ECLI:NL:GHARL:2026:1652

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
23/1449
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BPMArt. 4a Uitvoeringsbesluit BPMArt. 1 Richtlijn 1999/37/EGArt. 6:119 BWArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over teruggaaf BPM bij export voertuigen met duurzame inschrijving in Duitsland

Belanghebbende kreeg naheffingsaanslag BPM, belastingrente en boetebeschikking opgelegd na export van acht voertuigen met tenaamstelling vervallen in Nederland en duurzame inschrijving in Duitsland. De rechtbank vernietigde deze aanslagen en boete en kende vergoeding immateriële schade toe wegens overschrijding redelijke termijn.

De Inspecteur stelde in hoger beroep dat niet aan de voorwaarden van artikel 14a Wet BPM was voldaan en dat sprake was van fraus legis. Het Hof oordeelde dat de voertuigen duurzaam waren ingeschreven in Duitsland en dat de teruggaaf terecht was verleend. Fraus legis werd verworpen omdat de wetgever expliciet duurzame inschrijving toeliet zonder minimumduur.

Het Hof bevestigde de redelijke termijnoverschrijding en verhoogde de vergoeding immateriële schade. Ook werd de proceskostenvergoeding gehandhaafd en het griffierecht met rente toegewezen. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Uitkomst: Hof bevestigt recht op teruggaaf BPM bij duurzame inschrijving in Duitsland en wijst hogere immateriële schadevergoeding toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1449
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2023, nummer AWB 19/2599, ECLI:NL:RBGEL:2023:2226, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur
alsmede
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd naar een bedrag van € 16.130 en een beschikking belastingrente afgegeven voor een bedrag van € 550. Daarnaast heeft de Inspecteur aan belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 4.032.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking vernietigd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 3.000, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 2.684,50 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 174 aan belanghebbende moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door A.F.M.J. Verhoeven als gemachtigde. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
In de periode van 24 februari 2016 tot en met 30 december 2016 zijn op verzoek van belanghebbende teruggaven van BPM verleend op grond van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) in verband met de export van acht voertuigen (hierna: de voertuigen) waarvan de tenaamstelling in het kentekenregister is vervallen.
2.2.
De Inspecteur is op 6 juni 2017 een boekenonderzoek gestart naar deze teruggaven. Van het onderzoek is een controlerapport opgemaakt. In het controlerapport zijn de volgende omstandigheden opgenomen:
  • de voertuigen zijn in Duitsland geregistreerd;
  • het Duitse kentekenbewijs wordt per koerier bezorgd bij belanghebbende;
  • de voertuigen zijn verkocht aan afnemers buiten de EU of EER;
  • voor de export van de voertuigen is een douaneaangifte gedaan;
  • op de verkoopfactuur staat het buitenlandse adres vermeld;
  • op de verkoopfactuur is een vervoersverklaring opgenomen waarop de koper verklaart de voertuigen buiten de EU en EER te brengen;
  • de voertuigen zijn buiten de EU of EER gebracht.
2.3.
In het controlerapport van het boekenonderzoek is verder in de slotopmerkingen opgemerkt dat de gevolgen van het onderzoek op 8 september 2017 met belanghebbende en zijn adviseur zijn besproken en dat hij het niet eens is met de correcties en de opgelegde boete.
2.4.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van het onder 2.2 genoemde onderzoek met dagtekening 9 november 2017 de naheffingsaanslag opgelegd, alsmede de beschikking belastingrente en de boetebeschikking.
2.5.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking vernietigd omdat naar het oordeel van de Rechtbank is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op teruggaaf van BPM, zoals opgenomen in artikel 14a van de Wet BPM (tekst 2016).

3.Geschil

3.1.
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente heeft opgelegd. De door de Rechtbank vernietigde boetebeschikking is niet langer in geschil.
3.2.
De Inspecteur betoogt primair dat niet aan de voorwaarden van artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM is voldaan omdat de voertuigen rechtstreeks naar landen buiten de EU/EER zijn gebracht. Subsidiair stelt de Inspecteur dat sprake is van fraus legis.
3.3.
Belanghebbende betoogt dat is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM (tekst 2016), zodat terecht een teruggaaf is verleend ter zake van de export van de voertuigen. In het incidentele hoger beroep stelt belanghebbende dat recht bestaat op hogere vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten, en dat de vergoeding van het griffierecht moet worden vermeerderd met rente vanaf de dag waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald.

4.Beoordeling van het geschil

Recht op teruggaaf
4.1.
Artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM (tekst 2016) luidt als volgt:
Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.
4.2.
Artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2016; hierna: Uitvoeringsbesluit) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht (…)
(…)
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4.3.
De uitzondering in artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM voor een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig, is ingevoerd per 1 januari 2016. Deze wijziging is als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 3, p. 5 en 18):
“(...) De teruggaafregeling bij export van motorrijtuigen van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) wordt zodanig aangepast dat de BPM-teruggaaf alleen wordt verleend indien het geëxporteerde motorrijtuig, overeenkomstig de Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Richtlijn 1999/37/EG) duurzaam is ingeschreven in een andere EU-lidstaat of in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte (EER). Dit werpt een drempel op tegen het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf bij export naar een land buiten de EU/EER via een bijvoorbeeld tijdelijke registratie in een land binnen de EU/EER.
(…)
Dc Belastingdienst heeft namelijk geconstateerd dat een deel van de uit Nederland naar een ander land binnen de EU/EER geëxporteerde motorrijtuigen direct nadat deze motorrijtuigen kortdurend waren geregistreerd in dat andere land van de EU/EER, wordt geëxporteerd naar een land buiten de EU/EER. Deze kortdurende registratie in dat andere land binnen de EU/EER dient dan uitsluitend het doel een teruggave van BPM te verkrijgen. (…) Als gevolg van de wijziging van artikel 14a van de Wet BPM 1992 wordt een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn voortaan niet meer geaccepteerd als basis voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen. Het gaat hierbij om tijdelijke registraties - in de richtlijn «tijdelijke inschrijving» genoemd - ten blijke waarvan documenten worden afgegeven dan wel gebruikt die niet in alle opzichten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn. Bij een export naar een ander land binnen de EU/EER, waar een motorrijtuig duurzaam ingeschreven wordt, zal in dat land geen tijdelijke maar een permanent kenteken worden aangevraagd en kan teruggave worden verkregen. In de gevallen waarin toch een tijdelijk kenteken wordt aangevraagd omdat het motorrijtuig bijvoorbeeld via Duitsland naar een ander EU-land wordt geëxporteerd, moet degene op wiens naam het motorrijtuig in Nederland was geregistreerd wachten met het terugvragen van de BPM tot het motorrijtuig in het definitieve EU-land van bestemming permanent is ingeschreven. Een teruggave van BPM blijft in die gevallen mogelijk.
(…)”
4.4.
In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 4, p. 3, 6 en 7):
“(...) De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin - ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER - eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft.
(...)
Het onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM doet zich met name voor bij export op basis van een tijdelijke kentekenregistratie in een ander land dan Nederland binnen de EU/EER. Een dergelijk gebruik van de regeling wordt veroorzaakt doordat een tijdelijke kentekenregistratie vaak op eenvoudige wijze, tegen lage kosten en met weinig administratieve lasten in dat andere land binnen de EU/EER is te verkrijgen. Zo is het mogelijk op grond van een dergelijk, tijdelijk kenteken een teruggaaf van BPM te krijgen. terwijl het motorrijtuig - al dan niet rechtstreeks - geëxporteerd wordt naar een land buiten de EU/EER. Met deze maatregel wordt een drempel opgeworpen tegen dit onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM. Uiteraard blijft het - zoals de Afdeling terecht opmerkt - mogelijk om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
(…)
Het doel van de voorgestelde aanpassing van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) is om het in aanmerking komende deel van het op een motorrijtuig drukkende BPM terug te geven, indien dat motorrijtuig niet meer in Nederland, maar in een ander land van de EU/EER is geregistreerd, maar dan alleen in de situatie dat het betreffende motorrijtuig in dat andere land van de EU/EER duurzaam is geregistreerd. Hierbij geldt dat voldaan moet blijven worden aan het Europese recht ter zake van het heffen van een registratiebelasting bij duurzaam gebruik van een motorrijtuig in Nederland, namelijk de Richtlijn Kentekenbewijzen.
Zoals hiervoor gemeld is ervoor gekozen aan te sluiten bij kentekenregistraties op basis van de Richtlijn Kentekenbewijzen. Om te voorkomen dat de artikel 1, tweede volzin, van die richtlijn bedoelde tijdelijke registraties ook zouden kunnen leiden tot teruggave van BPM was in de voorgestelde aanpassing van artikel 14a van de Wet BPM 1992 opgenomen dat kentekenbewijzen «in alle opzichten» moeten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn. Echter, in het licht van de opmerkingen van de Afdeling en om verder te verduidelijken dat teruggave van BPM alleen wordt verleend indien sprake is van permanente registratie in een ander EU/EER-land zijn het voorstel van wet en de memorie van toelichting op dit punt aangepast.
(…)”
4.5.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij de hiervoor genoemde wijziging is het volgende opgenomen (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 6, p. 11-14):
“(…)
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de teruggaafregeling van de BPM exact wordt aangescherpt.
In de huidige situatie geeft elke inschrijving van een motorrijtuig (export) in een andere lidstaat respectievelijk land binnen de EU/EER recht op een teruggaaf van BPM. De voorgestelde aanscherping van de teruggaafregeling BPM beperkt deze teruggaaf van BPM tot die situaties waarin sprake is van een duurzame inschrijving in een andere lidstaat of ander land binnen de EU/EER. Dit sluit beter aan bij de Europese regelgeving van inschrijving van het kentekenbewijs, te weten Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Het gevolg van de aanscherping is dat een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving in andere EU-lidstaat of ander EER-land niet wordt geaccepteerd als grond voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen.
(…)
De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet verwacht dat naar aanleiding van de voorgestelde maatregel het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf zal worden teruggedrongen. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie en het lid Van Vliet vragen naar onbedoeld gebruik van de BPM-teruggaaf regeling door via een duurzame inschrijving van een motorrijtuig in een andere EU-/EER-staat het motorrijtuig alsnog te exporteren naar een derde staat buiten de EU/EER. De leden van de fractie van het CDA en het lid Van Vliet vragen daarbij tevens wat een duurzame inschrijving in een EU-/EER (lid)staat inhoudt.
Met de genomen maatregel wordt een drempel opgeworpen om onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM bij export van motorrijtuigen zo veel mogelijk te voorkomen. lk realiseer mij dat deze drempel geen muur is, maar maatwerk binnen het Europese vrije verkeer. De teruggaafregeling van BPM bij export sluit op deze wijze beter aan bij de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Op 8 juni jl. heb ik aangegeven dat het uiteraard mogelijk blijft om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een andere EU-lidstaat of ander EER-land het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER en dat met de aanpassing van artikel 14a Wet BPM 1992 een drempel wordt opgeworpen tegen onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM. [voetnoot: Kamerstukken II, 2014/15, 34 220, nr. 4.]
Met een duurzame inschrijving wordt bedoeld dat het motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. In de praktijk betekent dit het kunnen overleggen van een permanent kentekenbewijs dat voldoet aan de voorwaarden van de Richtlijn kentekenbewijzen. Hierdoor zullen tijdelijke kentekenregistraties (een kentekenregistratie met een beperkte geldigheidsduur of een kentekenregistratie die niet voldoet aan de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen) geen recht meer geven op een teruggaaf van BPM bij export.
De leden van de fracties van de PvdA, ChristenUnie, D66, het CDA, de SP en het lid Van Vliet vragen op welke wijze de Belastingdienst controleert of een motorvoertuig duurzaam is ingeschreven in een EU-lidstaat of een EER-land.
Om teruggaaf van BPM bij export te krijgen moet een verzoek om teruggaaf worden ingediend bij de Belastingdienst. Bij een verzoek om teruggaaf dient de aanvrager een kopie van het buitenlandse kentekenbewijs te voegen. De Belastingdienst beschikt over een lijst van specimen van kentekenbewijzen van alle EU-lidstaten en EER-landen die voldoen aan de voorwaarden van de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Aan de hand van deze lijst van voorbeelden van «permanente» kentekenbewijzen kan de Belastingdienst vervolgens beoordelen of de bij het verzoek om teruggaaf gevoegde kopie van het buitenlandse kentekenbewijs voorkomt op deze lijst. Als dat het geval is zal de Belastingdienst teruggaaf van BPM verlenen aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld, direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.
(…)
De leden van de fractie van de PvdA vragen of er een minimumperiode van toepassing is voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig op een buitenlands kenteken. Verder vragen deze leden of de BPM direct bij export wordt teruggegeven en later wordt teruggevorderd als het motorrijtuig niet duurzaam ingeschreven staat.
Er geldt geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Als in een later stadium blijkt dat ten onrechte BPM
is teruggegeven dan zal de Belastingdienst dat bedrag aan BPM naheffen van de indiener van
het verzoek om teruggaaf.
(…)
Volgens de NOB is de maatregel die misbruik van de BPM-teruggaafregeling dient te bemoeilijken disproportioneel, omdat er geen tegenbewijsregeling in is opgenomen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen een reactie van het kabinet op dit commentaar.
Het commentaar van de NOB dat deze maatregel in de BPM-teruggaafregeling disproportioneel is, kan ik niet plaatsen. Met deze maatregel wordt geen drempel opgeworpen voor het vrije dienstenverkeer. De aanpassing van artikel 14a Wet BPM 1992 is geen belemmering van het Europese vrij verkeer: voor een duurzaam geregistreerd motorrijtuig in een andere EU-lidstaat of een ander EER-land blijft de teruggaafregeling onverminderd van toepassing. Ik ben van mening dat door de eis van een duurzame inschrijving de teruggaafregeling BPM beter aansluit bij EU-richtlijn 1999/37/EG. Ook in geval waarin sprake is van een tijdelijke inschrijving is teruggave van BPM op een later moment nog mogelijk. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin een tijdelijk kenteken wordt aangevraagd omdat het motorrijtuig bijvoorbeeld via Duitsland naar een andere EU-lidstaat of een ander EER-land wordt geëxporteerd. Na een permanente inschrijving van het motorrijtuig in die EU-lidstaat of in dat EER-land kan degene op wiens naam het motorrijtuig in Nederland was geregistreerd binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister alsnog het in aanmerking komende deel van de op het motorrijtuig rustende BPM terugvragen. Het opnemen van een tegenbewijsregeling acht ik om die reden niet nodig.
(…)”
4.6.
De memorie van antwoord vermeldt het volgende (Kamerstukken I 2015-2016, 34 220, B, p. 2-3):
“(…)
Ten aanzien van de aanpassing van de teruggaafregeling van BPM bij export van motorrijtuigen vragen de leden van de fractie van D66 waarom geen minimumperiode van een duurzame inschrijving is opgenomen.
Er geldt op grond van recht van de Europese Unie (EU) geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in een land van de Europese Economische Ruimte (EER) waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. Van belang voor de teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) is dat bet motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan, verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Het invoeren van een minimumperiode zou betekenen dat de Belastingdienst deze motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode zou moeten blijven volgen. Dit is voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk. Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is.
(…)”
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de voertuigen, na het vervallen van de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister, in Duitsland niet een tijdelijke inschrijving als bedoeld in artikel 1 van Pro Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 hebben gekregen, maar een zogenoemde duurzame inschrijving. Nu belanghebbende ook aan de overige voorwaarden heeft voldaan – er is geen sprake van schadevoertuigen, de voertuigen zijn buiten Nederland gebracht en bij de teruggaafverzoeken zijn kopieën van kentekenbewijzen overgelegd – heeft hij naar het oordeel van het Hof recht heeft op teruggaaf van BPM.
4.8.
Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn stelling dat de duurzame inschrijving in het andere EU/EER-land eveneens een duurzaam (in de zin van lang durend) karakter moet hebben. Hiermee zou een verdergaande eis worden gesteld dan volgt uit de tekst van artikel 14a van de Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. Bij de parlementaire behandeling van de wijziging van artikel 14a van de Wet BPM is hierover opgemerkt dat wordt aangesloten bij een duurzame inschrijving in een andere EU-lidstaat of ander EER-land waaronder wordt verstaan een inschrijving voor onbepaalde tijd (zie 4.5), en dat geen minimumperiode van inschrijving in dat land geldt, omdat het voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk is om motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode te volgen (zie 4.6). Aangezien de voertuigen alle een inschrijving voor onbepaalde tijd in een andere EU-lidstaat (Duitsland) hadden, is aan de hiervoor genoemde voorwaarde voldaan.
4.9.
Ook het standpunt van de Inspecteur dat de voertuigen naar het andere EU/EER-land moeten zijn gebracht faalt, omdat dit evenmin volgt uit artikel 14a van de Wet BPM dan wel artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2016). Deze bepalingen schrijven immers niet méér voor dan dat de voertuigen buiten Nederland worden gebracht, hetgeen belanghebbende heeft gedaan. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat de tot zijn bedrijfsvoorraad behorende voertuigen op een terrein in Duitsland stonden en dat de voertuigen ook na het vervallen van de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister in Duitsland zijn geweest, aangezien dit de enige reële optie was om de voertuigen bij haar afnemers buiten de EU/EER te krijgen.
Fraus legis
4.10.
De Inspecteur heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van fraus legis. Het leerstuk van fraus legis kan worden toegepast indien i) het handelen van een belastingplichtige uitsluitend of volstrekt overwegend is ingegeven door belastingverijdelende motieven (motiefvereiste), en ii) daarmee in strijd met doel en strekking van de wet wordt gekomen (normvereiste).
4.11.
Het Hof is van oordeel is dat niet is voldaan aan het normvereiste, waardoor fraus legis geen toepassing kan vinden. Daartoe overweegt het Hof dat de regeling van artikel 14a van de Wet BPM per 1 januari 2016 is aangescherpt, waarbij een tijdelijke inschrijving van teruggaaf is uitgesloten. Bij de parlementaire behandeling hiervan is een situatie als de onderhavige expliciet aan de orde geweest (inschrijving in Duitsland, gevolgd door export buiten de EU/EER), zowel in de Tweede Kamer als de Eerste Kamer. Verder heeft ook de Afdeling advisering van de Raad van State vragen gesteld over de effectiviteit van de voorgestelde wijziging. In reactie daarop heeft de wetgever opgemerkt dat de aanscherping ziet op tijdelijke kentekenregistraties en dat het mogelijk blijft om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
4.12.
De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen minimumperiode te laten gelden voor het duurzaam ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet. Of is voldaan aan het motiefvereiste kan dan in het midden blijven.
Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg
4.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade te laag heeft vastgesteld. Belanghebbende is van mening dat de Rechtbank wat betreft de aanvang van de redelijke termijn is uitgegaan van een onjuiste datum omdat in dit geval een boete in geschil is. Tevens is hij van mening dat op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond de redelijke termijn te verlengen.
4.14.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [voetnoot: ECLI:NL:HR:2016:252.]
25. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [voetnoot: Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
26. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 21 november 2017. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) drie jaar en vijf maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet redenen om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. Tussen de gemachtigde en verweerder heeft in alle lopende BPM-zaken overleg plaatsgevonden om te proberen een compromis te bereiken. De gemachtigde heeft toegezegd zich niet te beroepen op overschrijding van de redelijke termijn vanaf 19 november 2019 voor de duur van het overleg. Dit overleg is op 17 februari 2020 geëindigd, het betreft dus een periode van drie maanden. De eerste zitting in deze zaak was gepland op 9 april 2020. Dit is in de periode tussen 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020 dat de gerechtsgebouwen gesloten waren in verband met de uitbraak van het coronavirus. Dit is een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. [voetnoot: Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.] De rechtbank zal de redelijke termijn van twee daarom verlengen met een periode van 5 [voetnoot: 3 maanden in verband met het overleg over een compromis en 2 maanden in verband met de coronamaatregelen.] maanden. De rechtbank zal de redelijke termijn van twee jaar daarom verlengen met een periode van 5 maanden. De redelijke termijn is dus met 36 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 6 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van verweerder dateert van 2 april 2019. Dit is 9 maanden langer dan zes maanden. Verweerder moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 750 (9/36 x € 3 000) De Staat moet de rest betalen, dus € 2.250. De rechtbank zal verweerder en de Staat veroordelen om deze bedragen aan eiser te betalen.”
4.15.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met de hiervoor onder 4.14 aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof het volgende. Indien zoals in dit geval de procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete betreft, worden de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn naast elkaar toegepast (zie HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Op de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zijn daarom de regels voor de aanvang van de redelijke termijn die gelden voor de boetevermindering niet van toepassing.
4.16.
Verder heeft de Rechtbank terecht de redelijke termijn met vijf maanden verlengd wegens bijzondere omstandigheden. De gemachtigde van belanghebbende heeft niet weersproken dat hij heeft toegezegd zich ook in de onderhavige zaak niet te beroepen op overschrijding van de redelijke termijn gedurende de periode dat overleg plaatsvond. Daarnaast is de sluiting van de gerechtsgebouwen waardoor de geplande zitting op 9 april 2020 geen doorgang kon vinden aan te merken als een bijzondere omstandigheid die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt (vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.2).
4.17.
De Rechtbank heeft echter ten onrechte nagelaten een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn ter zake van de vernietigde boetebeschikking (vgl. HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279). Daarbij geldt dat de redelijke termijn is aangevangen op 8 september 2017 (zie 2.3), de dag van de kennisgeving van het opleggen van een boete (vgl. ABRvS 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2388, r.o. 4). Nu de rechtbank op 18 april 2023 uitspraak heeft gedaan, is de redelijke termijn – rekening houdend met de verlenging van vijf maanden – met afgerond 39 maanden overschreden, zodat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 3.500. Hiervan komt € 1.077 (12/39) voor rekening van de Inspecteur en € 2.423 (27/39) voor rekening van de Staat.
Proceskosten in eerste aanleg
4.18.
Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, overweegt het Hof dat de Rechtbank voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht is uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en terecht heeft geoordeeld dat toepassing van het forfaitaire tarief niet in strijd is met de mensenrechtenverdragen of het Europees recht.
4.19.
Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis (HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5). Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding (HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5). In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.
Rente over de vergoeding van het griffierecht
4.20.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur het griffierecht dient te vergoeden en dat deze vergoeding vermeerderd moet worden met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening. Belanghebbende stelt dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht is vergoed. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet daartoe. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van het griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). Er is voorts geen aanleiding om met betrekking tot de vergoeding van griffierecht de rente op een eerder moment in te laten gaan, ook niet op grond van het Unierecht (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623).
4.21.
Ten aanzien van de hoogte van de vergoede rente overweegt het Hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van die geldsom. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ook voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht (artikel 8:74 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) of (proces)kosten (artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) het uitgangspunt gelden dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358). Voor zover het betoog van belanghebbende ertoe strekt dat de vergoede wettelijke rente geen passende rentevergoeding is, faalt het derhalve. Naar het oordeel van het Hof maakt, anders dan belanghebbende heeft betoogd, het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 23 april 2020, nrs. C-13/18 en C-126/18, ECLI:EU:C:2020:292 (Sole-Mizo), dat niet anders, nu, zoals hiervoor is overwogen, in het onderhavige geval de betaling van rente niet ziet op de ten onrechte ingehouden belastingbedragen.
4.22.
Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, het Hof en de Rechtbank. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 van Pro het VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep
4.23.
Belanghebbende heeft een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 11 mei 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond 11 maanden is overschreden. Er bestaat daarom aanleiding voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 1.000. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Aangezien het hoger beroep ongegrond is, zal van de Inspecteur griffierecht worden geheven zodra deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep en het incidentele hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802 (3 punten (verweerschrift, bijwonen zitting en incidenteel hogerberoepschrift)  wegingsfactor 1  € 934).

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover het de beslissing over de vergoeding van immateriële schade betreft,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– veroordeelt de Inspecteur en de Staat tot vergoeding van immateriële schade in verband met de behandeling van het beroep tot een bedrag van in totaal € 6.500, waarvan € 1.827 voor rekening van de Inspecteur komt en € 4.673 voor rekening van de Staat,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade in verband met de behandeling van het hoger beroep tot een bedrag van € 1.000,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.802, en
– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (T.H.J. Verhagen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.