Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
beschikking van 11 mei 2026
VCMI Veldwerk N.V. (VCMI)
[de werknemer] ( [de werknemer] )
Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het beroepschrift, op de griffie binnengekomen op 19 september 2025
- het verweerschrift, met daarin incidenteel hoger beroep
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep
- de namens VCMI voor de zitting toegestuurde producties
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 februari 2026 is gehouden.
“We hebben een start gemaakt met het opmaken van de jaarrekeningen 2024. (...) Bij het opmaken van de jaarrekeningen konden we de rekening-couranten niet aansluiten en constateren we dat er in de zomer van 2024 per saldo € 5.725 naar [de werknemer](hof: [de werknemer] )
privé wordt overgemaakt, (...)
“Facturatie week 4 net eruit. Betreft [de accountant] spreken wij in [plaats1] af of in [plaats2] ? In [plaats1] kan ik vanaf 11:30 zijn. Fijn weekend!!!”
“Top, Morgen gewoon te [plaats2] om 11:00 uur (...) Tot morgen..”
Nederlandse rechter bevoegd
VCMI N.V. ontvankelijk in alle vorderingen
‘alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend’. [3] Als voorbeeld wordt een vordering uit achterstallig loon genoemd, maar omdat zo’n vordering niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een ontslag heeft de wetgever kennelijk (een duidelijke toelichting ontbreekt) een ruime toepassing van deze bepaling beoogd. Dat sluit ook aan bij het doel van de wetgever namelijk om een dubbele rechtsgang te voorkomen, wat tijd en geld scheelt en het gerechtelijk apparaat minder zwaar belast. VCMI heeft [de werknemer] ontslagen vanwege twee specifieke overboekingen naar hem die zonder recht of titel gedaan zouden zijn, zodat de vordering tot terugbetaling hiervan verband houdt met het ontslag. Het is dan doelmatig om ook de vordering tot terugbetaling van andere overboekingen door [de werknemer] aan zichzelf, beweerdelijk zonder recht en titel, in deze procedure te beoordelen, zeker omdat daaraan in de ontslag op staande voet-brief (zijdelings) wordt gerefereerd. Ook is [de werknemer] in de ontslag op staande voet-brief gesommeerd de bedrijfsmiddelen per omgaande in goede staat in te leveren, en dat is volgens VCMI niet gebeurd, zodat zij nu aanspraak maakt op schadevergoeding. Het zijn daarom ‘daarmee verband houdende andere vorderingen’ in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW zodat VCMI ontvankelijk is in beide vorderingen. De bezwaren (grieven) van VCMI tegen de niet-ontvankelijkverklaring slagen, waardoor de grief over het niet door de kantonrechter toepassen van een ‘spoorwissel’ zoals bedoeld in artikel 69 Rv Pro niet meer hoeft te worden besproken.
ii) het ontslag op staande voet
‘zodat [de accountant] en wij[hof: VCMI en [de werknemer] ]
weer verder kunnen’, heeft zij [de werknemer] verzocht werkzaamheden met betrekking tot de facturatie en het aanstaande bedrijfsuitje uit te voeren en heeft zij [de werknemer] op maandag nog een sollicitatiegesprek laten voeren. Uit dit gedrag is niet af te leiden dat VCMI de handelwijze van [de werknemer] beschouwde als zodanig dat van haar redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarom is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en kan de grief van VCMI over de onverwijldheid van het gegeven ontslag op staande voet niet slagen. Ook het bezwaar van VCMI tegen de toekenning van de vergoeding voor onregelmatige opzegging van artikel 7:672 lid 11 BW Pro slaagt niet.
[de werknemer] is het ook niet eens met de toegekende billijke vergoeding. Volgens hem heeft hij niet verwijtbaar gehandeld. Voor de toekenning van de billijke vergoeding moet naar de situatie van nu worden gekeken, en die is dat hij arbeidsongeschikt is en een Duitse ziekteuitkering ontvangt. [de werknemer] had weliswaar een andere baan (waarmee hij gedurende twee maanden € 4.000 per maand verdiende) maar door de klachten en de impact van het ontslag op staande voet moest hij daarmee stoppen. Als [de werknemer] tot 27 januari 2027 arbeidsongeschikt of werkloos blijft dan is zijn inkomensverlies € 226.710 bruto, met daarnaast nog pensioenschade ter hoogte van € 10.728,72 (24 x € 447,03). Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding van € 237.438,72, daaronder inbegrepen de vergoeding voor gemaakte advocaatkosten.
kantoekennen, maar daartoe is hij niet verplicht. De Hoge Raad (HR) heeft in de New Hairstyle-beschikking [5] overwogen dat in zijn algemeenheid geldt dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en op een niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter moet in de motivering van zijn oordeel inzicht geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Hierbij mag ook rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Er zijn door de HR ook een aantal (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor de begroting van de billijke vergoeding in het geval van een vernietigbare opzegging. Het gaat er bij het vaststellen van de billijke vergoeding uit artikel 7:681 lid 1 aanhef Pro en onder a BW uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hoewel in de hiervoor bedoelde gezichtspunten niet vermeld, kan een eventueel (ook) aan een werknemer te maken dan wel toe te rekenen verwijt een relevante omstandigheid zijn die een toe te kennen billijke vergoeding kan beperken. [6] Ook kan rekening worden gehouden met de aanspraak van de werknemer op een vergoeding voor onregelmatig ontslag.
gestelde leningen’. Volgens VCMI zijn deze bedragen overgeboekt zonder recht of titel, dus te kwalificeren als onrechtmatige onttrekkingen.
Op de rekening moet je maar met pa overleggen’. Volgens [de werknemer] zijn de geschatte kosten van € 60.000 aan hem onder het mom van geldlening verstrekt, wat vervolgens zwart werd uitgekeerd aan de zoon van [de directeur-eigenaar] . Het hof acht deze toelichting, ook gezien wat VCMI daar tegenover zet, onvoldoende. In de notulen van 8 december 2023 staat onder meer:
‘…(wij) gaan (…) een schuur ombouwen naar een kantoorruimte. De doel is dat wij begin 2025 de diensten (…) in Duitsland gaan uitbreiden.(…) Wij verwachten dat de verbouwing midden 2024 klaar is.’In de notulen van 20 december 2024 staat dat de diensten in 2025 in Duitsland zoals besproken zullen worden uitgebreid. Deze notulen geven er geen verklaring voor waarom de overboekingen door [de werknemer] aan zichzelf al in de periode april 2023 tot en met november 2023 plaatsvonden, dus nog voor de eerste aankondiging van de verbouwing. Evenmin is hiermee toegelicht waarom de overboekingen van [de werknemer] de omschrijvingen ‘Tijdelijke lening’ kregen, terwijl het een - naar eigen zeggen - zakelijke verbouwing zou betreffen. [de directeur-eigenaar] heeft betwist dat hij met die omschrijving heeft ingestemd of dat hij zijn zoon zwart wilde laten uitbetalen. [de directeur-eigenaar] wist van de verbouwing en heeft een keer ten behoeve van zijn zoon een envelop met contant geld ontvangen maar dacht dat dat een verbouwing in privé was. Die gedachte acht het hof begrijpelijk nu uit de overgelegde toelichting van de zoon van [de directeur-eigenaar] , ondersteund door app-verkeer (productie 20 in hoger beroep van VCMI), blijkt van een eerste contact tussen hen al in september 2022 en de inschakeling van de zoon vanaf medio 2023 voor diverse privé werkzaamheden in en rond het huis van [de werknemer] . Ter zitting bij het hof heeft [de werknemer] ook niet goed de hoogte van het bedrag van € 59.900 kunnen uitleggen, gelet op een bericht van de zoon van [de directeur-eigenaar] van april 2024 dat de verbouwing in totaal ongeveer € 21.500 zou gaan kosten. Tenslotte heeft VCMI er onweersproken op gewezen dat [de werknemer] juist een werkplek op zolder heeft gemaakt, wat niet te rijmen is met de ombouw van zijn schuur tot kantoor. De conclusie is daarom dat het standpunt van VCMI dat € 59.900 zonder recht en titel door [de werknemer] naar zichzelf is overgemaakt, wat als een ernstig verwijtbaar handelen kan worden gezien.
[de werknemer] heeft betwist dat hij eerder is aangesproken op de overboekingen. Volgens [de werknemer] kan niet worden aangenomen dat er tussen partijen een duidelijke afspraak bestaat dat hij geen gelden mocht overmaken van Veldwerk naar Inspectie en/of Advies, wat hij ook niet meer heeft gedaan. [8] Tegelijkertijd heeft hij gezegd dat er wel een afspraak was namelijk dat hij geen geld meer zou overmaken vanuit Veldwerk naar Inspectie en Advies, wat ook niet meer is gedaan. [9] Maar, wederom volgens [de werknemer] , de afspraak was dat hij geen gelden zou overmaken naar zijn eigen bankrekening vanuit VCMI; er was een miscommunicatie. [10]
We hadden het over die paar K die weg is gegaan’, ‘(...) Heb ik jou beloofd, okay, we gaan dit niet meer doen.’Even later zegt [de directeur-eigenaar] :
‘Dat had je duidelijk beloofd. Echt.’, waarop [de werknemer] vervolgens zegt
’Sindsdien heb ik niets meer op die wijze gedaan’. Het hof neemt daarom aan dat [de werknemer] ten tijde van de overboekingen wist dat die overboekingen niet waren toegestaan, en ze desondanks toch heeft gedaan. Ook is niet weersproken dat de € 5.000 is overgeboekt op het moment dat [de directeur-eigenaar] net met vakantie was.
lange Zeit nicht in der Lage (ist) seine Arbeit nachzugehen’. De psycholoog verklaart verder dat [de werknemer] vanaf augustus 2025 naar het spreekuur komt en dat zij zich aansluit bij de medische verklaringen dat hij als arbeidsongeschikt is aangemerkt. Beide verklaringen sluiten dus niet uit dat [de werknemer] in mei 2025 in staat was werkzaamheden in een andere baan te verrichten, terwijl hij toch medische belemmeringen had voor zijn eigen arbeid, veroorzaakt door het gegeven ontslag op staande voet. Het hof neemt dus aan dat de redenen voor [de werknemer] om af te zien van vernietiging aan VCMI zijn toe te rekenen.
iv) de overgeboekte bedragen
diverse zaken
- [de werknemer] heeft een iPhone 16 met toebehoren gekocht via Amazon en de prijs van
- [de werknemer] heeft een bureaustoel Streetcase gekocht via Amazon en de prijs van € 899 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan hemzelf naar de boekhouder gestuurd.
- [de werknemer] heeft een Jahnke-bureau gekocht via OTTO en de prijs van € 399,99 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan hemzelf naar de boekhouder gestuurd.
- [de werknemer] heeft een TCL QLED-televisie met toebehoren gekocht bij Coolblue, voor een bedrag van € 1.907,90. De factuur is op naam van Inspectie gezet en is aan de boekhouder gestuurd ter betaling aan Coolblue. De televisie is afgeleverd op het huisadres van de moeder van [de werknemer] .
- [de werknemer] heeft een Samsung-televisie met toebehoren gekocht bij Coolblue, voor een bedrag van € 3.942,88. De factuur is op naam van Inspectie gezet en is aan de boekhouder gestuurd ter betaling aan Coolblue. De televisie is door [de werknemer] opgehaald in de winkel in Nijmegen.
drones
€ 15.755,18 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan [de werknemer] naar de boekhouder gestuurd. De aankoop van de drones past binnen de bevoegdheid van [de werknemer] en was volgens VCMI noodzakelijk omdat de drones die tot dan werden gebruikt niet voldeden aan de wettelijke eisen. De drones zijn echter verdwenen.
[de werknemer] heeft verklaard dat deze drones blijkbaar voor Inspectiemedewerkers waren. Er waren meerdere drones ingekocht door schades of nieuwe wetgeving. Voor de rest kan hij zich niets herinneren. De aangekochte drones zijn in de bedrijfspanden van VCMI in [plaats2] .
‘
Op maandag 30 oktober 2023 ben ik na aanleiding van de nieuwe aangekochte drone’s( DJI Mini 4) bezig geweest met het uitpakken uit de verpakking en instellen van deze drone’s. Wij werkte op dat moment met een online platvorm (Airhub). Dit is een online handboek voor het gebruik van de drone, die alles bijhoud. (…) Na de eerste (van de 7 drones) uit de verpakking te hebben gehaald aan het onderzoeken gegaan of ik hun app kon downloaden op de smart controller van de nieuwe DJI Mini 4 door middel van hun informatie. Helaas kwam er al vrij snel achter dat het online platvorm (Airhub) niet zou kunnnen werken op de DJI Mini 4. (…) Na mijn constatering heb dit meteen op 30 oktober 2023 in de middag terug gekoppelt aan Dhr [de werknemer] . Hij vond het raar dat dit niet kon en vroeg om de drone weer in de verpakking te doen en op Dhr. [de werknemer] bureau gezet samen met de andere 6 drones en gaf aan dat hij hier zelf thuis mee verder zal gaan en zou zelf contact opnemen met Airhub.
Ik ben druk met Airhub om alle instellingen te automatiseren’. In zijn verweerschrift in hoger beroep erkent [de werknemer] dat de Airhub-app op dat moment nog niet compatibel was met de DJI Mini 4. Uit verklaringen van diverse medewerkers volgt tenslotte dat [de werknemer] herhaaldelijk heeft gezegd dat de nieuwe drones er aan kwamen en dat zij van [de werknemer] nooit een DJI Mini 4-drone hebben ontvangen. Tegen deze achtergrond mocht van [de werknemer] worden verwacht beter dan nu duidelijk te maken wat er met de drones is gebeurd. Nu vast staat dat [de werknemer] de drones in bezit heeft gehad en niet vast staat dat ze zijn afgegeven aan VCMI of Advies of Inspectie en [de werknemer] evenmin concreet duidelijk heeft gemaakt wat er met de drones is gebeurd acht het hof hem verantwoordelijk voor de vermissing van de drones, waarmee hij niet heeft gehandeld conform de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid die van hem verwacht mocht worden. Onbetwist is dat door dit onrechtmatig handelen een schade van € 15.755,18 is ontstaan zodat het hof die vordering van VCMI zal toewijzen.
vi) de eindafrekening
VCMI heeft erkend vakantiegeld verschuldigd te zijn maar beroept zich op verrekening, zoals blijkt uit de verrekeningsverklaring die zij op 27 februari 2025 heeft uitgebracht. De (hoogte van de) vordering van niet-genoten vakantiedagen wordt betwist. [de werknemer] had als titulair directeur en feitelijk leidinggevende grote vrijheid bij het plannen en opnemen van zijn vakantiedagen. Uit hiaten in e-mailverkeer en uit appjes met de zoon van [de directeur-eigenaar] leidt VCMI af dat hij ook daadwerkelijk vakantie genoot. Omdat hij dat verlof niet doorgaf aan de administratie kon dat dus ook niet worden verwerkt, zodat VCMI niet is tegen te werpen dat zij geen sluitende vakantiedagenadministratie heeft. [de werknemer] moet daarom bewijzen dat hij een vordering uit hoofde van niet genoten vakantiedagen heeft. Voor zover hij die vordering zou hebben beroept VCMI zich op verrekening daarvan met hetgeen zij tegoed heeft van [de werknemer] .
€ 59.900). De wettelijke rente over het door [de werknemer] verschuldigde wordt eveneens toegewezen. Dat betekent ook dat het door VCMI al eerder aan [de werknemer] betaalde bedrag van € 32.881,96 onverschuldigd is betaald en moet worden teruggestort, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.
De beslissing
- de transitievergoeding van € 11.898,76 bruto,
€ 24.263,95;
- over € 59.900 vanaf 1 januari 2024 tot aan 30 juni 2025 en
- over het toegewezen bedrag onder 4.5, vanaf 30 juni 2025,
- over € 5.000 vanaf 26 juli 2024 en
- over € 725 vanaf 3 september 2024
tot aan de dag van volledige voldoening;