Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- een akte houdende producties van [de bestuurder]
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 maart 2026 is gehouden. [de bestuurder] heeft nog op dat verslag gereageerd; die reactie is aan het proces-verbaal gehecht.
2.De kern van de zaak
3.De toelichting op de beslissing van het hof
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
7.1. De AV beslist welke bestemming aan het batig saldo, blijkende uit de vastgestelde jaarrekening, wordt gegeven.
OVERWEGINGEN:
3. GOED OPDRACHTNEMERSCHAP
4. INGEZETTE PERSOON
5. VERGOEDING EN FACTURATIE(…)
5.4 Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de Ingezette Persoon is de op dat moment geldende Vergoeding alleen verschuldigd tot en met de 12e kalendermaand na de maand waarin de ziekte of arbeidsongeschiktheid is begonnen. Van ziekte of arbeidsongeschiktheid is sprake als de Ingezette Persoon voor minder dan 100% arbeidsgeschikt wordt geacht door een arts die deskundig is op het gebied van arbeidsongeschiktheidsvraagstukken, aan te wijzen door de arbodienst van [ [geïntimeerde] ] of door [ [geïntimeerde] ] zelf. Perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met tussenposen van niet meer dan 4 weken worden geacht één periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid te zijn.
5.5 Bij overlijden van de Ingezette Persoon is [ [geïntimeerde] ] een vergoeding aan Opdrachtnemer
7. FISCALITEITEN EN VRIJWARING(…)
voorgenomenontslagbesluit. Daarbij ligt het niet voor de hand dat de raad van commissarissen lichtvaardig tot zo’n voornemen komt, zodat minst genomen de gedachte moet leven dat het beter is zonder de bestuurder verder te gaan. Desalniettemin moeten de uitoefening van de raadgevende stem en het hoorrecht (nog) van invloed kunnen zijn op de daadwerkelijke totstandkoming van het besluit. Daarbij tekent het hof aan dat de raadgevende stem bedoeld is om het belang van de vennootschap te dienen; niet het eigen belang van de bestuurder. [de bestuurder] noemt in zijn memorie van grieven vijf specifieke uitlatingen waaruit zou blijken dat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Het hof gaat daar niet in mee. Een deel van de uitlatingen (uit productie 22 en productie 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft geen betrekking op het ontslagbesluit maar op het besluit om [de bestuurder] als bestuurder te schorsen, dat voorafging aan de beraadslagingen waaruit uiteindelijk het ontslagbesluit is gevolgd. Voor het overige volgt uit de uitlatingen weliswaar dat de raad van commissarissen overtuigd was van zijn voornemen [de bestuurder] te ontslaan en de gedachte dat (de verschillende stakeholders in de onderneming meenden dat) [geïntimeerde] beter af was zonder [de bestuurder] in het bestuur, maar dat is (gelezen in de context en de overige inhoud van de producties 19, 24 en 25) onvoldoende om aan te nemen dat het besluit al vast stond en de commissarissen niet meer open stonden voor beïnvloeding van hun standpunt door [de bestuurder] (en door de aandeelhouders). De vergaderingen waren in dat opzicht ook geen wassen neus. [de bestuurder] heeft in de algemene vergadering ruim gelegenheid gekregen en genomen om zijn positie toe te lichten, ook via zijn advocaat (wiens spreekaantekeningen twaalf bladzijden beslaan). Na een schorsing hebben de commissarissen en de aandeelhouders gelegenheid gekregen op [de bestuurder] te reageren; ook [de bestuurder] heeft aan de discussie daarna deelgenomen. Dat de aandeelhouders en commissarissen niet uitvoerig(er) hebben gereageerd en niet overtuigd zijn geraakt door zijn weerwoord maakt niet dat [de bestuurder] ’ rechten zijn geschonden. De algemene vergadering leverde de raad van commissarissen in ieder geval de informatie op dat de aandeelhouders, naar aanleiding van [de bestuurder] ’ weerwoord, zich niet tegen het voorgenomen besluit keerden. Dat de vergadering van de raad van commissarissen slechts kort duurde, maakt evenmin dat [de bestuurder] ’ rechten geschonden zijn; ook in die vergadering is hij gehoord en overigens waren de commissarissen aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders toen [de bestuurder] met zijn advocaat daar zijn standpunt uiteenzette. Verder is van belang dat de uitlatingen waar [de bestuurder] zich op beroept, steeds uitlatingen aan hem of zijn advocaat zijn. Niet gebleken is dat dergelijke uitlatingen ook aan werknemers of anderen in de organisatie (dan de aandeelhouders), zijn gedaan, waardoor mogelijk zou kunnen worden aangenomen dat de raad van commissarissen zich in een positie had gemanoeuvreerd waaruit hij niet terug kon. [de bestuurder] heeft dit wel gesteld, maar de citaten die volgens [de bestuurder] in de organisatie zijn gecommuniceerd stemmen woord voor woord overeen met de correspondentie aan [de bestuurder] en zijn advocaat, terwijl bij die citaten geen bron vermeld staat en niet van verzending aan anderen is gebleken. Dat ook buiten de organisatie uitlatingen zijn gedaan heeft [de bestuurder] niet gesteld.
omdathij lid werd van [naam1] .