierecht
€ 9.414 aan salaris van de advocaat van Kwakkenbos (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI);
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incidentele hoger beroep draagt;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, M. Wallart en S.I. Geerling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8201.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.