Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4125

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
21-003339-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 152 SvArt. 258 Sv (oud)Art. 255 SvArt. 126j Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde doodslag na cold case onderzoek naar moord in 1996

In deze zaak gaat het om de gekwalificeerde doodslag op Mike Duif in 1996, waarbij verdachte na een cold case onderzoek in hoger beroep is veroordeeld. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van moord, maar veroordeelde hem voor gekwalificeerde doodslag met een gevangenisstraf van vijftien jaar en zes maanden.

De verdediging voerde diverse vormverzuimen aan, waaronder onvolledig pathologisch onderzoek, ondeugdelijk onderzoek naar een mogelijke andere verdachte, en schending van het ondervragingsrecht bij een anonieme bedreigde getuige. Het hof verwierp deze verweren, behalve een gering vormverzuim bij de verbalisering van een bezoek aan de gemeente, dat niet tot niet-ontvankelijkheid leidde.

Het WOD-traject (Werken Onder Dekmantel) werd als rechtmatig beoordeeld, waarbij verdachte belastende verklaringen aflegde die door het hof als betrouwbaar werden aangemerkt. De verklaringen werden ondersteund door forensisch bewijs, getuigenverklaringen en een anonieme bedreigde getuige. Het hof concludeerde dat verdachte de doodslag pleegde met het oogmerk de diefstal van een geldbedrag mogelijk te maken.

De straf werd vastgesteld op vijftien jaar en zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest en een strafkorting wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de nabestaanden voor materiële en immateriële schade, inclusief shockschade. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor gekwalificeerde doodslag op Mike Duif in 1996.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003339-23
Uitspraakdatum: 24 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 juli 2023 met parketnummer 16-286208-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van
20 mei 2026, 27 mei 2026 en 24 juni 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon, en de advocaat van de nabestaanden,
mr. R.E.H. Jager, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Gelderland heeft bij bovengenoemd vonnis het subsidiair tenlastegelegde bewezen verklaard, dit gekwalificeerd als gekwalificeerde doodslag en verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaanden] en [nabestaanden] als nabestaanden.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Verder zal het hof in zijn (bewijs)overwegingen de verweren bespreken die in hoger beroep zijn gevoerd. Mede vanuit het oogpunt van leesbaarheid zal het hof het vonnis integraal vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof kan zich wel verenigen met grote delen van het vonnis en heeft die dan ook – zij het deels in iets andere bewoordingen en/of met aanvullende overwegingen – overgenomen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 februari 1996 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een vuurwapen (een) kogel(s) op die [slachtoffer 1] af te vuren en/of die [slachtoffer 1] in het hoofd, althans het lichaam te raken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 februari 1996 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een vuurwapen (een) kogel(s) op die [slachtoffer 1] af te vuren en/of die [slachtoffer 1] in het hoofd, althans het lichaam te raken, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een geldbedrag van (ongeveer) 13.000 gulden, althans een (groot) geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 februari 1996 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een vuurwapen (een) kogel(s) op die [slachtoffer 1] af te vuren en/of die [slachtoffer 1] in het hoofd, althans het lichaam te raken;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Inleiding
In 1996 is [slachtoffer 1] om het leven gebracht. Verdachte werd in 1996 al verdacht van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] . Hij is hier destijds voor aangehouden en voorgeleid bij de rechter-commissaris en door de raadkamer is de gevangenhouding bevolen. Uiteindelijk is hij in 1996 weer vrijgelaten en niet voor dit feit gedagvaard, omdat de officier van justitie tot het oordeel kwam dat er onvoldoende bewijs was. Het opsporingsonderzoek leverde onvoldoende resultaten op en het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1] werd (vele jaren later) een zogenaamde cold case. De zaak bleef onder de aandacht van het Cold Case Team en naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) en het afleggen van een kluisverklaring door een getuige in 2019 werd op 6 oktober 2020 een nieuw opsporingsonderzoek tegen verdachte gestart.
Verweren ten aanzien van vormverzuimen artikel 359a Sv
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen, die ieder voor zich maar ook in onderlinge samenhang primair moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het openbaar ministerie heeft deze verweren gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot verwerping daarvan.
Het hof zal de verweren van de verdediging omwille van de leesbaarheid hieronder gerangschikt per onderwerp bespreken en waar van toepassing daarin ook het standpunt van het openbaar ministerie betrekken. In die bespreking zal per onderdeel steeds getoetst worden of sprake is van een vormverzuim.
Algemeen kader vormverzuimen
Als bij het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen, kan de rechter daaraan gevolgen verbinden. Uit de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad [1] volgt dat het moet gaan om vormverzuimen die zijn begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder begrepen normschendingen bij de opsporing.
De consequenties die de rechter aan een vormverzuim kan verbinden zijn, in oplopende zwaarte: de enkele constatering van de schending van een vormverzuim, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
In het algemeen geldt dat hoe groter de ernst van het vormverzuim en de gevolgen daarvan zijn, des te zwaarder het rechtsgevolg is dat de rechter daaraan kan verbinden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de zwaarste sanctie voor een vormverzuim, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn.
In het geval sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), vindt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft niet daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
Gestelde vormverzuimen
Onvolledig en onvolkomen uitgevoerd pathologisch onderzoek
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat het verslag van de patholoog summier is. Daarin ontbreekt informatie over
- het (geschatte) tijdstip van overlijden van [slachtoffer 1]
- de vraag of [slachtoffer 1] op slag dood was
- de vraag of [slachtoffer 1] nog met armen/benen kan hebben bewogen en
- de vraag of [slachtoffer 1] geknield kan hebben gezeten omdat [slachtoffer 1] met gestrekte benen op de grond is aangetroffen.
Door het onvolledige en onvolkomen pathologisch onderzoek kan de verificatie dan wel falsificatie van de (valse) bekentenissen van verdachte niet plaatsvinden, wat de waarheidsvinding onherstelbaar aantast.
Standpunt van het openbaar ministerie
Volgens de advocaat-generaal ondersteunt de informatie in het dossier over het bewegen van [slachtoffer 1] de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte die op dit punt tegenover de verbalisanten in het Werken Onder Dekmantel-traject is afgelegd. Ook het aantreffen van de vingerafdruk op de wasmachine, veroorzaakt door een bebloede hand, is een extra aanwijzing voor het bewegen door [slachtoffer 1] . Dat het tijdstip van het overlijden van [slachtoffer 1] niet meer kan worden vastgesteld en daar kennelijk destijds ook niet naar is gevraagd, maakt dit nog niet tot een vormverzuim. Mede doordat het exacte tijdstip onbekend is gebleven, is nader tactisch onderzoek gedaan.
Oordeel van het hof
Dat het pathologisch onderzoek wellicht uitvoeriger had kunnen plaatsvinden door destijds bijvoorbeeld nader onderzoek te doen naar het (geschatte) tijdstip van overlijden en andere vraagstukken rond het overlijden van [slachtoffer 1] , maakt nog niet dat met het nalaten hiervan sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dan wel van een onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces. Op geen enkele wijze is gebleken dat pathologisch onderzoek bewust is nagelaten of dat relevante (ontlastende) informatie niet is vermeld. Het hof verwerpt het verweer.
Ondeugdelijk onderzoek rondom de persoon van [getuige]
Standpunt van de verdediging
De Belgische persoon [getuige] had als mogelijke betrokkene bij de dood van [slachtoffer 1] op gedegener wijze onder de loep genomen moeten worden. Hij was de dag vóór de dood van [slachtoffer 1] in de woning van [slachtoffer 1] aanwezig. Hij had de gelegenheid, een (financieel) motief en beschikte ook over een vuurwapen van het exacte kaliber waarmee [slachtoffer 1] is gedood. Dit wapen is in 2005 vernietigd, zodat geen vergelijkend sporenonderzoek naar dit wapen en de kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] kon worden uitgevoerd, terwijl dat eerder wel mogelijk was geweest. De verklaring van [getuige] in 1996 als getuige is in het geheel niet geverifieerd dan wel gefalsificeerd en zijn DNA en vingerafdrukken zijn niet afgenomen. De verdediging heeft [getuige] destijds ook geen vragen kunnen stellen (en kan dat nu niet meer omdat hij zich op 31 oktober 1997 van het leven heeft beroofd). Het onderzoek rondom (het alibi van) [getuige] is ondermaats geweest en tast de waarheidsvinding op onherstelbare wijze aan.
Standpunt van het openbaar ministerie
De stelling van de verdediging over mogelijke betrokkenheid van [getuige] heeft een hoog speculatief gehalte en de gestelde aanwijzingen daarvoor zijn onvoldoende voor een redelijk vermoeden van schuld. Er kan in redelijkheid geen motief bij [getuige] worden verondersteld en aan het onderzoeksteam kan niet worden tegengeworpen dat het onderzoek naar [getuige] vooral was gericht op heling van gestolen goederen.
Oordeel van het hof
Bij tussenarrest van 17 mei 2024 heeft het hof nader onderzoek gelast naar de vraag of het pistool waarmee [getuige] zichzelf op 31 oktober 1997 in België van het leven heeft beroofd bewaard is gebleven en zo ja, om nader onderzoek naar dit wapen te laten verrichten waaronder het doen van proefschoten. Uit daarna verkregen informatie van de Belgische autoriteiten blijkt dat dit wapen, te weten een revolver, merk Smith & Wesson .357 Magnum, in 2005 is vernietigd en dat daarmee geen schietproeven zijn gedaan.
Het hof acht op grond van het dossier geen begin van aannemelijkheid aanwezig voor het scenario dat [getuige] betrokkenheid heeft gehad bij de dood van [slachtoffer 1] . Dat hij circa twintig maanden na de dood van [slachtoffer 1] kennelijk beschikte over een revolver en soortgelijke kogelpatronen van het kaliber .38 als waarmee [slachtoffer 1] is gedood, maakt dit nog niet tot een (begin van een) aannemelijk scenario. Het hof acht daarom dan ook geen vormverzuim aanwezig doordat het opsporingsonderzoek zich niet of onvoldoende heeft gericht op [getuige] als mogelijke dader. Het hof verwerpt het verweer.
Niet meer kunnen bevragen van [getuige] (ex-partner verdachte) als ontlastende en cruciale getuige
Standpunt van de verdediging
Het ontbreken van de mogelijkheid getuige [getuige] te bevragen en in dat verband nader onderzoek te verrichten maakt dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke strafvervolging en op het recht op een eerlijk proces. Getuige [getuige] heeft zich na 1996 van het leven beroofd en de verdediging kan deze ontlastende en cruciale getuige niet meer bevragen over onder andere het zogenaamde alibibriefje, overige voor verdachte belastende verklaringen en zijn afgelegde ‘bekentenissen’. Hierdoor is de waarheidsvinding in deze zaak feitelijk onmogelijk geworden.
Standpunt van het openbaar ministerie
Getuige [getuige] heeft destijds in 1996 geen voor verdachte belastende verklaring afgelegd die is gebruikt voor het bewijs. Verder is de verdediging in staat gesteld het alibibriefje zoveel mogelijk te toetsen. Ook wat verdachte over het alibibriefje heeft verklaard is zoveel mogelijk geverifieerd door de hondenbezitters die door verdachte naar aanleiding van de inhoud van het alibibriefje zijn genoemd, als getuige te horen, door onderzoek naar betaling van het dwangbevel vanwege een (gemeentelijke belasting)schuld van verdachte te doen en door de bankgegevens van verdachte na te trekken.
Oordeel van het hof
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte in 1996 is een handgeschreven notitie (het alibibriefje) aangetroffen met aantekeningen die betrekking hebben op 22 en 23 februari 1996. De door getuige [getuige] en verdachte in 1996 afgelegde verklaringen over dit alibibriefje zijn door het onderzoeksteam nader onderzocht. Daarbij is informatie verkregen van de deurwaarder die het dwangbevel op 23 februari 1996 aan getuige [getuige] heeft uitgereikt en over de betaling van dit dwangbevel bij de Afdeling Invorderingen van de gemeente [gemeente] . Bovendien zijn destijds en in hoger beroep hondenbezitters als getuige gehoord naar aanleiding van de verklaring van verdachte. Dat getuige [getuige] door haar overlijden niet nader kan worden bevraagd levert geen vormverzuim op en evenmin een omstandigheid waardoor de waarheidsvinding feitelijk onmogelijk is geworden. Het hof verwerpt het verweer.
Nagelaten is de betaling van de hondenbelasting (het dwangbevel) te verbaliseren
Standpunt van de verdediging
Het onderzoeksteam heeft nagelaten de wijze van betaling van het dwangbevel op 23 februari 1996 om 13:31 uur aan de balie van de Afdeling Invorderingen van de gemeente [gemeente] op gedegen wijze te onderzoeken en te verbaliseren. Van het bezoek op 12 maart 1996 aan de gemeente is namelijk geen proces-verbaal opgemaakt. Welke kassières toen zijn benaderd, of zij ten tijde van de betaling van het dwangbevel werkzaam waren achter de betaalbalie, welke twaalf foto’s van personen aan hen zijn getoond en wat er precies is gezegd door verbalisanten, is onduidelijk. Ook is ongewis of navraag is gedaan naar de kasinhoud op 23 februari 1996 en of daar ook een biljet van fl. 1000,-- tussen zat. Deze wijze van verbaliseren is in strijd met de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv Pro en levert daarnaast een onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces.
Oordeel van het hof
Het hof is het met de verdediging eens dat de onderzoeksresultaten van het bezoek van het onderzoeksteam aan de gemeente [gemeente] op 12 maart 1996 onvoldoende zijn geverbaliseerd. Dit levert een schending op van de verbaliseringsplicht in de zin van art. 152 Sv Pro. Weliswaar is onderzocht en vastgelegd wanneer het dwangbevel hondenbelasting is betaald, maar verdere verslaglegging van het bezoek ontbreekt. Anders dan de verdediging is het hof – mede in het licht van het feit dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij persoonlijk op 23 februari 1996 de hondenbelasting contant heeft betaald op het gemeentehuis – van oordeel dat verdachte hiermee niet in enig belang is geschaad. Het hof volstaat met de enkele constatering dat sprake is van een gering vormverzuim en verwerpt het verweer voor het overige.
De patroon en kaliber .38
Standpunt van de verdediging
De kogelpatroon van het kaliber .38 (vermeld als nummer Z2 op de verzamellijst van vóór 23 maart 1996, p. 2975) die door getuige [getuige] is afgegeven aan de politie is niet onderzocht op vingerafdrukken en/of DNA. Ook is bij de getuige [getuige] door de politie niet (door)gevraagd naar het meningsverschil tussen [slachtoffer 1] en verdachte op 21 februari 1996 in coffeeshop [bedrijf 1] . Verder wordt betwist dat bekendheid van verdachte met het .38 kaliber (als gebruikte patroon bij het doodschieten van [slachtoffer 1] ) daderinformatie betreft. In het proces-verbaal huiszoeking van 4 april 1996 (p. 353) staat dit kaliber al vermeld.
Daarnaast heeft de verdediging opgemerkt dat het verhoor van verdachte van 17 april 1996 (samengevat in een proces-verbaal van 18 april 1996, p. 218-220) in strijd met de verbaliseringsplicht niet nader is uitgewerkt in een aanvullend proces-verbaal (naar aanleiding van het videoverhoor). Om die reden kan niet worden uitgesloten dat verdachte tijdens dat verhoor is bevraagd over het bezit van een vuurwapen van het kaliber .38. Daarnaast circuleerden verhalen over dit type kaliber in 1996 al in de directe sociale omgeving van verdachte. Ook hierdoor is sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het proces-verbaal huiszoeking van 4 april 1996 heeft destijds niet gecirculeerd, omdat het geen onderdeel uitmaakte van het voorgeleidings- of raadkamerdossier. Dit is gebleken uit navraag bij de officier van justitie en de recherche maar volgt ook uit de inhoudsopgave van het voorgeleidingsdossier uit 1996 (p. 142-144). Verdachte is in de verhoren in 1996 ook niet geconfronteerd met informatie uit het proces-verbaal huiszoeking, zoals het kaliber .38 waarmee [slachtoffer 1] is gedood. Daarnaast is het verhoor van verdachte van 17 april 1996 in tegenstelling tot hetgeen de verdediging stelt wel degelijk nader uitgewerkt, namelijk in het proces-verbaal van 15 mei 1996 (p. 3280 tot en met 3298). In dat verhoor wordt door verbalisanten gesproken over een patroon van 9mm en ongeveer 4 cm lang, maar niet over een .38 kaliber.
Oordeel van het hof
Het hof zal, zoals hierna nog aan bod zal komen, bekendheid van verdachte met het kaliber .38 niet als zogenoemde ‘daderkennis’ beschouwen. Desondanks overweegt het hof dat uit het dossier inderdaad blijkt dat het (samengevatte) verhoor van verdachte van 17 april 1996 nader is uitgewerkt in voornoemd aanvullend proces-verbaal van 15 mei 1996. Uit dat verhoor blijkt niet dat het kaliber .38 waarmee [slachtoffer 1] is gedood aan de orde is gesteld. Verder heeft de verdediging haar stelling dat verhalen over dit kaliber in 1996 al in de sociale omgeving van verdachte circuleerden niet nader onderbouwd. Het hof acht dit daarom niet aannemelijk geworden.
Tot slot acht het hof het geen vormverzuim dat de door getuige [getuige] aan de politie afgegeven kogelpatroon van het kaliber .38 niet op vingerafdrukken en/of DNA is onderzocht. Niet is aannemelijk geworden dat daartoe destijds aanleiding bestond. Verdachte heeft verder ontkend deze kogelpatroon aan getuige [getuige] te hebben afgegeven. De politie heeft getuigen hierover bevraagd en het is aan het hof om op dit punt het (getuigen)bewijs te waarderen. Dat de getuige [getuige] in de visie van de verdediging onvoldoende door de politie is ondervraagd over het meningsverschil in de coffeeshop tussen verdachte en [slachtoffer 1] levert evenmin een vormverzuim op. Het hof verwerpt de verweren.
Niet meer kunnen bevragen van de heer [getuige] als ontlastende en cruciale getuige
Standpunt van de verdediging
Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard over een cruciaal tijdvenster (te weten de middag van 23 februari 1996) van het tenlastegelegde en zijn verklaring houdt een bevestiging in van de afwezigheid van verdachte op de plaats delict gedurende een zekere periode. [getuige] is in 2013 om het leven gebracht en kan niet meer aanvullend worden gehoord over verklaringen van andere getuigen en mogelijke scenario’s. Hiermee is sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces.
Oordeel van het hof
Getuige [getuige] is op 29 februari 1996 en 10 mei 1996 gehoord door de politie. Hij heeft daarbij geen voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. Dat de getuige in 2013 is overleden en niet meer door de verdediging als ontlastende getuige gehoord kan worden levert nog geen vormverzuim op. Het hof verwerpt het verweer.
Schending van de verbaliseringsplicht (art. 152 Sv Pro)
Standpunt van de verdediging
Onder dit punt worden door de verdediging enkele hiervoor al gevoerde verweren herhaald, waaronder het niet voldoende verbaliseren van het bezoek van de politie aan de gemeente [gemeente] , het niet (meer kunnen) verrichten van forensisch onderzoek aan het wapen waarmee [getuige] zich van het leven heeft beroofd en het niet meer kunnen bevragen van getuige [getuige] . Het hof heeft daarop al beslist. De verdediging heeft verder aangevoerd dat het alibi van [getuige] op 23 februari 1996 niet is nagelopen, dat een foto van [getuige] niet aan het dossier is toegevoegd en dat die niet is getoond aan getuigen [getuige] en [getuige] , en dat ook geen onderzoek is gedaan naar de door deze getuigen waargenomen opvallende zilverkleurige auto met spoiler en naar de inzittenden daarvan.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk geworden is dat er voor het onderzoeksteam aanleiding was om het alibi van alle getuigen, waaronder [getuige] , nader te onderzoeken en te verbaliseren. Evenmin was het onderzoeksteam gehouden een foto van [getuige] toe te voegen aan het dossier, de getuigen [getuige] en [getuige] daarmee vervolgens te confronteren en onderzoek te verrichten naar de door deze getuigen op 23 februari 1996 aan de [locatie 1] waargenomen zilverkleurige auto. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim. Het hof verwerpt daarom de verweren.
Anonieme bedreigde getuige ( MDN302 )
Standpunt van de verdediging
Het horen van de anonieme getuige bij de rechter-commissaris heeft buiten aanwezigheid van de verdediging plaatsgevonden. De verdediging heeft slechts indirect en schriftelijk gebruik kunnen maken van het ondervragingsrecht. Verdachte ontkent de uitlatingen te hebben gedaan waar deze getuige over heeft verklaard. En voor zover hij die wel heeft gedaan, dan zegt dat nog niets over zijn betrokkenheid als dader. Verdachte beschikt namelijk over een rijke fantasie.
Nu de verdediging de anonieme getuige niet heeft kunnen ondervragen, is verdachte onherstelbaar geschaad in zijn verdedigingsrechten. De verklaring van deze getuige is van wezenlijk gewicht in de bewijsconstructie en het verslag van de rechter-commissaris vormt geen compenserende maatregel. Van een eerlijk proces is geen sprake en het openbaar ministerie is daarom niet-ontvankelijk.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal is van oordeel dat de beperking van het ondervragingsrecht van de anonieme bedreigde getuige voldoende is gecompenseerd en dat het verweer moet worden verworpen.
Oordeel van het hof
De anonieme getuige MDN302 heeft van de rechter-commissaris bij beschikking van 24 maart 2023 de status van bedreigde getuige gekregen, omdat voorkomen dient te worden dat de identiteit van de getuige bekend wordt. De raadkamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 21 april 2023 het hoger beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard. De verdediging is in de gelegenheid gesteld vragen op te geven aan de getuige ten behoeve van het verhoor van deze getuige op 15 mei 2023 door de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris blijkt dat de rechter-commissaris alle schriftelijke vragen van de verdediging heeft gesteld en daarnaast ook zelf (aanvullende) vragen heeft gesteld. De door de getuige opgegeven antwoorden zijn niet volledig opgenomen in het proces-verbaal van verhoor met het oog op het verborgen houden van de identiteit van de getuige. Er is geen ontlastende informatie weggelaten en de gegeven antwoorden zijn door de weergave niet gedenatureerd.
Het is niet aan het hof om te beoordelen of het toekennen van de status van bedreigede getuige al dan niet terecht is. Het hof beoordeelt op dat punt slechts of aan de procedure die tot de statusverlening heeft geleid fundamentele gebreken kleven. [2] Zulke fundamentele gebreken zijn niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Het hof ziet in de procedure tot verlening van de status bedreigde getuige (artikel 226a Sv) dan ook geen vormverzuim. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop deze getuige bij de rechter-commissaris is gehoord. Het hof is niet van oordeel dat door de wijze van ondervragen van de anonieme getuige MDN302 door de rechter-commissaris de verdediging onherstelbaar is geschaad in zijn verdedigingsrecht. Het hof verwerpt daarom het verweer.
Overschrijding redelijke termijn
Standpunt van de verdediging
Volgens de verdediging overschrijdt de duur van de procedure iedere redelijke verhouding tot de complexiteit van de zaak. Aan het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is bij lange na niet voldaan. Ten gevolge van het uitzonderlijke tijdsverloop is de waarheidsvinding onmogelijk gemaakt, waardoor geen sprake is van het recht van verdachte op een eerlijk proces.
Oordeel van het hof
Voor zover uit het verweer van de verdediging moet worden afgeleid dat ook de overschrijding van de redelijke termijn en/of lange duur van de procedure moet leiden tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, overweegt het hof op grond van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn en/of de (lange) duur van de procedure niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging kan leiden. Het hof zal vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak wel een korting toepassen op de uiteindelijk op te leggen straf, zoals later in dit arrest onder het kopje “oplegging van straf en/of maatregel” nader toegelicht zal worden.
Artikel 258 Sv Pro (oud)
Standpunt van de verdediging
Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging omdat er een onjuiste vordering tot machtiging instellen opsporingsonderzoek is ingediend bij de rechter-commissaris op 24 september 2020. In 1996 is reeds een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) gestart tegen verdachte in het kader van de verdenking van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] . Hij is daarvoor in voorlopige hechtenis genomen. Uiteindelijk is hij enkel gedagvaard voor heling. Op grond van artikel 258, tweede lid, Sv (oud) kon de officier van justitie, als de dagvaarding werd beperkt tot een deel van de feiten waarop het GVO betrekking had, niet naderhand alsnog dagvaarden voor de resterende feiten. In de vordering aan de rechter-commissaris van 24 september 2020 staat bovendien ten onrechte dat verdachte in 1996 niet in voorlopige hechtenis is genomen voor de moord/doodslag op [slachtoffer 1] en dat hij hier niet voor is vervolgd. Indien de rechter-commissaris van de juiste informatie was voorzien, had deze de machtiging nooit afgegeven. Daarnaast zouden de verdenkingen in 2011 dan wel 2016 zijn verjaard. Dit maakt de huidige vervolging in strijd is met de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat uit de processtukken blijkt dat verdachte reeds in 1996 in voorlopige hechtenis is genomen voor de moord/doodslag op [slachtoffer 1] . Hij zat (onder hetzelfde parketnummer) op dat moment ook in voorlopige hechtenis voor heling van computeronderdelen. Hij is vervolgens alleen
gedagvaardvoor de heling en niet voor de moord/doodslag. Op grond van artikel 258, tweede lid, Sv (oud) geldt de dagvaarding en de kennisgeving daarvan aan de rechter-commissaris als beëindiging van het GVO. Evenals de raadsman komt het hof tot de conclusie dat in dat geval naderhand niet alsnog gedagvaard kon worden voor de moord/doodslag. Het hof concludeert daarmee dat verdachte met de dagvaarding voor de heling op dat moment, dus in 1996, niet verder is vervolgd voor de moord/doodslag op [slachtoffer 1] .
Op grond van het huidige artikel 255 Sv Pro kan in dat geval tegen verdachte wel opnieuw
een opsporingsonderzoekvoor dit feit worden ingesteld indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden en daartoe een machtiging van de rechter-commissaris is verleend (lid 4).
Het openbaar ministerie heeft de rechter-commissaris op grond van nieuwe informatie van het TCI en het afleggen van een kluisverklaring door een anonieme getuige in 2019, op 24 september 2020 om een dergelijke machtiging verzocht en deze is vervolgens ook afgegeven. Het hof concludeert dat de rechter-commissaris niet doelbewust verkeerd is voorgelicht in de vordering die is gedaan op 24 september 2020. Uit de gang van zaken die door het openbaar ministerie in eerste aanleg is geschetst blijkt immers dat het openbaar ministerie pas na de vordering bekend is geworden met de volledige processtukken uit 1996. Toen pas is gebleken dat verdachte destijds ook heeft vastgezeten voor de moord/doodslag. Het hof ziet niet in dat de rechter-commissaris, indien deze wel op de hoogte was geweest van deze informatie ten tijde van het nemen van de beslissing, tot een ander oordeel was gekomen.
Het hof komt daarmee tot de conclusie dat tegen verdachte in 2020 op rechtmatige wijze een nieuw opsporingsonderzoek is gestart. Op grond van dit nieuwe opsporingsonderzoek heeft het openbaar ministerie verdachte kunnen dagvaarden voor de moord/doodslag. Overigens is van verjaring van (onderdelen van het) tenlastegelegde onder oude wetgeving geen sprake. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim.
Het hof verwerpt het verweer.
Ondeugdelijk onderzoek/tunnelvisie
Standpunt van de verdediging
In het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1] in 1996 en 2020 is sprake geweest van tunnelvisie. De opsporing was eenzijdig gericht op verdachte en mogelijke betrokkenheid van anderen is niet onderzocht. Verder is nagelaten gedegen onderzoek te doen naar op de plaats delict aangetroffen humane biologische sporen en is het DNA-profiel van getuige [getuige] uit de databank verwijderd. Het wapen van het kaliber .38 waar [getuige] over beschikte is in 2005 vernietigd zonder dat een ballistische schotvergelijking is uitgevoerd en zijn DNA kan niet worden vergeleken met het DNA-profiel onder de nagels van [slachtoffer 1] . Het bezoek van de politie aan de gemeente [gemeente] heeft veel onbeantwoorde vragen opgeleverd. De voor verdachte ontlastende en relevante scenario’s zijn niet deugdelijk onderzocht.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1] in 1996 en 2020 voldoende deugdelijk is uitgevoerd. In 1996 heeft dat onderzoek onvoldoende aanknopingspunten opgeleverd voor verdere vervolging van verdachte en in 2020 is een nieuw opsporingsonderzoek gestart, waarbij een Werken Onder Dekmantel-traject is ingezet, getuigen (opnieuw) zijn gehoord en door het NFI (nader) onderzoek is verricht. In de procedure in eerste aanleg zijn vele getuigen die in 1996 bij de politie een verklaring hebben afgelegd gehoord door de rechter-commissaris. Ook in hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging diverse onderzoekshandelingen verricht via het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof. Het hof merkt daarbij op dat weliswaar alleen al vanwege het tijdsverloop vanaf 23 februari 1996 tot heden in algemene zin nieuw opsporingsonderzoek moeilijker is geworden en dat de verdediging als gevolg daarvan bijvoorbeeld niet meer in staat is geweest enkele overleden getuigen nader te kunnen bevragen, maar daarmee is van een ondeugdelijk en eenzijdig op verdachte gericht onderzoek nog geen sprake. Aan haar stellingen heeft de verdediging ook geen conclusies verbonden. Voor zover deze stellingen zijn aangevoerd in het kader van een ontvankelijkheidsverweer, verwerpt het hof dit.
Toepassing [plaats 2] verhoormethode
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft verklaard dat hij in 1996 in het politiebureau in [plaats 2] is onderworpen aan de zogeheten ‘ [plaats 2] verhoormethode’. Deze methode was omstreden en is pas in 1997 verboden. De verdediging heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 1 augustus 2024, dat er geen informatie is die erop wijst dat verdachte destijds is onderworpen aan de ‘ [plaats 2] verhoormethode’, maar handhaaft haar grieven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman naar voren gebracht dat de mogelijkheid bestaat dat verdachte op een ander politiebureau aan deze verhoormethode kan zijn onderworpen.
Oordeel van het hof
Verbalisant [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal van 1 augustus 2024 gerelateerd dat uit het onderzoeksdossier en de overige beschikbare documentatie betreffende het initiële onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1] uit 1996 geen informatie naar voren is gekomen die wijst op het toepassen van de ‘ [plaats 2] verhoormethode’ in de verhoren van verdachte. Het hof acht de stelling van de verdediging dat verdachte destijds aan die verhoormethode is onderworpen, al dan niet mogelijk op een ander politiebureau, niet aannemelijk geworden en zal daaraan dan ook voorbij gaan. Het hof verwerpt het verweer.
Conclusie over de ontvankelijkheid
Het hof heeft de verweren van de verdediging – namelijk dat er sprake zou zijn van een veelheid van vormverzuimen – verworpen. Op één punt acht het hof een vormverzuim aanwezig, namelijk dat de verbaliseringsplicht is geschonden bij het bezoek van de politie aan de Afdeling Invorderingen van de gemeente [gemeente] op 12 maart 1996 (zie onder IV.). Ten aanzien daarvan is sprake van een gering vormverzuim, waarbij kan worden volstaan met de enkele constatering hiervan.
Het hof is van oordeel dat alle verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd niet kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Het WOD-traject

Inleiding
Tijdens het heropende opsporingsonderzoek is in 2021 en 2022 gebruik gemaakt van een ‘Werken onder Dekmantel’-traject (hierna: WOD-traject). Dit WOD-traject hield kort gezegd in dat opsporingsambtenaren stelselmatig informatie hebben ingewonnen over verdachte door met hem in contact te treden zonder dat zij zich als opsporingsambtenaren bekend hebben gemaakt. Verdachte heeft tegen deze WOD’ers onder meer verteld over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] .
Standpunt van de verdediging
Structurele aantasting verklaringsvrijheid
Verdachte is gedurende maanden systematisch blootgesteld aan psychologische druk, financiële verlokkingen en een gefingeerde realiteit. Aan het essentiële vereiste van een voldoende nauwkeurige verslaglegging en audiovisuele registratie van de communicatie is niet voldaan, omdat de ‘echte’ gesprekken op de meest kwetsbare momenten van druk en aanmoediging telkens buiten het bereik van de microfoon zijn gevoerd. Daarmee is cruciale informatie over de wijze van opereren buiten het dossier gehouden. De “bekentenis” van verdachte was nauw verbonden met het perspectief van deelname aan een lucratieve Thaise vastgoeddeal, een structurele prikkel die de grenzen van een vrije wilsverklaring in ernstige mate aantast.
Uitholling ondervragingsrecht WOD’ers
Uitdrukkelijk is verzocht de betrokken WOD-medewerkers, te weten de begeleiders
(B-3232 t/m B-3257) en de informatie inwinners (A-4406 t/m A-2492), mondeling te horen, maar de verdediging werd beperkt tot het stellen van schriftelijke vragen. De driestappen toets uit het besliskader van de Hoge Raad levert een negatieve uitkomst op. Er is geen goede reden waarom mondeling verhoor niet kon plaatsvinden, dit terwijl de bewezenverklaring in beslissende mate berust op de OVC-opnames en de verslagen van de WOD-medewerkers en compenserende factoren van voldoende gewicht ontbreken.
Sociale druk op 12 februari 2022
Verdachte heeft de meest belastende verklaringen afgelegd op 12 februari 2022 in een gesprek met de Duitse inwinner (A-2492). Deze inwinner bood een eigen bekentenis als sociaal ruilwaar aan en verwachtte van verdachte een soortgelijke opening terug. In deze context zijn de uitlatingen van verdachte geen spontane, vrijwillige bekentenis, maar een reactie op een sociale drukstructuur.
Betrouwbaarheid: erkende tegenstrijdigheden
Verdachte heeft in de OVC-gesprekken op drie cruciale punten aantoonbaar gelogen. Zijn uitlatingen dat hij vroeg in de ochtend naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan, dat hij slechts één keer heeft geschoten en nadien uren in de woning heeft verbleven, zijn aantoonbaar onjuist. Om die reden kunnen de resterende onderdelen van zijn verklaring niet als waarheid worden aanvaard.
Kaliber .38 geen exclusieve daderinformatie
Betwist wordt dat het benoemen van verdachte van het .38 kaliber daderinformatie betreft. In het aanvraagproces-verbaal huiszoeking van 4 april 1996 staat dit kaliber al vermeld. Niet uitgesloten kan worden dat verdachte via deze weg kennis heeft gekregen van dit kaliber. Daarnaast is verdachte enkele jaren na de dood van [slachtoffer 1] veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen, waaronder een revolver kaliber .38 Special. Verdachte beschikte daarom over eigenstandige kennis van dit specifieke kaliber. Tot slot circuleerden in 1996 verhalen over het .38 kaliber reeds in de directe sociale omgeving van verdachte.
Conclusie
Het WOD-traject voldoet volgens de verdediging niet aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria voor de rechtmatigheid van zogenaamde
Mr. Big-operaties. De hieruit voortvloeiende en onbetrouwbare verklaringen van verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt van het openbaar ministerie
Van de Mr. Big-methode is geen sprake geweest en het WOD-traject was rechtmatig, zodat de verweren verworpen dienen te worden. De verklaringen van verdachte tijdens de OVC-gesprekken over de dood van [slachtoffer 1] zijn betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Dat deze verklaringen niet op alle punten steun vinden in het dossier en hij op bepaalde onderdelen tegenstrijdig aan de onderzoeksresultaten heeft verklaard, doet geen afbreuk aan de kern van zijn verklaring, namelijk dat verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Het toegepaste WOD-traject is gegrond op artikel 126j, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar.
Het WOD-traject betreft een opsporingsmethode waarbij sprake is van een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte waarbij gebruik wordt gemaakt van misleiding. Om die reden is het noodzakelijk dat het traject grondig en zorgvuldig wordt getoetst. Voor de beoordeling van het verloop van het WOD-traject zoekt het hof aansluiting bij het toetsingskader zoals geschetst door de Hoge Raad in zijn arresten van 17 december 2019 [3] .
Daarbij hecht het hof eraan op voorhand te overwegen dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van de zogenaamde ‘Mr. Big-methode’. Kenmerkend voor die methode is namelijk dat opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte winnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. Daarbij wordt de druk op de verdachte om te bekennen opgevoerd, bijvoorbeeld door herhaaldelijk op hem in te praten of te dreigen dat hij geen deel kan uitmaken van de (criminele) organisatie als hij niet bekent.
In de onderhavige zaak was weliswaar sprake van
‘befriending’, maar niet is gebleken dat verdachte onder (hoge) druk is gezet of dat hij pas is gaan verklaren nadat hem was bevolen schoon schip te maken. Hierop zal het hof hierna nog nader ingaan.
Uit de arresten van de Hoge Raad volgt allereerst dat een WOD-inzet als de onderhavige dient te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij als uitgangspunt moet worden genomen dat de bijzondere ernst van het misdrijf het WOD-traject rechtvaardigt en dat andere wijzen van opsporing niet (meer) voorhanden zijn. De rechter kan vervolgens voor de vraag komen te staan of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Voor de beoordeling of de verklaringsvrijheid van de verdachte is aangetast, is in het bijzonder van belang:
  • het verloop van het opsporingstraject;
  • de eventueel reeds door de verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht;
  • de mate van (psychische) druk die in dat traject op de verdachte is uitgeoefend;
  • de mate en de wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van de verdachte;
  • de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met de inhoud van (wezenlijke onderdelen van) de door de verdachte afgelegde verklaring;
  • de duur en intensiteit van dat traject;
  • de strekking en frequentie van de contacten met de verdachte zelf;
  • de in het vooruitzicht gestelde positieve of negatieve consequenties als de verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken.
Om het voorgaande te kunnen beoordelen is nodig dat inzicht kan worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject over de gehele periode waarin dit is ingezet. In het bijzonder dient deze verslaglegging een nauwkeurige weergave van de communicatie met de verdachte te omvatten. Naast verslaglegging in processen-verbaal ligt het in de rede dat, voor zover mogelijk, die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd door middel van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC).
Proportionaliteit en subsidiariteit
Het hof is van oordeel dat de inzet van het WOD-traject voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu het een onderzoek betreft naar een levensdelict en andere opsporingsmiddelen onvoldoende resultaten hadden opgeleverd en bovendien niet meer voorhanden waren.
Het verloop van het opsporingstraject; duur, intensiteit, strekking en frequentie van de contacten met verdachte
In de periode van 25 augustus 2021 tot en met 12 februari 2022 zijn er ruim twintig inzetten geweest, telkens gestoeld op het daartoe verleende bevel stelselmatige informatie inwinning artikel 126j Sv van 25 maart 2021 en daarna gegeven verlengingen, waarbij telkens sprake was van persoonlijk contact tussen verdachte en één of meer WOD’ers. Daarnaast is er een enkele keer contact geweest via telefoon, WhatsApp of e-mail.
Uit de processen-verbaal van de inwinners (undercoveragenten), hun begeleiders en de uitwerking van de audio-opnamen leidt het hof af dat het WOD-traject in grote lijnen als volgt is verlopen:
- In de periode van 25 augustus 2021 tot en met 14 oktober 2021 vonden er tien ontmoetingen plaats in de sportschool in [plaats 1] waar verdachte trainde. Het contact was erop gericht contact met hem te maken en een sociale relatie op te bouwen. De inwinner A-4406 en verdachte trainden met elkaar en spraken over het trainen, over de Thaise vriendin van verdachte, de IND en het werk van verdachte, onder meer als stukadoor.
- In de periode van 25 oktober 2021 tot en met 14 november 2021 vonden vijf ontmoetingen plaats. Verdachte heeft in deze periode stukadoorswerkzaamheden verricht in de woning van A-4406 en zijn vriendin A-4408. Hiervoor kreeg hij 650 euro betaald en een jas en bodywarmer, die afkomstig zouden zijn van de illegale kledinghandel van A-4406. Tijdens de werkzaamheden is verdachte aanwezig bij een telefoongesprek waarin A-4406 spreekt over het ophalen van geld en de vraag of er iemand mee moet. Verdachte biedt zich vervolgens aan om mee te gaan. Na het ophalen van een envelop voor ‘ [naam] ’ (inwinner A-4407) kreeg verdachte 50 euro betaald. Er werd in het midden gelaten wat voor werk [naam] deed en A-4406 beaamde de suggestie van verdachte dat [naam] in van alles zat. Tijdens één van de ontmoetingen is het DNA van verdachte heimelijk veiliggesteld. Gedurende de inzet op 14 november 2021 vertelde verdachte naar aanleiding van het eerdere ophalen van de envelop met geld “dat hij vroeger altijd dat soort werk deed”. Verdachte vertelde over zijn eigen verleden en aan het einde van het gesprek werd erover gesproken dat verdachte misschien met A-4406 mee kon gaan naar het buitenland voor een klus.
- In de periode van 23 november 2021 tot en met 9 december 2021 werd aan de inwinners voor het eerst de opdracht gegeven informatie in te winnen over de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer 1] . Verdachte werd uitgenodigd om twee dagen mee te gaan naar het buitenland voor een klus. Verdachte kreeg hiervoor 750 euro betaald. Op 8 en 9 december 2021 ging verdachte met A-4406 en A-4407 met de auto op en neer naar Polen. Zowel in Polen, als in Duitsland vond een ontmoeting plaats waarvan verdachte getuige was. Op 8 december 2021 vertelde verdachte aan A-4406 dat hij de [naam] had doodgeschoten en hij daarvoor vierenhalf jaar had vastgezeten. Vervolgens bespraken A-4406 en A-4407 dat ze in [plaats 6] de neef van A-4406 gingen ontmoeten “die lang had gezeten, omdat hij iemand had omgelegd”. De ontmoeting met A-2492 vond vervolgens plaats. Op 9 december 2021 werd gesproken over de zaken die ze vroeger hadden gedaan. Hierbij noemde verdachte zelf voor het eerst de naam van [slachtoffer 1] . Later werd er gesproken over het investeren in vastgoed en verdachte doet de suggestie dat A-4407 in Thailand zou kunnen kijken.
- In de periode van 14 december 2021 tot en met 12 februari 2022 vonden nog drie ontmoetingen plaats. Hierbij werd onder meer gesproken over het investeren in Thailand en het schieten op [slachtoffer 1] . Verdachte voerde op verzoek van A-4406 een observatieklus uit samen met A-2492, een Duitse inwinner. In de auto vertelde verdachte vervolgens uitgebreid en gedetailleerd over het doodschieten van [slachtoffer 1] .
Met betrekking tot de verslaglegging stelt het hof vast dat de begeleiders en de inwinners van elke inzet een proces-verbaal hebben opgemaakt. Daarnaast zijn de gesprekken buiten de sportschool (in de woning van A-4406 en in de auto) opgenomen door middel van OVC, die de verdediging integraal heeft kunnen beluisteren. Deze OVC-gesprekken met daarop de communicatie met verdachte zijn daarnaast woordelijk uitgewerkt en weergegeven in processen-verbaal. Ook hebben de begeleiders en de inwinners vragen van de verdediging schriftelijk beantwoord.
Niet is aannemelijk geworden dat bepaalde, van belang zijnde gesprekken buiten het bereik van de opnameapparatuur hebben plaatsgevonden, zoals door de verdediging gesteld. De WOD’ers hebben ook op schriftelijke vragen van de verdediging geantwoord dat alle gesprekken buiten de sportschool zijn opgenomen.
Naar het oordeel van het hof kan met de verslaglegging in het dossier voldoende inzicht worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject over de gehele periode waarin deze is ingezet. Het hof acht het traject hiermee voldoende transparant en controleerbaar.
De proceshouding van verdachte
Verdachte is in 1996 ook gehoord als verdachte van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] . Hij heeft zich toen niet op zijn zwijgrecht beroepen, maar heeft betrokkenheid bij het feit ontkend. De proceshouding van verdachte is sindsdien niet gewijzigd.
De mate van (psychische) druk / kwetsbaarheid verdachte
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het WOD-traject een dusdanige (psychische) druk op verdachte heeft gelegd dat hij hierdoor in relevante mate in zijn keuzevrijheid is beperkt.
Niet is gebleken van persoonlijke problemen waardoor zijn wilsvrijheid beperkt zou kunnen zijn geweest. Ten tijde van het WOD-traject heeft verdachte geen geïsoleerd bestaan geleid. Verdachte had een Thaise vriendin, sportte veel en gaf sport- en/of bokslessen aan kinderen en volwassenen. Verdachte kluste ( zwart ) bij als stukadoor en bood in dat kader ook aan de inwinners zijn diensten aan. Verder had verdachte een huurwoning, een uitkering en verdiende hij minimaal 400 euro per klusdag. Aldus was verdachte voor zijn inkomsten niet afhankelijk van de (geringe) bedragen die hij van de WOD’ers ontving voor zijn werkzaamheden.
Verder stelt het hof vast dat de processen-verbaal en de uitgewerkte OVC-gesprekken er op geen enkele wijze blijk van geven dat verdachte onder druk heeft gestaan. Voor de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van het uitoefenen van druk door de WOD’ers op momenten dat de gesprekken niet opgenomen werden, is door de verdediging geen begin van onderbouwing gegeven. Ondanks doorvragen door het hof tijdens de zitting in hoger beroep heeft verdachte niet concreet toegelicht op welke momenten en op welke wijze hij zich onder druk gezet voelde door de WOD’ers. Verdachte heeft slechts in het algemeen gesteld dat dit momentopnames waren. Ook heeft hij niet onderbouwd welke uitlatingen hij gedaan zou hebben doordat hij kort daarvoor, buiten het bereik van de opnameapparatuur, onder druk zou zijn gezet.
De mate en wijze van misleiding
Voorop staat dat WOD-trajecten zich kenmerken door het verkrijgen van informatie door het misleiden van een verdachte. Dit is tot op zekere hoogte noodzakelijk om het vertrouwen van een verdachte te winnen en te kunnen behouden. In de onderhavige zaak heeft de misleiding hierin bestaan dat de WOD’ers zich voordeden als personen die zich bezig leken te houden met illegale activiteiten, zoals het handelen in valse merkkleding, het incasseren van geldbedragen en vuurwapenbezit. Verdachte ontving in totaal vier betalingen van tussen de 50 en 750 euro voor het uitvoeren van werkzaamheden voor de WOD’ers. Deze werkzaamheden bestonden uit het meegaan met het ophalen van geld, het aanwezig zijn bij twee ontmoetingen in Duitsland/Polen en een observatieklus.
Naar het oordeel van het hof is van ontoelaatbare misleiding geen sprake. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ook niet verklaard dat en op welke momenten hij zodanig is misleid dat hij zich gedwongen of verplicht voelde bepaalde (belastende) verklaringen af te leggen. Ook het vooruitzicht dat verdachte mogelijk beheerder zou kunnen worden van vastgoed in Thailand brengt dat niet mee.
De bemoeienis met de inhoud van de afgelegde verklaringen
In het gesprek van 9 december 2021 met inwinners A-4406 en A-4407 begon verdachte over de handeltjes die hij vroeger had. Verdachte vroeg of A-4406 het verhaal van Hewlett & Packard kende en vertelde hier vervolgens uitgebreid over. Hierna begon verdachte uit zichzelf over de dood van [slachtoffer 1] . Er is door de inwinner op geen moment naar [slachtoffer 1] gevraagd en er zijn geen sturende vragen gesteld.
Op 13 januari 2022 bracht A-4407 het gesprek op wat verdachte eerder vertelde over het doodschieten van [slachtoffer 1] en gaf aan er een kriebelig gevoel bij te hebben. Nadat verdachte bevestigde dat hij hem heeft doodgeschoten, vroeg A-4407 of ze hier nog last van konden krijgen. Daarop gaf verdachte aan dat ze hem niet meer voor hetzelfde feit kunnen halen en het allemaal afgehandeld is. Daarna gaf A-4407 aan dat hij verdachte misschien kon helpen als er nog iets zou zijn.
In het gesprek van 12 februari 2022 vertelde verdachte uitgebreid en gedetailleerd over het doodschieten van [slachtoffer 1] tegenover de Duitse inwinner A-2492. De inwinner stuurde het gesprek weliswaar richting de dood van [slachtoffer 1] , maar daarbij is niet gebleken van een zodanige mate van sturing dat de verklaringsvrijheid van verdachte is aangetast.
De in het vooruitzicht gestelde consequenties
Het hof stelt vast dat verdachte op geen enkel moment is gevraagd opheldering te geven of schoon schip te maken door alles te vertellen over zijn betrokkenheid bij de dood op [slachtoffer 1] . Niet is gebleken dat hij is aangezet om over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] te verklaren. Hem is, nadat hij reeds uit eigen beweging over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] was gaan praten, slechts gevraagd of de zaak problemen zou kunnen opleveren voor A-4407 bij een eventuele samenwerking. Vervolgens heeft A-2492 in een volgend gesprek het gesprek wel naar het onderwerp van de dood van [slachtoffer 1] gebracht, maar dat was niet in de sleutel dat een verklaring van hem verlangd werd om verder met hem in zee te kunnen gaan of als voorwaarde om hem op te nemen in hun (criminele) organisatie. Er is ook niet gebleken van het in het vooruitzicht stellen van (positieve of negatieve) consequenties als verdachte wel of geen verdere opheldering zou geven over de zaak. Er zijn hem geen beloningen in het vooruitzicht gesteld. Er zijn weliswaar gesprekken gevoerd over het investeren in onroerend goed in Thailand door A-4407, maar dit wordt op geen moment concreet en bovendien blijkt niet wat dit verdachte zou opleveren. Een verband tussen de mogelijke investeringsplannen en het geven van openheid door verdachte over zijn rol bij de dood op [slachtoffer 1] ontbreekt daarnaast.
Conclusie
Het hof concludeert dat het WOD-traject rechtmatig is verlopen en de uitlatingen van verdachte tegenover de WOD’ers niet in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd. De verdediging heeft in eerste aanleg de inwinners – met uitzondering van A-4408 omdat deze langdurig ziek was en het niet de verwachting was dat deze op termijn wel vragen zou kunnen beantwoorden – en begeleiders schriftelijk vragen kunnen stellen die zijn beantwoord in processen-verbaal van bevindingen. Daarnaast heeft de verdediging gebruik gemaakt van de mogelijkheid de OVC-gesprekken te beluisteren. De verdediging heeft daarover geen opmerkingen gemaakt, anders dan de stelling dat niet alle relevante en cruciale communicatie is opgenomen. Het hof acht dat niet aannemelijk geworden..
Het hof is van oordeel dat de verdediging voldoende is gecompenseerd voor het niet mondeling kunnen bevragen van de inwinners en begeleiders door hen schriftelijk te kunnen bevragen en de OVC-gesprekken te kunnen beluisteren en dat de door hen opgemaakte processen-verbaal, voor zover die hieronder voor het bewijs zijn gebezigd, niet van het bewijs hoeven te worden uitgesloten. Ook de hieronder voor het bewijs gebezigde uitlatingen van verdachte tegenover de inwinners en zoals opgenomen in de uitgewerkte OVC-gesprekken zijn bruikbaar voor het bewijs. Het hof verwerpt de verweren.
Herhaald (voorwaardelijk) verzoek benoemen getuige-deskundige
Verzoek van de verdediging
In hoger beroep is het verzoek herhaald om onderzoek te laten verrichten naar verdachtes psychische kwetsbaarheid door deskundige prof. dr. E.G.C. Rassin. Een WOD-traject richt zich juist op de kwetsbaarheid van een verdachte om via misleiding informatie te verkrijgen. De gevoeligheid voor ervaren (psychische) druk kan niet alleen de verklaringsvrijheid beïnvloeden maar vergroot ook de kans op het afleggen van een valse verklaring. Het beeld dat verdachte weinig aansluiting heeft bij anderen is na dertig jaar ongewijzigd. Bijna niemand bezoekt verdachte in de PI en ook binnen de PI heeft hij weinig contacten. Verdachte heeft in het WOD-traject over meerdere zaken aantoonbaar gelogen dan wel deze overdreven. Dat verdachte liegt en overdrijft vindt bevestiging in de verklaringen van getuigen. Niet uitgesloten kan worden dat bij verdachte sprake is van enige psychische kwetsbaarheid waardoor hij vaak feiten verdraait en overdrijft.
Standpunt van het openbaar ministerie
Bij het in kaart brengen van verdachte voorafgaand aan het WOD-traject is gebleken dat hij zijn leven op orde had en dat van psychische kwetsbaarheid niet is gebleken. In dat geval zou de inzet van het WOD-traject door het openbaar ministerie ethisch niet verantwoord zijn gevonden en zou dat ook niet zijn opgestart. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte, zoals hiervoor overwogen, ondanks herhaaldelijke vragen niet concreet toegelicht op welke momenten en op welke wijze hij zich onder druk gezet voelde door de WOD’ers en welke uitlatingen hij dan zou hebben gedaan doordat hij, zoals de verdediging heeft gesteld, buiten het bereik van de opnameapparatuur onder druk zou zijn gezet. Ook de processen-verbaal van de WOD’ers en de uitgewerkte OVC-gesprekken geven geen blijk van het uitoefenen van een ontoelaatbare vorm van druk op verdachte. Evenmin volgt uit het dossier dat verdachte ten tijde van het WOD-traject psychische problemen ervaarde of psychisch kwetsbaar was waardoor zijn wilsvrijheid beperkt zou kunnen zijn geweest of hij minder goed dan gemiddeld in staat was weerstand te bieden aan de misleiding door de WOD’ers. Hij had zijn persoonlijke leven op orde. De enkele omstandigheid dat verdachte overdrijft en niet altijd de waarheid spreekt is onvoldoende voor de conclusie dat hij psychisch kwetsbaar is.
Het hof acht zich op grond van het dossier over de persoon van verdachte ten tijde van het WOD-traject voldoende voorgelicht. Van de noodzaak van het gevraagde deskundigenonderzoek is het hof niet gebleken. Het hof wijst het verzoek af.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [4]
Standpunt van het openbaar ministerie
Er kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Op grond van de uitlatingen van verdachte tijdens het WOD-traject kan ook worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte beschikte over vuurwapens en heeft voor zijn vertrek naar de woning van [slachtoffer 1] nagedacht over de keuze van het soort vuurwapen en munitie van het kaliber .38 en heeft zich ook mentaal op deze daad voorbereid. Verdachte heeft [slachtoffer 1] onder bedreiging van een revolver laten knielen en hield rekening met een door [slachtoffer 1] volgens verdachte verkeerd gegeven antwoord. Van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad en dus de primair tenlastegelegde moord is onvoldoende gebleken.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal betoogd dat sprake is geweest van gekwalificeerde doodslag. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat verdachte een financieel motief had om [slachtoffer 1] om het leven te brengen, terwijl ook bewezen kan worden dat geld van [slachtoffer 1] is ontvreemd uit zijn slaapkamer.
Standpunt van de verdediging
Verdachte moet integraal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De ‘bekennende’ verklaringen van verdachte in het WOD-traject zijn onder druk en misleiding afgelegd, bevatten geen daderwetenschap en zijn ook onbetrouwbaar. Subsidiair dienen deze verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten, omdat het gebruik hiervan in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Verzocht wordt om uit het Belgische dossier een foto van [getuige] te laten ophalen en het scenario van [getuige] als mogelijke dader te betrekken in de beoordeling van het bewijs. Ook het scenario dat de twee inzittenden van een zilvergrijze BMW mogelijk betrokken waren bij de dood van [slachtoffer 1] dient te worden meegenomen.
Door ondeugdelijk en onvolledig onderzoek zijn de verdedigingsrechten van verdachte onherstelbaar geschonden en is compensatie niet meer mogelijk. De procedure is daarom in zijn geheel niet als eerlijk te beschouwen.
Tot slot is verzocht de belastende verklaringen van getuigen [getuige] (roepnaam) en [getuige] niet te gebruiken voor het bewijs, nu deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn.
Oordeel van het hof

Algemene overweging

Voordat het hof toekomt aan het bespreken van het bewijs stelt het hof voorop dat sprake is van dertig jaar tijdsverloop in deze zaak. Uit het dossier volgt dat vrijwel direct na het overlijden van [slachtoffer 1] veel gespeculeerd werd in [plaats 1] . Er gingen al snel verhalen rond over de doodsoorzaak, achterliggende motieven en (een) mogelijke dader(s). Daarbij kwam met name verdachte als dader in beeld. Verdachte was in 1996 ook al verdachte van de dood op [slachtoffer 1] en die verdenking is, dat wil het hof best geloven, altijd aan hem blijven kleven. Het merendeel van de getuigen is in 1996 gehoord, een aantal getuigen – eerst of nogmaals – jaren later. Na zoveel jaren kunnen herinneringen ontstaan, veranderen of vervagen. Daar komt bij dat in de tussentijd sprake is geweest van berichtgeving in de media, waarin details over de dood van [slachtoffer 1] werden gedeeld. Een en ander betekent dat bij de waardering van het (getuigen)bewijs, met name het getuigenbewijs van recente datum, behoedzaamheid dient te worden betracht. Bij de uitlatingen die verdachte in het WOD-traject heeft gedaan moet er rekening mee worden gehouden dat hij in 1996 over een raadkamerdossier beschikte waaruit hij bepaalde kennis kan hebben opgedaan.

Het overlijden van [slachtoffer 1]

Op 23 februari 1996 rond 18:45 uur werd [slachtoffer 1] door zijn huisgenoot [getuige] aangetroffen op de keukenvloer van zijn flatwoning aan de [adres ] in [plaats 1] . [5] bleek te zijn overleden. Hij lag op zijn rug met zijn benen gestrekt en zijn hoofd voor de radiator. Zijn beide armen lagen gestrekt langs zijn lichaam met zijn handen ongeveer 30 centimeter van zijn lichaam af. Hij lag in een grote plas gedeeltelijk gestold bloed. Rondom zijn rechterarm waren vegen in het bloed zichtbaar. Zijn rechterarm en rechterhand waren besmeurd met bloed. Het hoofd van [slachtoffer 1] was aan de voorzijde bedekt met grotendeels gestold bloed. Onder de radiator in de keuken, rechts naast de schouder van het slachtoffer werd een gedeeltelijk gedeformeerde kogel aangetroffen [C1]. [6]
[slachtoffer 1] bleek meerdere schotverwondingen te hebben met inschotopeningen in zijn gezicht, op zijn behaarde hoofdhuid en op zijn rechterarm. In het linker jukbeen bevond zich een inschotopening die van voor naar achter door de aangezichtsschedel tot in het rotsbeen liep. In het rotsbeen werden kogeldelen [S7] aangetroffen. Op het hoofd van [slachtoffer 1] bevond zich een inschotopening die van boven naar onder, van rechts heel iets naar links en van achter heel iets naar voren liep. Het schotkanaal liep tot aan een kogel [S6] die onder in de kin werd aangetroffen. Het beeld van de schotverwondingen past volgens de deskundige bij geraakt worden door drie of vier kogels bij leven. Door de schotverwondingen was sprake van beschadiging van onder meer de schedel en hersenen. De dieper reikende schotverwondingen hebben tot de dood geleid. [7]
Uit schotrestenonderzoek bleek dat het sporenbeeld van de inschotopening in de arm past bij een schootsafstand van minder dan 25 centimeter. Het sporenbeeld van de inschotopening op het hoofd past bij een schootsafstand tussen de 25 en 100 centimeter. [8]
De drie in vorm en grootte gelijke kogels [C1], [S6] en [S7] bleken afkomstig van revolverpatronen kaliber .38 Special. De kogels [S6] en [S7] zijn mogelijk afgevuurd uit hetzelfde wapen en ook kogel [C1] kan hieruit afkomstig zijn. De kogels zijn zeer waarschijnlijk afgevuurd uit een revolver van het kaliber .38 Special of het kaliber .357 Magnum. [9] De kogels [C1], [S6] en [S7] van het kaliber .38 Special hadden alle drie sporen van een loop met vijf, naar rechts draaiende trekken en velden. Deze bevindingen zijn veel waarschijnlijker wanneer de kogels zijn afgevuurd uit een revolver dan wanneer zij zijn afgevuurd uit een pistool. [10]
In de woonkamer werd op de glazen salontafel een flacon schoonmaakmiddel aangetroffen. [11]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 23 februari 1996 tussen 12:00 en 12:30 uur door [slachtoffer 1] was gebeld. Het gesprek had 20 tot 25 minuten geduurd. [12] Deze verklaring vindt steun in gegevens van PTT-telecom waaruit bleek dat die dag om 11:54 uur vanuit de autotelefoon (ATF) van [slachtoffer 1] gedurende 21 minuten en 14 seconden werd gebeld naar het nummer van [getuige] . [13] [getuige] is de laatste persoon met wie [slachtoffer 1] heeft gebeld.
Tussenconclusie tijdstip overlijden, doodsoorzaak en gebruikt wapen
  • [slachtoffer 1] is op 23 februari 1996 tussen 12:15 en 18:45 uur overleden;
  • hij is overleden door schoten door zijn hoofd, van dichtbij afgevuurd;
  • daarbij is zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van een revolver van het kaliber .38 Special of het kaliber .357 Magnum.

Het wegnemen van geld

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] gestolen computeronderdelen van Hewlett Packard verkocht. Op 22 februari 1996 had de getuige ongeveer 200 harddisks zien staan in de slaapkamer van [slachtoffer 1] . Die dag rond 13:00 uur kwam een Belgische man die [slachtoffer 1] [getuige] noemde
[het hof begrijpt: [getuige] ]aan de deur samen met twee andere mannen. De twee mannen laadden de harddisks in dozen en [getuige] en [slachtoffer 1] gingen aan tafel zitten rekenen, vermoedelijk om af te rekenen. [14]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 22 februari 1996 rond 13:00/13:30 uur samen met [getuige] en [getuige] in de woning van [slachtoffer 1] was. In zijn slaapkamer lagen de harddisks opgestapeld. [getuige] heeft 160 harddisks gekocht van [slachtoffer 1] voor een bedrag van 40.000 gulden. [15]
Het voorgaande vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige] , die heeft verklaard op 22 februari 1996 samen met [getuige] en [getuige]
[het hof begrijpt: [getuige] ]in Nederland 160 harddisks te hebben gekocht voor een bedrag van 40.000 gulden. [16]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] op 22 februari 1996 rond 15:45 uur in de coffeeshop kwam en hem een stapeltje bankbiljetten van duizend gulden liet zien. Aan de stapel te zien was het een bedrag van ongeveer 30.000 gulden. [17]
Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] de dag voor zijn dood 40.000 gulden had verdiend met deze deal en hij hier contant over beschikte.
Getuige [getuige] , de oom van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat hij weleens contant geld voor [slachtoffer 1] bewaarde. Op 22 februari 1996 kwam [slachtoffer 1] tussen 21:00 en 22:00 uur bij hem aan de deur met de vraag of hij een bedrag van 27.000 gulden voor hem wilde bewaren. De getuige heeft het geld in een envelop gedaan. In totaal zat er 58.000 gulden in de envelop die de getuige later aan de politie heeft overhandigd. [18]
Uit deze verklaring volgt dat [slachtoffer 1] die avond een bedrag van 27.000 gulden heeft ondergebracht bij zijn oom. Dit betekent dat hij vanaf dat moment nog beschikte over zo’n 13.000 gulden.
Uit de verklaringen van verschillende getuigen volgt dat [slachtoffer 1] vaak beschikte over grote geldbedragen en dat hij zijn geld bewaarde in een plastic mapje voor het kentekenbewijs, zo ook tijdens het stappen die avond.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] een keer gewaarschuwd heeft, omdat hij de grote jongen ging uithangen. Hij reed in een grote auto, had pakken met geld bij zich en ging op verschillende plekken met geld smijten, waaronder in de kroeg. Het kon niet op bij hem. De getuige heeft hem toen gezegd dat hij voorzichtiger moest zijn en zijn geld moest verbergen. [19]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] zijn geld bewaarde in een soort mapje voor autopapieren. Begin januari 1996 zag de getuige dat [slachtoffer 1] een mapje met daarin geld en autopapieren in zijn dashboardkastje deed. [20]
Getuige [getuige] verklaarde dat hij in de avond van 22 februari 1996 met [slachtoffer 1] meeging om een radio in zijn auto te laten inbouwen. Toen [slachtoffer 1] de reparateur betaalde, pakte hij het kentekenbewijs van de auto. In dat mapje zaten diverse briefjes van duizend gulden. [21]
Getuige [getuige] verklaarde dat hij [slachtoffer 1] de avond van 22 februari 1996 in [bedrijf 2] tegenkwam samen met [getuige] . Toen [slachtoffer 1] afrekende, haalde hij een stapeltje bankbiljetten uit zijn zak. Als [slachtoffer 1] een groot geldbedrag had dan borg hij dit meestal op in een doorzichtig plastic mapje waarin ook zijn rijbewijs, paspoort en dergelijke zat. [22] De getuige is met [slachtoffer 1] gaan stappen. In de nacht van 22 op 23 februari 1996 stapte [slachtoffer 1] uit de auto om bij een bootje op het [plaats 5] naar binnen te gaan. De getuige zag dat [slachtoffer 1] het eerder benoemde mapje uit het dashboard kastje pakte. In dat mapje zag hij in ieder geval een briefje van duizend gulden. Rond 06:30 uur stapte [slachtoffer 1] weer in de auto en stopte het mapje weer in het dasboard kastje. [23] Verder verklaarde getuige [getuige] dat [slachtoffer 1] het niet onder stoelen of banken stak dat hij zoveel geld had. Hij toonde vaak openlijk de briefjes van duizend gulden. [24]
Het hof overweegt dat [slachtoffer 1] tijdens het stappen in de avond/nacht van 22 op 23 februari 1996 weliswaar geld zal hebben opgemaakt, maar dat het niet aannemelijk is dat hij het gehele bedrag van 13.000 gulden heeft uitgegeven. Dit vindt bevestiging in het feit dat getuige [getuige] in de vroege ochtend van 23 februari 1996 in ieder geval nog een briefje van duizend gulden heeft gezien in het mapje.
Daarnaast heeft getuige [getuige] verklaard dat hij voor zijn aandeel in de deal met de [naam] een bedrag van 7.000 gulden van [slachtoffer 1] zou ontvangen en dat zij afspraken dat [slachtoffer 1] dit vrijdagavond
[het hof begrijpt: vrijdagavond 23 februari 1996]bij hem langs zou brengen. Dat is niet meer gebeurd, omdat [slachtoffer 1] is overleden. [25]
Het hof concludeert dat [slachtoffer 1] bij thuiskomst in de ochtend van 23 februari 1996 nog over een aanzienlijk geldbedrag moet hebben beschikt. Aannemelijk is dat hij dit bewaarde in het mapje van het kentekenbewijs.
Bij het aantreffen van het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] bleek dat beide slaapkamers
[het hof: van de flatwoning aan de [adres ] ]overhoop waren gehaald. De kast in de slaapkamer van huisgenoot [getuige] maakte een doorzochte indruk. Op de vloer voor de kast lagen verschillende goederen. Verder lagen er op de vloer onder meer een cd-speler voor in de auto en een videorecorder. [26] Het bed in de slaapkamer van [slachtoffer 1] was overhoop gehaald. Het dekbed, kussen en de hoes waren weggetrokken naar de onderzijde van het bed. De beide deuren van de kast in de slaapkamer stonden open en op de grond in de kast lagen diverse papieren en goederen. De kast maakte een doorzochte indruk. Ook op de slaapkamervloer lagen diverse papieren. Achter de televisie lag wat geld op de grond. [27] In de doorzochte kast op de slaapkamer van [slachtoffer 1] werden diverse papieren aangetroffen, waaronder het rijbewijs van [slachtoffer 1] , zijn paspoort en het kentekenbewijs van zijn auto. Daarnaast werd een kunststof hoesje van het formaat kentekenbewijs aangetroffen met daarin twee kartonnetjes om een joint te draaien en een klein gripzakje met wiet. [28]
Het hof stelt op grond hiervan vast dat in het mapje van het kentekenbewijs, waarin [slachtoffer 1] als gebruikelijk zijn geld bewaarde en ook op andere plekken in zijn slaapkamer of in zijn kleding, geen geld is aangetroffen.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het (restant van het) geldbedrag van 13.000 gulden uit de woning is weggenomen en dat de persoon die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht daarvoor verantwoordelijk moet zijn geweest.

Betrokkenheid verdachte

De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht en het geld heeft weggenomen. Het hof overweegt hierover het volgende.
Relatie tussen [slachtoffer 1] en verdachte
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in het begin altijd zaken deed met [verdachte] . Twee jaar voor zijn dood ging de handel van [slachtoffer 1] via [verdachte] . Verdachte had toen de contacten. Laten kreeg [slachtoffer 1] zelf contacten. [verdachte] was niet betrokken bij de handel die [slachtoffer 1] de laatste dagen had met de [naam] . [29]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] en [slachtoffer 1] samen zaken deden. Het viel de getuige met name het laatste half jaar op dat zij samen waren. [30]
Getuige [getuige] , destijds de vriendin van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar verteld had dat hij het gevoel had dat [verdachte] hem ‘onder zijn duiven probeerde te schieten’. [31]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [verdachte] op 21 februari 1996 woorden hadden gehad in coffeeshop [bedrijf 1] . Het was duidelijk dat ze een meningsverschil hadden. [32]
Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [verdachte] een meningsverschil hadden. Dit was een paar weken voor de vakantie begin februari. [verdachte] had dit aan de getuige verteld en had hem, zij het met een lach, een patroon gegeven die bedoeld was voor [slachtoffer 1] . [33]
Getuige [getuige] verklaarde dat [slachtoffer 1] vertelde dat hij in de stad een paar klappen op zijn bek had gekregen van [verdachte] . [slachtoffer 1] vertelde dat verdachte zich voelde buitengesloten. [34]
Uit voorgaande verklaringen volgt dat [slachtoffer 1] en verdachte in het verleden samen zaken deden, maar er inmiddels ook sprake was van onenigheid tussen hen, in ieder geval ook twee dagen voor de dood van [slachtoffer 1] .
Vuurwapenbezit
Uit de verschillende verklaringen in het dossier volgt dat verdachte in 1996 de beschikking had over een vuurwapen, waaronder een revolver, en hij deze vaak bij zich droeg.
Zo heeft getuige [getuige] verklaard dat [verdachte] altijd in het bezit is van een vuurwapen, dat hij meestal achter in zijn broeksband heeft zitten. [verdachte] heeft weleens een vuurwapen en patronen laten zien. [35]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] hem de week voor de dood van [slachtoffer 1] een verchroomde revolver liet zien. Deze zat in zijn broeksband. De getuige verklaarde verder dat hij wist dat [verdachte] altijd een vuurwapen bij zich had. [36]
Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] in het bezit was van een vuurwapen. Anderhalf jaar daarvoor had [verdachte] voor de coffeeshop ruzie met [getuige] . De getuige zag dat [verdachte] een zwart pistool uit zijn broeksband trok ter intimidatie van [getuige] . [37]
Dit vindt bevestiging in de verklaring van getuige [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij [verdachte] buiten de coffeeshop bij zijn kraag heeft gepakt en tegen een raam duwde, waarna hij zag en voelde dat [verdachte] een zwart pistool tegen zijn buik drukte. [38]
Bezoek van de deurwaarder
Getuige [getuige] , deurwaarder bij de gemeente [gemeente] , heeft verklaard dat hij op 23 februari 1996 om 11:31 uur aan de deur is geweest bij [verdachte] aan de [adres 2] in [plaats 1] . Het betrof een dwangbevel van 310 gulden. De vrouw die opendeed, vertelde dat ze niet kon betalen, omdat ze niet genoeg geld in huis had. [39]
Verdachte heeft in 1996 verklaard dat hij wakker werd gebeld door de deurwaarder. [getuige]
[hof: [getuige] ; de toenmalige partner van verdachte]heeft de deurwaarder te woord gestaan. Er zou later die dag betaald worden, omdat er geen geld in huis was. [40]
Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van getuige [getuige] . [getuige] heeft namelijk verklaard dat [verdachte] op 23 februari 1996 aan het begin van de middag in de coffeeshop kwam en hij toen vertelde dat de deurwaarder was geweest. Hij had gezegd dat hij geen geld had om te betalen. [verdachte] vertelde dat hij die schuld nog moest gaan betalen. [41]
Uit navraag bij de Afdeling Invorderingen van de gemeente [gemeente] bleek dat het dwangbevel van [verdachte] op 23 februari 1996 om 13:31 uur was voldaan. [42] De betaling was contant gedaan. [43]
Verdachte is ter zitting bij de rechtbank gevraagd naar een verklaring voor het feit dat bij het bezoek van de deurwaarder om 11:31 uur niet werd betaald omdat er geen geld in huis zou zijn, en vervolgens twee uur later wel werd betaald zonder dat is gebleken hoe verdachte aan dit geld zou zijn gekomen.
Hierop heeft verdachte verklaard dat hij altijd geld in huis had, maar hij nog in bed lag en daarom niet kon betalen. Ook op zitting in hoger beroep heeft verdachte in vergelijkbare zin verklaard. Deze verklaring acht het hof niet aannemelijk.
[getuige] heeft namelijk in 1996 verklaard dat [verdachte] die dag rond 10:00/10:30 uur was opgestaan en hij ten tijde van het bezoek van de deurwaarder in de woonkamer zat, maar nog niet was aangekleed. [44] Dat verdachte toen geld in huis had wordt bovendien weerlegd door voornoemde verklaring van verdachte zelf in 1996 en die van getuige [getuige] .
Het hof stelt op grond van het voorgaande het volgende vast:
  • verdachte had op 23 februari 1996 om 11:31 uur geen geld om de deurwaarder te kunnen betalen;
  • om 13:31 uur beschikte hij wel over contant geld om de dwangsom te voldoen;
  • verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe hij aan dit geld is gekomen.
Alibi
Met betrekking tot de bezigheden van verdachte in de periode tussen 11:31 uur en 13:31 uur overweegt het hof het volgende.
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte in 1996 werd een handgeschreven notitie aangetroffen met aantekeningen die betrekking hadden op 22 en 23 februari 1996. [45] De notitie is geschreven in de ik-vorm en de naam [verdachte] komt meerdere keren voor. De strekking van de notitie is wat deze ik-persoon en [verdachte] op donderdagvond 22 februari 1996 en vrijdag 23 februari 1996 hebben gedaan. De politie concludeert dat de inhoud van de notitie overeenkomt met wat verdachte en [getuige] in 1996 bij de politie hebben verklaard. Het alibibriefje bevat over het genoemde tijdsframe het volgende:
  • omstreeks 12 uur deurwaarder;
  • [verdachte] daarna aangekleed;
  • honden uitgelaten;
  • boodschappen gedaan op het [locatie 2] .
Er is vergelijkend handschriftonderzoek verricht tussen de handgeschreven notities op het alibibriefje en door [getuige] geschreven teksten. De resultaten van dit onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer het alibibriefje door [getuige] is geschreven, dan wanneer dit geschreven is door een willekeurige andere persoon. [47]
Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie in 1996 ook verklaard dat de aangetroffen notitie door [getuige] is geschreven. [48] Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij haar de inhoud van het briefje heeft gedicteerd. [49]
In 1996 heeft verdachte over de periode tussen 11:31 en 13:31 uur verklaard dat hij zich na het bezoek van de deurwaarder heeft aangekleed en hij rond 12:00 uur de honden is gaan uitlaten. Hij heeft ongeveer een half uur tot drie kwartier met de honden gewandeld. Tijdens het wandelen zou hij de volgende personen zijn tegengekomen:
  • een Nederlandse vrouw met een gezet postuur, een rode winterjas met zwarte schouderstukken en een kleine zwarte keeshond;
  • een oudere man met een bril en een baard (een soort Chriet Titulaer baard) en grijs haar, met een boomer hondje;
  • ook kan hij [getuige] zijn tegengekomen met zijn dobermann.
Rond 13:00 uur was hij in coffeeshop [bedrijf 1] . Daarna is hij rond 13:30 uur de boete gaan betalen bij het stadhuis in [plaats 1] . Vervolgens ging hij weer naar de coffeeshop waar hij rond 14:00 uur werd gebeld door [getuige] . Daarna is hij boodschappen gaan doen op het [locatie 2] .
Het hof stelt vast dat deze verklaring in grote lijnen overeenkomt met wat in de notitie staat.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de verklaring van verdachte dat hij personen zou zijn tegengekomen tijdens het uitlaten van zijn honden.
[getuige] verklaarde dat hij zijn hond alleen ’s morgens en ’s middags uitlaat en hij verdachte op 23 februari 1996 niet heeft gezien. Ook de man met de ‘Titulaer-baard’, de heer [getuige] , heeft verklaard verdachte die dag niet te zijn tegengekomen. Hij had zijn hond die dag bovendien alleen tussen 09:00 en 10:00 uur en rond 14:30 uur uitgelaten. [50] Getuige [getuige] , door de politie geïdentificeerd als de vrouw met het keeshondje, verklaarde dat zij de betreffende dag niet buiten was geweest, omdat zij ziek was. Haar vriendin, [getuige] , verklaarde dat zij de hond die dag had uitgelaten en zij daarbij niemand was tegengekomen. [51] De verklaring van verdachte wordt door de getuigen dus niet bevestigd.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [getuige] in 1996, reeds voordat [verdachte] als verdachte van dit feit werd aangehouden, een alibi heeft opgeschreven voor verdachte.
Dit alibi blijkt, in ieder geval ten aanzien van het uitlaten van de honden tussen grofweg 12:00 en 12:45 uur, vals te zijn. De personen die verdachte zegt te hebben gezien tijdens het uitlaten van de honden, zijn op dat moment helemaal niet buiten geweest met hun honden.
Ten aanzien van de reden waarom verdachte een vals alibi zou opgeven, overweegt het hof het volgende.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar op 23 februari 1996 rond 12:00 uur belde. Tijdens dit telefoongesprek vertelde [slachtoffer 1] dat [verdachte] hem wakker had gebeld. [verdachte] zat daar nu, omdat hij problemen had met zijn vrouw. [verdachte] Lenards is de enige [verdachte] die de getuige kent, die weleens bij [slachtoffer 1] over de vloer kwam. De getuige weet zeker dat [slachtoffer 1] hem bedoelde, want als [slachtoffer 1] [verdachte] uit [plaats 3] had bedoeld dan had hij dat erbij gezegd. [52]
Dat [verdachte] problemen had met zijn vrouw past bij het bezoek van de deurwaarder een half uur daarvoor, waarbij geen geld in de woning aanwezig was om de schuld te betalen. In aanvulling op voornoemde verklaring heeft getuige [getuige] bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zich meent te herinneren dat [slachtoffer 1] in het laatste telefoongesprek zei: ‘de schele is hier’. [53]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zijn roepnaam [getuige] is en dat als [slachtoffer 1] tegen anderen sprak over een ‘ [verdachte] uit [plaats 3] ’ hij vast getuige bedoelde. [54] Begin januari
[het hof begrijpt: 1996]kwam [slachtoffer 1] samen met een jongen bij getuige die zich voorstelde als [verdachte] . Deze persoon droeg een staartje en het viel getuige op dat hij iets aan zijn ogen had. Het leek of hij iets scheel was. Volgens [getuige] is het laatste contact tussen hem en [slachtoffer 1] eind januari
[het hof begrijpt: 1996]geweest. Daarna heeft hij zowel telefonisch of persoonlijk geen contact meer gehad met [slachtoffer 1] . [55]
Het hof stelt op grond van de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] vast dat verdachte ten tijde van het telefoongesprek tussen [slachtoffer 1] en [getuige] in de woning van [slachtoffer 1] aanwezig was.
Uit gegevens van de PTT-telecom blijkt dat op 23 februari 1996 om 11:50 uur vanuit de ATF van [slachtoffer 1] gedurende 3 minuten en 52 seconden was gebeld naar het telefoonnummer van [getuige] . Verder volgt uit deze gegevens dat vervolgens om 11:54 uur gedurende 21 minuten en 14 seconden was gebeld vanuit de ATF van [slachtoffer 1] naar het telefoonnummer van [getuige] . [56] Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] na het beëindigen van het telefoongesprek met [getuige] vrijwel direct met [getuige] heeft gebeld.
[getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar belde en vertelde dat hij op bed zat. Zij hoorde hem zeggen: “Ik ben in gesprek, doe de deur even dicht”. [57]
Uit deze verklaring volgt dat er op dat moment, naast [slachtoffer 1] , nog een ander persoon in de woning aanwezig was. Het hof gaat er daarom vanuit dat verdachte op dat moment nog altijd in de woning van [slachtoffer 1] was en dat verdachte dat ook nog was, toen [slachtoffer 1] het telefoongesprek beëindigde. Dat leidt het hof af uit het feit dat [getuige] ook verklaard heeft dat [slachtoffer 1] ophing met de woorden: “Hang nu op, moet even iets rechtzetten”. [58]
Uit de historische printgegevens van de mobiele telefoon van verdachte bleek dat met deze telefoon op 23 februari 1996 om 12:08 uur is gebeld naar coffeeshop [bedrijf 1] . [59]
Tussenconclusie gelegenheid en motief
Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot de tussenconclusie dat verdachte op 23 februari 1996 aan het eind van de ochtend/begin van de middag (ten tijde van de telefoongesprekken van [slachtoffer 1] met [getuige] en [getuige] ) bij [slachtoffer 1] in de woning aanwezig was en hierover een vals alibi heeft laten opschrijven door zijn partner [getuige] .
Hij beschikte daarmee over de gelegenheid om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Op grond van hetgeen overwogen is over de (zakelijke handels)relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] en het bezoek van de deurwaarder had verdachte een (financieel) motief om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zoals hierna ook blijkt uit de uitlatingen van verdachte in de OVC-gesprekken.
Verklaringen tegenover de WOD’ers vinden steun in overige bewijsmiddelen
Zoals reeds overwogen, heeft verdachte uitlatingen gedaan over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] in een op hem gericht WOD-traject. Verdachte heeft dit afgedaan als een blufverhaal, bedoeld om indruk te maken op de inwinners en om geld te verdienen. Weliswaar heeft verdachte op verschillende momenten in dit WOD-traject niet de waarheid gesproken door verhalen te verzinnen of aan te dikken, maar dit brengt naar het oordeel van het hof op zichzelf niet reeds mee dat zijn uitlatingen tijdens het WOD-traject daarom als onbetrouwbaar van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het betekent namelijk niet dat alles wat verdachte tegenover de WOD’ers verteld heeft, gelogen is of per definitie als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Zoals eerder overwogen betekent dit wel dat extra behoedzaam moet worden omgegaan met zijn uitlatingen en deze in voldoende mate steun moeten vinden in andere bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van het hof vinden de uitlatingen van verdachte over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] op relevante punten bevestiging in hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen.
Op 9 december 2021, op de terugrit van de klus in Polen naar huis heeft verdachte voor het eerst verteld over [slachtoffer 1] . In dit gesprek vertelde hij onder meer het volgende:
“(…) [verdachte] : Ken je niet die computers van HP?
NN1: HP, oh ja, ja. Sorry, ik ken toch HP sorry, ja.
[verdachte] : Dat bedrijf was gevestigd in [plaats 1] ,
NN1: Ja.
[verdachte] : Dat is 19…..ntv…werd dat gevestigd in [plaats 1] . Daar heb ik 252
miljoen weggestolen.
NN1: Nee joh…
[verdachte] : Ja.
NN1: Hoe kom je daar bij dan?
[verdachte] : Ja, wij lieten…uh…Ik kende iedereen die daar werkte, natuurlijk. Dat waren allemaal jongens die van een uitkering kwamen. Die hadden allemaal geen gelden te makken en wilden allemaal geld verdienen. Dus ik zeg uh, jongens ik zeg uh, ik wil wel, maar daar was geen, uh alle doks waren niet beveiligd en toen op een gegeven moment was dok 1 beveiligd, dok 2 beveiligd, maar wij hebben 7 vrachtwagens laten weghalen daar.
(…)
[verdachte] : (…) Dat verhaal staat allemaal op internet, daar staat mijn naam nog bij. Hewlett en Packard. Er staat zelfs nog een heel verhaal met [naam] , die heeft toen met uh….die had een beetje woorden met mij gekregen, die wou toen geld van mij, dat is een heel verhaal, dat er een vechtpartij is geweest tussen mij en hem en [slachtoffer 1] , er zijn ook 4 doden in gevallen, eentje in Curaçao is doodgegaan, eentje in uh, toen was ik toevallig was ik in Curaçao op dat moment, eentje in de [locatie 1] is dood uh.
NN1: Waar?
[verdachte] : [locatie 1] . Waar ik ook woonde.
NN1: Waarzo?
[verdachte] : [locatie 1] is in [plaats 1] .
NN1: Ohh.
[verdachte] : Daar woonde ik, daar is ook eentje doodgeschoten. En er is uh, [naam] in, hoe heet dat, in [plaats 4] is doodgeschoten. Dus 3 jongens, 3 kopstukken die in die dingen zaten, die gingen praten.
NN1: Wie waren dat allemaal?
[verdachte] : Ja, dat zijn dealertjes…. [slachtoffer 1] , uh [naam] en, wie was die andere gozer, hoe heet die gozer ook al weer, maar die waren alle drie doodgeschoten.
(…)
NN1: Ja, maar daar ging jou handel zeg maar, toen die allemaal doodgingen of zo.
[verdachte] : Nou, ik heb uh paar maandjes voor vastgezeten ook.
NN1: Voor welke?
[verdachte] : Voor alle 3.
NN1: Nee joh.
[verdachte] : Ja, maar ze konden geen bewijzen dus uh.
NN1: (NN1 lacht even) Maar? Heb je geluk gehad?
[verdachte] : Nee, slim zijn hé?
(…)
[verdachte] : Nee, je moet niet praten, dat is belangrijk dat je niet praat naar anderen, want sommige jongens, zoals die [slachtoffer 1] , dat was er eentje die ging praten in de koffieshop. Was hij stoned, ging hij lopen ouwehoeren met jongens. Ging hij geld uit zijn zak trekken. Hij had 50.000 of 100.000 euro laten zien, dat was niet zijn geld.
Begrijp je wat ik bedoel?
NN1: Oh, dat was van de handel zeg maar?
[verdachte] : Dat geld dat had hij gekregen van de handel, dan had hij zijn spullen verkocht maar hij moest nog mensen betalen, begrijp je?
NN1: Waaronder jij?
[verdachte] : Het was mijn geld eigenlijk op dat moment. Dus ik heb hem een paar klappen gegeven in de koffieshop en 2 dagen daarna was hij dood, begrijp je? Dus ze zeiden ja. Ik heb hem doodgeschoten en toen zei ik van nou, bewijs het dan maar, begrijp je? Dat is heel simpel. Dat konden hun niet bewijzen, heb ik er wel 9 maanden voor vast gezeten, maar ik had een goede advocaat, geen bewijs en dan ga je er uit.
(…)
NN2: Heb je geen last meer van, van dat verhaal?
[verdachte] : Nee, nee. Wat moet ik daar voor last van hebben. Ik had wel eens, weet je wat het is, die jongens uh, waren allemaal oude jongens krentenbrood maar uh. ( [verdachte] mompelt zachtjes) [slachtoffer 1] , Coldcase kalender, hier. ( [verdachte] praat weer hardop) Dit was [slachtoffer 1] , doodgeschoten.
(…)
[verdachte] : Nee, is niet mijn mattie. Hij deed wel dingen voor….., kijk, Hewlett Packerd, hier, computerbedrijf Hewlett & Packerd, HP is maar uh, hij is daar ontslagen, daarna is hij uh.
NN1: Hij werkte daar?
[verdachte] : Ja, hij werkte daar. Hij is computers gaan stelen… ff kijken staat mijn naam hier niet.. genoemd?....Waarschijnlijk niet…
NN1: Is dat jouw dinges, inside man, zeg maar?
[verdachte] : Dit was mijn inside man, ja.
NN1: Aha. Klote voor hem.
(…)
NN1: Wat een gedoe man, 9 maanden had je gezeten toch?
[verdachte] : Ja.
NN1: Dan hebben ze je uiteindelijk alleen maar berecht voor HP zaak.
[verdachte] : Ik ben vrijgesproken van de moord omdat ze moord niet konden bewijzen en ik heb alleen uh Hewlett Packard, omdat ze die uh…. nog niet eens alles. De cartridges konden ze op mijn naam zetten, ze vonden 1 fokking cartridge in mijn garage.
[verdachte] : 1 doosje…. zo’n doosje.
NN1: Ja.
[verdachte] : En daarop werd ik veroordeeld.
(…)
NN1: Ja daarom, dat, wat daar is uitgekomen eindelijk, weet je wel met die boys met die [slachtoffer 1] en zo, hoe heette die?
[verdachte] : [slachtoffer 1] ?
NN1: Dat is wel schijten in je eigen plek zeg maar.
[verdachte] : Ja, ja, maar weet je wat het was.
NN1: Ik vraag mij af, wat is daar gebeurd.
[verdachte] : Ja, het was te makkelijk.
NN1: Nee, maar wat is daar gebeurd dat je dacht ik moet actie ondernemen.
[verdachte] : Hij ging met mijn geld in de coffeeshop lopen gooien en hij, iedereen wist op een gegeven moment dat hij er bij betrokken was.
NN1: Ja, oké.
[verdachte] : Dus iedereen in die coffeeshop wist op een gegeven moment dat ik erbij betrokken was, dus ik ben, dat staat ook in de telegraaf, het verhaal kun je zo, ik kwam die coffeeshop binnen, en ik heb hem door de hele coffeeshop heen geslagen. Toen heb ik hem dat geld afgepakt en heb gezegd, jij komt vanavond bij mijn thuis kom jij even bij mij praten. begrijp je, twee dagen daarna was die dood. (…)” [60]
Uit dit gesprek leidt het hof af dat verdachte op eigen initiatief begint te vertellen over de Hewlett Packard zaak en de dood van [slachtoffer 1] . De details die verdachte daarbij geeft over de achtergrond en context van zijn dood, vinden steun in het dossier en de hiervoor weergegeven verklaringen. Zoals het feit dat [slachtoffer 1] ging praten in de coffeeshop, grote geldbedragen liet zien en computeronderdelen stal van Hewlett Packard. Maar ook dat verdachte alleen is veroordeeld voor heling in de Hewlett Packard zaak en niet voor de moord/doodslag, omdat ze die niet konden bewijzen. Ook spreekt verdachte over het geven van klappen, een conflict in de coffeeshop en het feit dat [slachtoffer 1] twee dagen later dood was. Dit past bij de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] , zoals hiervoor aangehaald.
Wanneer verdachte en de Duitse inwinner op 12 februari 2022 samen op pad gaan voor een observatieklus, vertelt verdachte gedetailleerd over het doodschieten van [slachtoffer 1] .
“VE: Ja, omdat ze me daar nooit meer voor kunnen halen, weet je waarom niet.
IP: Maar wat maakt je zo zeker, ik weet dat ik bloedde voor die shit, wat maakt je zo zeker?
VE: Omdat ze een nieuwe aanklacht moeten hebben om dat weer te openen en dat kunnen ze nooit krijgen omdat ze allebei zijn verbrand, de jongens.
IP: De jongens.
VE: Ja ze zijn in Nederland, de jongen is verbrand in as, in crematie gedaan, en Curaçao hebben ze dat ook gedaan, dus ze hebben al het bewijs zelf verbrand.
IP: Dan ben je veilig, dan is het goed.
VE: Ja, ze kunnen me daar nooit meer voor pakken. (…)” [61]
Verdachte geeft aan dat ze hem nooit meer kunnen vervolgen voor betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] , omdat er dan een nieuw feit moet zijn. Dit past bij het feit dat verdachte in 1996 reeds als verdachte is aangemerkt en voorgeleid, maar hij hier uiteindelijk niet voor vervolgd is.
“IP: Maar nu even tussen ons, heb je hem neergeschoten of gewurgd of?
VE: Doodgeschoten.
IP: Doodgeschoten.
IP: Dat is gaaf.
VE: Ja.
(…)
IP: Nee, ik bedoel, voor jouw ding daar, waar je die ander hebt weggemaakt, hebt doodgeschoten.
IP: Wat heb je genomen, een pistool of?
VE: Alles.
IP: Nee, om die andere weg te maken, wat?
VE: Oh, voor de verkoop bedoel je? Om de pistolen te verkopen?
IP: Nee, ik bedoel voor jouw ding daar, waar je die ander hebt weggemaakt, hebt doodgeschoten.
VE: Ja, dat is, dat gaat eigenlijk nergens over. Het gaat nergens over.
IP: Nee, wat was het pistool.
VE: Oh, revolver.
(…)
VE: Ja, ja bloed is natuurlijk.
IP: Had jij bloed?
VE: Nee.
IP: Omdat te grote afstand, hè.
VE: Ja.
VE: Ja, ja ik bedoel, heel dichtbij.
IP: Was je er dichtbij?
VE: Ja.
IP: Echt waar.
IP: Waar heb je gedaan, hoofd of?
VE: Hoofd, ja.” [62]
In dit deel van het gesprek vertelt verdachte aan de inwinner dat hij [slachtoffer 1] van dichtbij door zijn hoofd heeft geschoten met een revolver. Dit past bij het sporenbeeld dat is aangetroffen en de onderzoeksbevindingen ten aanzien van het gebruikte vuurwapen.
“IP: Heb je, heeft hij je gezien?
VE: Ja.
IP: Keek hij je in de ogen?
VE: Eh, hij moest me in de ogen kijken.
IP: Zei je dat tegen hem. Wat zei je tegen hem.
VE: Ik liet hem op zijn knieën zitten.
IP: Ja, zo van, ga zitten?
VE: Ja, ja.
IP: En toen zei hij, alsjeblieft of wat?
VE: En toen zei ik eh, waarom heb je het gedaan en hij gaf het verkeerde antwoord.
IP: Wat heeft hij gezegd, wat was verkeerd?
VE: Omdat het, ja, eh, geld is ook van mij, ik heb er ook mijn aandeel in, maar zij
hebben er geen aandeel in, het was, ik heb alles eh.
IP: Maar dat was jouw geld.
VE: Ja, ja, weet je wat het is, sommige kerels zijn zo bekrompen en getikt.
IP: Ja.” [63]
Het hof stelt vast dat het laten knielen van [slachtoffer 1] en hem vervolgens door het hoofd schieten, goed past bij de vastgestelde schootsbaan van de kogel die via de behaarde hoofdhuid zijn hoofd binnen is gekomen, namelijk van boven naar onder en van achter heel iets naar voor tot onder in de kin.
In de herhaalde uitspraak van verdachte dat het geld (van [slachtoffer 1] ) ook (gedeeltelijk) van hem was, ziet het hof een relatie met de door getuigen geconstateerde onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer 1] vlak voor zijn dood in combinatie met het feit dat [slachtoffer 1] na zijn dood niet langer beschikte over een groot contant geldbedrag.
“IP: Was je niet bang dat er iemand komt ofzo.
VE: Ja, als iemand daar komt, dan ja is dan ook zijn probleem.
IP: Ja.
VE: Daar kon een jongen aankomen, dat was zijn gast eh, die samen met hem samen het huis huurt, maar hij was naar zijn werk.
IP: Wist je dat?
VE: Ja, ik wist ook waar hij werkte natuurlijk.” [64]
Hieruit volgt dat verdachte wist dat de huisgenoot van [slachtoffer 1] aan het werk was. Zoals het hof reeds heeft overwogen, heeft verdachte op de dag van de dood van [slachtoffer 1] om 12:08 uur vanuit de woning van [slachtoffer 1] naar de coffeeshop gebeld, waar [getuige] op dat moment aan het werk was. Op die manier wist verdachte dus dat [getuige] niet thuis zou komen. Dit past bij wat verdachte tegen de inwinner heeft verteld.
“IP: Had hij tenminste nog geld in de flat?
VE: Ja, ja, ja, niet veel maar het was, hij gaf de helft van het geld al aan zijn moeder en zijn moeder gaf het aan de politie.
(…)
VE: Ja ik wilde het geld niet echt nemen want ik had het niet nodig ik had mijn eigen geld natuurlijk, dus dat was veel meer, natuurlijk.” [65]
Deze passage past naar het oordeel van het hof bij het feit dat [slachtoffer 1] een groot deel van het contante geldbedrag had ondergebracht bij zijn familie en dat er om die reden dus minder geld in de woning aanwezig was. Zoals hiervoor overwogen heeft de oom van [slachtoffer 1] 58.000 gulden in een envelop aan de politie overhandigd. Het feit dat verdachte zegt dat hij “het geld niet echt wilde nemen” past bij het daadwerkelijk wegnemen van geld uit de woning.
“VE: Haha in die tijd daar, je denkt er niet meer over na, dacht ik ook, wat, ik kwam binnen met mijn handen op de deur natuurlijk. Toen heb ik ook de deur schoongemaakt.
IP: Ja.
VE: Ja, want achteraf toen ik thuis was dacht ik, ja, dat had ik helemaal niet hoeven doen, want het was een vriend van mij, ik was er de dag ervoor, was ik ook bij hem.
IP: Je was er sowieso.
VE: Ja, mijn DNA zit er sowieso in. Toen hebben ze daar geen DNA gedaan.” [66]
Zoals vastgesteld is op de salontafel in de woonkamer een spuitflacon met schoonmaakmiddel aangetroffen. Dit past bij hetgeen verdachte tegenover de WOD’er heeft verteld over het schoonmaken van de deur. Daarbij is opvallend dat verdachte omschrijft welke gedachten hij hier achteraf bij heeft gehad, namelijk dat hij dit niet had hoeven doen, omdat hij de dag ervoor ook in de woning was geweest. Dat verdachte de dag ervoor ook in de woning was, vindt overigens ook steun in het dossier [67] .
“IP: Waar had je die revolver vandaan? Had je die al of heb je die speciaal gekocht?
VE: Nee nee, ik had het al, dat was mijn ding in die tijd, ik had zo veel van die blaffers liggen.
IP: Ja.
VE: Dat was gewoon eh welke moet ik nemen, nieuwe of waar het twee keer mee geschoten is.
IP: Vrije keuze.
VE: Ja.
IP: Wat is dat, hoeveel millimeter dan? Bij revolvers is dat.
VE: Achtendertig.
(…)
VE: (…) Achtendertig is ja zijn goed, en er komt ook een goede patroon uit, hè.
IP: Ja?
VE: Ja.
IP: Dus je nam expres de achtendertig?
VE: Ja.” [68]
Verdachte benoemt tegenover de inwinner het kaliber van het vuurwapen waarmee hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal kan het hof niet vaststellen dat het hierbij gaat om zogenaamde daderinformatie. Het kaliber .38 staat in meerdere in 1996 opgemaakte en in het dossier opgenomen stukken vermeld en het hof kan niet met voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat deze informatie destijds bekend kan zijn geweest. Daarnaast is verdachte blijkens het dossier in het jaar 2000 veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen, waaronder een revolver van het kaliber .38 Special. Wel is het hof van oordeel dat de uitlatingen van verdachte over het doodschieten van [slachtoffer 1] met een revolver van het kaliber .38 steun geeft aan de betrouwbaarheid van zijn uitlatingen over (de dood van) [slachtoffer 1] tegenover de inwinner.
“IP: Maar beschrijf het voor me zo, dus boem je schoot hem in het hoofd, hij viel om, oké, en nu, wat doet hij, hij ligt daar en ademt.
VE: Ja, hij ademt, maakt lawaai, aahh, het laatste wat je uit het lichaam hoort.
IP: Ja.
VE: Ja, en dan maakt hij een beetje, beweegt zijn armen en benen.” [69]
Dat [slachtoffer 1] mogelijk nog bewegingen heeft gemaakt met zijn armen zou kunnen passen bij het sporenbeeld dat is aangetroffen. Zijn rechterarm en rechterhand waren besmeurd met bloed en rondom zijn rechterarm waren vegen in het bloed zichtbaar.
Tegenover deze punten die ondersteund worden door andere bewijsmiddelen in het dossier staat dat delen van de verklaring van verdachte (deels) door de bewijsmiddelen worden weersproken. De verklaringen van verdachte dat hij slechts één keer heeft geschoten, hij het vroeg in de ochtend deed terwijl iedereen nog sliep en hij na het schieten nog twee uur in de woning is gebleven, vinden bijvoorbeeld geen steun in het dossier. Dat de verklaring van verdachte op punten afwijkt van de bevindingen uit het tactisch en technisch onderzoek door de politie, maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee vaststaat dat hij alles heeft verzonnen en zijn verklaringen daarom niet betrouwbaar zijn. Veel (meer) specifieke details, zoals hiervoor overwogen, vinden namelijk wél steun in andere bewijsmiddelen.
Opvallend daarbij is dat verdachte het juiste type wapen en kaliber munitie noemt, maar opvallend zijn ook de passages die gaan over het laten knielen van [slachtoffer 1] , het van dichtbij schieten en de achtergrond en context van het doodschieten van [slachtoffer 1] (het geld, de ruzie, de afwezigheid van de huisgenoot vanwege werk). De opmerking dat de deur is schoongemaakt, maar dat dat niet hoefde omdat verdachte de dag daarvoor nog in de woning was geweest, klopt niet alleen volledig met de onderzoeksgegevens, maar is ook een opmerking die naadloos past bij een overpeinzing van een dader achteraf en is daarentegen moeilijk te plaatsen in een blufverhaal. Naar het oordeel van het hof past dit alles niet bij het scenario dat verdachte een verhaal heeft geconstrueerd op basis van een dossier dat hij 26 jaar daarvoor voor het laatst had gezien, verhalen die destijds rondgingen in [plaats 1] en berichten die in de tussentijd in de media zijn verschenen. Het hof acht zijn hierboven geciteerde uitlatingen over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] tegenover de WOD’ers dan ook betrouwbaar en zal deze ook gebruiken voor het bewijs.
Anonieme bedreigde getuige
Aan de betrouwbaarheid van de uitlatingen van verdachte in het WOD-traject draagt ook bij dat hij niet alleen tegen de inwinners heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Ook de anonieme getuige MDN302 heeft verdachte dit horen vertellen. Deze getuige heeft van de rechter-commissaris de status van bedreigde getuige gekregen, omdat voorkomen dient te worden dat de identiteit van de getuige bekend wordt. De rechter-commissaris heeft vervolgens een betrouwbaarheidsoordeel gegeven over de verklaring van deze getuige en is daarbij tot het oordeel gekomen dat er geen enkele aanleiding bestaat de getuige en diens verklaring niet betrouwbaar te achten.
Getuige MDN302 heeft het volgende verklaard:
“Ik wil verklaren over de dood van [slachtoffer 1] die werd vermoord in 1996. Ik heb [verdachte] horen zeggen dat hij [slachtoffer 1] heeft vermoord en dat ze hem hiervoor niet hadden kunnen pakken. Ik hoorde dat [verdachte] opschepte over de moord. Ik weet nog dat [verdachte] de achternaam noemde van [slachtoffer 1] , dus [slachtoffer 1] . Dat is blijven hangen omdat het niet een zo veel voorkomende naam is. [verdachte] is niet zo groot, ik denk niet groter dan 170m lang, breed van postuur. Hij was gespierd en dus breed van het sporten. Hij had lang haar, tot op zijn schouder en hij droeg het vaak in een staartje. [verdachte] vertelde dat hij van [naam] afkomst was. Hij had een lui oog, volgens mij links, maar dat weet ik niet zeker. Verder had hij tatoeages in de vorm van tribales op zijn armen en borst. [70]
Aan de getuige is door de verhorende verbalisanten van het Team Bijzondere Getuigen een foto getoond van verdachte, waarop de getuige verklaarde dat dit [verdachte] is. [71]
Het hof dient te beoordelen of de verklaring van de anonieme bedreigde getuige bruikbaar is voor het bewijs. De bepalingen van de artikelen 344a en 360 Sv zijn hierbij van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 344a Sv mag het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate worden gebaseerd op schriftelijke bescheiden met verklaringen van anonieme getuigen. Dit is in het onderhavige geval niet aan de orde. Daarnaast mag de verklaring slechts voor het bewijs gebruikt worden als het gaat om bepaalde ernstige misdrijven. In dit verband overweegt het hof dat het tenlastegelegde levensdelict is opgenomen in artikel 67, eerste lid, Sv en reeds gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Het hof stelt vast dat de identiteit van de getuige verborgen is gehouden omdat deze anders uit angst voor mogelijke gevolgen daarvan geen verklaring zou hebben afgelegd. Het hof is van oordeel dat het ondervragingsrecht van de verdediging weliswaar is beperkt, maar dat daaraan geen afbreuk is gedaan. Aan de verdediging is de gelegenheid geboden tot het schriftelijk indienen van alle vragen die zij aan deze getuige wilde stellen. De rechter-commissaris heeft aangegeven dat zij alle door de verdediging opgegeven vragen heeft gesteld aan de getuige en heeft zelf aanvullende vragen gesteld over de redenen van wetenschap. De door de getuige gegeven antwoorden zijn niet (allemaal) volledig opgenomen in het proces-verbaal van verhoor met het oog op het verborgen houden van de identiteit van de getuige. De rechter-commissaris heeft aangegeven dat geen ontlastende informatie is weggelaten en dat de gegeven antwoorden niet zijn gedenatureerd. Dit leidt tot de slotsom dat het hof de belastende verklaring van de anonieme getuige bruikbaar acht voor het bewijs en daarvoor ook zal gebruiken.
Het hof stelt vast dat de verklaring van deze getuige overeenkomt met de uitlatingen van verdachte tegenover de WOD’ers, zowel ten aanzien van het feit dat hij [slachtoffer 1] heeft gedood, als met betrekking tot het feit dat ze hem er destijds niet voor hadden kunnen pakken.
Verklaringen getuigen [getuige]
De verklaringen van verdachte in het WOD-traject en tegenover de anonieme getuige vinden ook steun in de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] .
Getuige [getuige] heeft in 2022 verklaard dat haar schoonzus
[hof: [getuige] , ex-partner verdachte]naar haar toe kwam en zei: “ [verdachte] heb [slachtoffer 1] doodgeschoten”. Zij heeft hier nooit over gesproken en altijd haar mond dicht gehouden. Zij durfde het ook niet eerder te vertellen. Voor haar gevoel was het net gebeurd toen haar schoonzus dit aan haar vertelde. Haar schoonzus was soort van in paniek, namelijk emotioneel en overstuur. [72]
Ook haar broer, getuige [getuige] , heeft een soortgelijke verklaring afgelegd. Marcel begreep dat [verdachte] samen met [slachtoffer 1] handelde in gestolen computeronderdelen van Hewlett Packard en dat [verdachte] er niet van gediend was dat [slachtoffer 1] daar meer geld mee verdiende dan hij. Van [getuige] begreep getuige dat [verdachte] had geprobeerd [slachtoffer 1] te rippen. [getuige] vertelde hem dat [verdachte] [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht. Getuige snapt ook niet dat hij niet eerder is verhoord door de politie. [getuige] had verteld dat [verdachte] heeft geschoten. [73]
Beide getuigen zijn ook gehoord door de rechter-commissaris. [getuige] heeft daar verklaard dat zij blijft bij haar eerdere verklaring. [74] [getuige] heeft verklaard dat hij zijn afgelegde verklaring eigenlijk wil intrekken, omdat hem anonimiteit was toegezegd. Maar verder heeft hij verklaard dat wat hij destijds bij de politie heeft verklaard wel klopt. [75]
Gelet op de verklaring van [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris ziet het hof geen reden zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring als onbetrouwbaar terzijde te schuiven.
Het hof overweegt dat de door [getuige] beschreven emoties van haar schoonzus [getuige] na de dood van [slachtoffer 1] enigszins steun vindt in de verklaring van getuige [getuige] . [getuige] heeft verklaard dat de vriendin van [verdachte] , [getuige]
[hof: [getuige] ], op 28 februari 1996 omstreeks 10.15 uur in coffeeshop [bedrijf 1] was. Tijdens het gesprek met haar over [slachtoffer 1] en een dader raakte zij behoorlijk overstuur en begon zij te huilen. Er werd namelijk over gesproken dat als de dader gepakt zou worden het te hopen was dat deze lang opgesloten zou worden. [getuige] vond haar reactie vreemd, omdat hij zich niet voor kon stellen dat zij zou huilen om [slachtoffer 1] omdat zij [slachtoffer 1] niet zo goed kende. [76]
Het hof is anders dan de verdediging van oordeel dat voornoemde verklaringen van getuigen [getuige] voldoende betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs. Dat [getuige] pas in haar laatste verhoor bij de politie in 2022 hierover heeft willen verklaren, maakt dat niet anders. Bij de politie heeft zij juist heel goed uitgelegd waarom zij pas na al die jaren deze verklaring heeft afgelegd en dit eerder niet heeft gewild of gedurfd. Van enige afstemming van de door [getuige] en [getuige] afgelegde verklaringen is daarnaast niet gebleken. Het hof heeft geen reden aan hun verklaringen te twijfelen en ziet geen reden deze buiten het bewijs te laten.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof zowel de hierboven weergegeven uitlatingen van verdachte in het WOD-traject als die van de anonieme bedreigde getuige én die van de getuigen [getuige] , zoals hiervoor als bewijsmiddelen opgenomen, betrouwbaar en bruikbaar acht. Het hof zal deze alle ook voor het bewijs gebruiken.
Alternatieve scenario’s en toevoegen foto [getuige] aan dossier
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat rondom de computerhandel op 22 februari 1996 van [slachtoffer 1] met de [naam] , waaronder [getuige] , iets is voorgevallen wat een concreet motief voor [getuige] zou kunnen zijn geweest om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ook overigens levert het dossier geen aanknopingspunten op voor mogelijke betrokkenheid van [getuige] bij de dood van [slachtoffer 1] . Het toevoegen van een foto van deze [getuige] aan het strafdossier acht het hof daarom niet noodzakelijk.
Ook voor het alternatieve scenario dat de twee inzittenden van de zilverkleurige auto – die door getuigen [getuige] en [getuige] op 23 februari 1996 omstreeks 17:40 uur bij de flat aan de [locatie 1] zijn waargenomen – betrokken zijn geweest bij de dood van [slachtoffer 1] bestaan op grond van het dossier geen aanknopingspunten. Het hof gaat daarom voorbij aan deze beide alternatieve scenario’s van de verdediging.

Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het hof dat verdachte op 23 februari 1996 rond 12 uur in de woning van [slachtoffer 1] was en dat hij hierover een vals alibi heeft laten opschrijven door zijn toenmalige vriendin [getuige] . Door de dader is geld weggenomen uit de woning van [slachtoffer 1] . Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen geconcludeerd dat verdachte om 11:31 uur die dag niet over geld beschikte en om 13:31 uur wel, waarvoor hij zelf geen goede verklaring heeft kunnen geven. Kort na 23 februari 1996 heeft [getuige] aan de getuigen [getuige] verteld dat verdachte [slachtoffer 1] heeft dood geschoten. Op enig moment heeft verdachte zelf verklaard – wat door de anonieme bedreigde getuige is gehoord – dat hij degene is die [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. In 2021/2022 heeft verdachte deze bekentenis tegenover de inwinners in het WOD-traject herhaald. Omdat deze bekentenis tegenover de inwinners op meerdere essentiële punten, ook met betrekking tot de achtergrond en context, steun vindt in overige bewijsmiddelen, acht het hof deze uitlatingen authentiek en betrouwbaar. Het hof acht op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en alles in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.
Nu op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] dood te schieten acht het hof, anders dan de advocaat-generaal, moord niet bewezen. Enkele uitlatingen aan de inwinners zouden kunnen worden geïnterpreteerd als dat verdachte een vooropgezet plan had, maar deze uitlatingen zijn wat het hof betreft onvoldoende duidelijk om tot die conclusie te komen. Daarbij is ook in de rest van het dossier onvoldoende steun voor voorbedachte raad bij de verdachte te vinden. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Het doodschieten van [slachtoffer 1] kan als doodslag worden gekwalificeerd. De doodslag is gepleegd in verband met een strafbaar feit, namelijk de diefstal van het geldbedrag. Voor de bewezenverklaring van een gekwalificeerde doodslag in deze zaak is het noodzakelijk dat vastgesteld wordt dat de doodslag is gepleegd om ofwel de diefstal voor te bereiden, ofwel gemakkelijker te maken, ofwel om de straffeloosheid ten aanzien van de diefstal te verzekeren bij betrapping op heterdaad. Hierover overweegt het hof het volgende.
Uit hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen volgt dat verdachte een financieel motief had om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Zoals hij tegenover de WOD’ers verklaarde was hij van mening dat het geld waarmee [slachtoffer 1] te koop liep in feite (deels)
zijngeld was. Ook blijkt dat verdachte nadat hij bij [slachtoffer 1] was geweest over geld beschikte dat hij daarvoor niet had. Het hof heeft hiervoor ook vastgesteld dat [slachtoffer 1] nog over een groot geldbedrag zou moeten beschikken dat hij in het mapje van het kentekenbewijs bewaarde en dat dit mapje tijdens de doorzoeking van de woning leeg is aangetroffen.
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gedood met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Daarmee acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag.

(Overige) voorwaardelijke verzoeken

Benoemen deskundige met betrekking tot overlijden [slachtoffer 1]
Verzoek van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een deskundige te benoemen die antwoord kan geven op vragen met betrekking tot het vermoedelijke tijdstip van overlijden, of de dood onmiddellijk is ingetreden, de (on)mogelijkheid van het bewegen van de arm(en) na het schieten en in hoeverre de aangetroffen lichaamspositie van [slachtoffer 1] overeenstemt ingeval van geknield zitten bij het door het hoofd schieten met de vastgestelde schootsbaan.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat nu nog antwoord kan worden gegeven op de door de verdediging gestelde vragen. Er is onvoldoende onderbouwing aanwezig voor twee elkaar uitsluitende scenario’s met betrekking tot de mogelijkheid van het bewegen van de armen. [slachtoffer 1] is ook in zijn arm geraakt en mogelijk is de dood niet meteen na de schoten in zijn hoofd ingetreden. Dit is niet doorslaggevend voor wie de dader is.
Oordeel van het hof
Nog daargelaten of een deskundige dertig jaar na de dood van [slachtoffer 1] nog iets kan zeggen over de vragen van de verdediging, acht het hof het nader laten rapporteren van een deskundige over de door de verdediging gestelde vragen niet noodzakelijk. Het hof acht zich op dit punt voldoende voorgelicht en wijst het verzoek af.
Verstrekken verhoorvideo van 17 april 1996
Verzoek van de verdediging
De verdediging heeft aanvankelijk bij pleidooi verzocht de videobeelden van het verhoor van verdachte van 17 april 1996 te verstrekken dan wel aan te merken als processtuk, als het hof de verklaring van verdachte over het .38 kaliber als daderwetenschap zou aanmerken. In reactie op het standpunt van de advocaat-generaal dat dit verhoor wel degelijk is uitgewerkt in een aanvullend proces-verbaal van 15 mei 1996 op pagina 3280 tot en met 3298, heeft de raadsman opgemerkt dat hij daar dan overheen heeft gelezen en dat voor het overige wordt gepersisteerd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het verzoek niet noodzakelijk nu het verhoor is uitgewerkt en niet is aangevoerd waarom niet van dit op ambtseed-/belofte opgemaakte proces-verbaal mag worden uitgegaan.
Oordeel van het hof
Het hof leidt uit de ter terechtzitting van 27 mei 2026 gedane mededeling van de raadsman af dat niet langer wordt gepersisteerd bij genoemd verzoek. Voor zover de verdediging dit verzoek wel wenst te handhaven, overweegt het hof dat uit het uitgewerkte verhoor van 15 mei 1996 op pagina 3280 tot en met 3298 niet blijkt dat het .38 kaliber waarmee [slachtoffer 1] is gedood ter sprake is gebracht. Bovendien heeft het hof zoals reeds overwogen bekendheid van verdachte met dit kaliber niet aangemerkt als zogenaamde daderkennis. Het hof acht het opvragen en verstrekken van de verhoorvideo voor zover nog beschikbaar daarom niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Eerlijk proces als geheel

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van vormverzuimen die ieder voor zich een onherstelbare inbreuk hebben opgeleverd op het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Ook is aangevoerd dat het opsporingsonderzoek van het onderzoeksteam zowel in 1996 als in 2020 ondeugdelijk is geweest en dat de verdediging onvoldoende is gecompenseerd voor al deze tekortkomingen.
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat van vormverzuimen, behoudens het geringe vormverzuim van het onvoldoende verbaliseren van het bezoek aan de Afdeling Invorderingen van de gemeente [gemeente] , niet is gebleken. Het hof acht geen reden aanwezig voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting of strafvermindering op grond van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, behoudens voor strafvermindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof geeft zich er weliswaar rekenschap van dat het voeren van verdediging in een zaak als de onderhavige wordt bemoeilijk doordat pas jaren na het feit nieuw opsporingsonderzoek wordt verricht en een vervolging wordt gestart, maar dat maakt nog niet dat het destijds in 1996 verrichte onderzoek ondeugdelijk was. Dat nader onderzoek in de ogen van de verdediging destijds is uitgebleven en niet alle (alternatieve) scenario’s zijn onderzocht, levert nog geen onherstelbare inbreuk(en) op van de verdedigingsrechten van verdachte in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Het hof is van oordeel dat aan de verdediging voldoende compensatie is geboden voor het voeren van een behoorlijke en effectieve verdediging. In eerste aanleg heeft de verdediging gebruik gemaakt van de mogelijkheid de OVC-opnames in het WOD-traject te beluisteren op het politiebureau. Daarnaast heeft de verdediging schriftelijke vragen kunnen stellen aan de begeleiders en inwinners in het WOD-traject die zijn beantwoord in een proces-verbaal. Verder zijn op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris vele getuigen gehoord die in 1996 ook een verklaring hebben afgelegd. Voorts zijn in hoger beroep op verzoek van de verdediging ook nadere onderzoekshandelingen uitgevoerd, waaronder het verrichten van onderzoek naar toepassing van de ‘ [plaats 2] verhoormethode’, naar het vuurwapen waarmee genoemde [getuige] in België suïcide heeft begaan en het horen van getuigen.
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen leveren in onderling verband bezien op dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, waarbij de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld het voor verdachte belastende bewijs te betwisten. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de procedure als geheel beschouwd eerlijk is verlopen en verwerpt de in dit kader gevoerde verweren van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks23 februari 1996 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen
, althans eenmaal,met een vuurwapen
(een
)kogel
(s)op die [slachtoffer 1] af te vuren en
/ofdie [slachtoffer 1] in het hoofd
, althans het lichaamte raken, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van
een geldbedrag van (ongeveer) 13.000 gulden, althanseen (groot) geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken
en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
doodslag gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met
het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte voor de primair tenlastegelegde moord te veroordelen tot een gevangenisstraf van zeventien jaren en zes maanden. De advocaat-generaal acht een strafkorting van zes maanden gevangenisstraf passend vanwege de schending van de redelijke termijn in hoger beroep met meer dan anderhalf jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vanwege de bepleite vrijspraak verzocht verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen en daartoe de voorlopige hechtenis op te heffen. Bij een bewezenverklaring is verzocht een substantiële strafkorting toe te passen vanwege de vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Voorts dient vanwege de schending van de redelijke termijn in hoger beroep een strafkorting te worden toegepast. Ook heeft de verdediging gesteld dat het hof rekening dient te houden met de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zoals die destijds gold, die anno 1996 gunstiger was dan nu. Wat betreft de voorlopige hechtenis is meer subsidiair verzocht de vluchtgrond als niet (meer) dragende grond door te halen.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich in 1996 schuldig gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] . Hij was een bekende van [slachtoffer 1] en heeft hem in zijn eigen huis om het leven gebracht door hem van dichtbij meermalen door zijn hoofd te schieten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] naar eigen zeggen laten knielen en hem vervolgens door het hoofd geschoten toen [slachtoffer 1] hem een ongewenst antwoord gaf in verband met handel in gestolen computeronderdelen die zij samen hadden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] hiermee feitelijk onderworpen aan een koelbloedige executie en daarmee een jonge man, die nog een heel leven voor zich had, beroofd van het meest kostbare dat een mens bezit, het leven. Dit deed hij mede om de diefstal van een aanzienlijk geldbedrag uit de woning mogelijk te maken.
Door [slachtoffer 1] te doden heeft verdachte onbeschrijflijk en onherstelbaar veel leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden, zijn vrienden en bekenden. Dat is ook gebleken uit de ter zitting via een audiobestand voorgedragen verklaring (mede namens hun moeder) van de zus van [slachtoffer 1] en uit wat door de advocaat van de nabestaanden naar voren is gebracht, waaruit blijkt welke impact het handelen van verdachte toen op de nabestaanden heeft gehad, in alle tussenliggende jaren dat deze zaak nog niet opgelost was en nu, jaren later, nog heeft.
In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet het hof geen aanleiding voor strafverzwaring of strafmatiging. Wel weegt het hof mee dat verdachte ter terechtzitting van het hof vanwege zijn ontkennende proceshouding geen verantwoording heeft afgelegd en evenmin spijt heeft betuigd.
Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit volgt dat hij in de jaren na dit feit nog enkele malen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof verder betrokken dat het wettelijk strafmaximum moet worden toegepast dat ten tijde van het plegen van het feit in 1996 gold. Destijds kon voor gekwalificeerde doodslag een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal twintig jaren worden opgelegd. Het hof ziet in deze zaak geen reden in strafmatigende zin rekening te houden met de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zoals destijds aan de orde.
Een levensdelict als de bewezenverklaarde gekwalificeerde doodslag schokt de rechtsorde zeer ernstig en brengt in de samenleving verbijstering en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Gelet op het gewelddadige en genadeloze karakter van het feit en de onherstelbare gevolgen ervan is het hof van oordeel dat alleen een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is. Als uitgangspunt acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren dan ook passend.
Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM overweegt het hof als volgt.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Bij een verdachte die in voorlopige hechtenis verblijft, zoals in deze zaak, dient voornoemde termijn te worden gesteld op zestien maanden.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen met de aanhouding van verdachte op 17 april 1996. Verdachte is uiteindelijk omstreeks 9 oktober 1997 alleen gedagvaard voor feiten verband houdend met ontvreemde goederen van Hewlett Packard en de Opiumwet en niet voor de dood van [slachtoffer 1] . Daarom moet worden aangenomen dat verdachte onder dreiging van die strafvervolging heeft geleefd tot de dagvaarding van 9 oktober 1997, te weten circa achttien maanden. Verdachte is nadien op 19 april 2022 opnieuw in verzekering gesteld voor betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] en de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 juli 2023, derhalve ruim veertien maanden later. De redelijke termijn in eerste aanleg is hiermee met ruim zestien maanden overschreden.
Verdachte heeft hierna op 13 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 24 juni 2026, derhalve na twee jaar en ruim elf maanden, einduitspraak. De redelijke termijn in hoger beroep is hiermee met ruim negentien maanden overschreden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zal het hof een strafkorting toepassen van zes maanden gevangenisstraf.
Van (andere) vormverzuimen die aanleiding zouden moeten geven tot strafvermindering is het hof, zoals hiervoor reeds geoordeeld, niet gebleken.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof wijkt hiermee af van de eis van de advocaat-generaal, omdat het hof – anders dan de advocaat-generaal – moord niet bewezen acht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Verzoek opheffing bevel voorlopige hechtenis
Het hof is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust nog steeds aanwezig zijn en dat gelet op de aan verdachte opgelegde straf artikel 67a, derde lid, Sv niet aan de orde is. Daarbij benoemt het hof nadrukkelijk dat de zogenaamde “geschokte rechtsorde”-grond, ook al heeft het bewezenverklaarde feit ongeveer dertig jaar geleden plaatsgevonden, nog altijd aan de orde is. Het zou namelijk zonder twijfel tot maatschappelijke onrust leiden als degene die zowel in eerste aanleg en in hoger beroep verantwoordelijk gehouden wordt en veroordeeld is tot een zeer lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de “executie” van [slachtoffer 1] zijn eventuele cassatieprocedure in vrijheid zou mogen afwachten. Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis dan ook af. Het hof constateert in dit verband en naar aanleiding van het verzoek van de verdediging dat de grond van het vluchtgevaar reeds is komen te vervallen bij bevel gevangenhouding van de rechtbank van 4 mei 2022.

De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [nabestaanden] (moeder van [slachtoffer 1] ) en [nabestaanden] (zus van [slachtoffer 1] ) hebben in eerste aanleg in verband met het tenlastegelegde vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Zij vorderen de volgende bedragen:
[nabestaanden]
Materiële schade (uitvaartkosten) € 4.705,00
Immateriële schade (shockschade) € 25.000,00
[nabestaanden]
Immateriële schade (shockschade) € 25.000,00
De benadeelde partijen hebben verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook hebben de benadeelde partijen verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft in haar vonnis de vorderingen geheel toegewezen, deze vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen. De vorderingen zijn ter terechtzitting nader toegelicht door de advocaat van de benadeelde partijen, mr. R.E.H. Jager.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toe te wijzen, deze te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, primair vanwege het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair vanwege de bepleite vrijspraak. Inhoudelijk is geen verweer op de vorderingen gevoerd.
Oordeel van het hof
Materiële schade: uitvaartkosten ( [nabestaanden] )
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof overweegt dat het feit lang geleden is en het de benadeelde partij om die reden niet tegengeworpen kan worden dat zij niet meer beschikt over een factuur van de uitvaart.
De benadeelde partij heeft de vordering, voor zover nog mogelijk, voldoende onderbouwd door in 2023 een begroting te laten maken van de uitvaartkosten door dezelfde uitvaartonderneming en die terug te laten rekenen door rekening te houden met inflatie. De gevorderde kosten komen het hof, gelet op de bijgevoegde begroting, redelijk voor. De verdediging heeft het gevorderde bedrag aan materiële schade inhoudelijk ook niet betwist. Het hof zal de materiële schade daarom begroten op dit bedrag van € 4.705,00 en dit gedeelte van de vordering geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 1996, zijnde de datum van de uitvaart.
Shockschade ( [nabestaanden] en [nabestaanden] )
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad. [77] Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige psychiater, huisarts of psycholoog tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met het slachtoffer. Verdachte is verantwoordelijk voor zijn dood. Nadat [slachtoffer 1] om het leven was gebracht, werd de benadeelden gevraagd om hem te identificeren. Zij werden toen geconfronteerd met zijn koude lichaam waarbij de schotverwondingen (in zijn hoofd) zichtbaar waren evenals zijn gelifte hersenschedel. Vervolgens hebben zij zelf het bloed in de keuken van de woning op moeten ruimen. Dat hetgeen waarmee de benadeelden zijn geconfronteerd een hevige schok teweeg heeft gebracht (de zichtbare schotverwondingen en al het bloed in de keuken), staat naar het oordeel van het hof niet ter discussie. Het hof concludeert dan ook dat verdachte door [slachtoffer 1] om het leven te brengen en de wijze waarop hij dat heeft gedaan zoals hiervoor overwogen en bewezen verklaard, ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn nabestaanden.
De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden, is of als gevolg van deze emotionele schok geestelijk letsel is ontstaan, dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen als ernstig aan te merken is en in voldoende mate objectiveerbaar is. Zoals overwogen is sprake van een zeer ernstige normschending, die ernstige gevolgen heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] .
Van destijds zijn geen medische stukken (overgelegd) waaruit psychisch lijden of geestelijk letsel blijkt. Naar aanleiding van het heropende onderzoek en de media-aandacht daarvoor, hebben beide slachtoffers psychische hulp gezocht.
Uit stukken van [instelling] van juni/juli 2021 staat over de moeder van [slachtoffer 1] , [nabestaanden] , dat sprake is van veel verdriet en herbelevingen met betrekking tot het overlijden van haar zoon, waaronder beelden van haar zoon onder het witte laken, dat hij koud in de kist lag en zij niet van zijn zijde week en hem probeerde op te warmen, waarbij zij te maken heeft met gevoelens van machteloosheid en verdriet. Blok leeft op wilskracht en staat liever niet stil bij haar emoties. Volgens de deskundige lijkt dit patroon functioneel om het heftige verdriet van het verliezen van haar zoon niet te hoeven voelen. Bij het nemen van rust kan dit verdriet haar overspoelen en dat vermijdt zij. Daarnaast is sprake van lichamelijke klachten die hiermee samen lijken te hangen. In 2021 heeft zij meerdere EMDR-behandelingen ondergaan om de vermijding van het verdriet door het overlijden van haar zoon te kunnen doorbreken.
Over [nabestaanden] , de zus van [slachtoffer 1] , heeft de heer [naam] , GZ- en Neuropsycholoog in een brief van 30 september 2022 geschreven dat zij in 2018 klachten had die wezen op emotionele overbelasting. Deze overbelasting was voor een belangrijk deel terug te voeren op de dood van haar broer. Er was sprake van herbelevingen met betrekking tot de dood van [slachtoffer 1] waarvoor benadeelde door een psycholoog is behandeld met meerdere EMDR-sessies. Na de aanhouding van verdachte heeft benadeelde in augustus 2022 opnieuw hulp gezocht van een psycholoog, omdat dit haar emotioneel uit balans heeft gehaald. Uit de brief van de heer [naam] van 11 mei 2026 volgt dat benadeelde als gevolg van haar copingstijl, te weten het vertonen van een palliatieve, vermijdende en passieve reactie, depressieve klachten ontwikkelde en dat deze zijn behandeld als was er sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). In de behandelsessies waren veel emoties bij benadeelde die samenhingen met de dood van haar broer en het uitblijven van de aanhouding van een verdachte. De herinneringen van benadeelde over die (traumatische) periode maakte haar erg emotioneel en machteloos. Volgens de psycholoog moet van PTSS bij benadeelde wel sprake zijn geweest, maar werd dat zeer waarschijnlijk gemaskeerd door de depressieve klachten.
Het hof is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat bij beide benadeelden sprake is van geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen in voldoende mate objectiveerbaar is. De herbelevingen van mevrouw [nabestaanden] waren dermate ernstig dat zij hiervoor psychologische hulp heeft gezocht en EMDR-therapie noodzakelijk was. Ook bij mevrouw [nabestaanden] was sprake van herbelevingen ten aanzien van de dood van haar broer en volgens de psycholoog moet sprake zijn geweest van PTSS. Daarbij komt dat zij dertig jaar in onzekerheid hebben moeten leven over de vraag wie verantwoordelijk was voor de dood van hun zoon en broer en zijn overlijden niet hebben kunnen afsluiten.
Het hof is van oordeel dat de (vermijdings-)klachten van benadeelden met betrekking tot de dood van [slachtoffer 1] zijn terug te voeren op het bewezenverklaarde en dat deze klachten vanaf diens dood al dan niet sluimerend aanwezig moeten zijn geweest en zijn geïntensiveerd door het nieuwe opsporingsonderzoek. Van de benadeelden kan in deze zaak niet worden gevergd het causale verband tussen het geestelijk letsel en de destijds opgelopen schok na zoveel jaren nog nader te onderbouwen. In de periode van het bewezenverklaarde was er geen nazorg of begeleiding van nabestaanden en de zaak heeft daarna ook zeer lang stilgelegen, zodat de benadeelden geen rekening hoefden te houden met het bewaren van bewijs. De verdediging heeft daarnaast de vordering van shockschade inhoudelijk ook niet weersproken.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de benadeelden nu zonder meer in aanmerking zouden zijn gekomen voor vergoeding van affectieschade. In deze zaak is het vragen van een vergoeding hiervan niet mogelijk, omdat de Wet vergoeding affectieschade pas op 1 januari 2019 in werking is getreden.
Concluderend is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen aanspraak kunnen maken op vergoeding van shockschade. Nu het gevorderde bedrag het hof redelijk voorkomt, zal het hof de vorderingen toewijzen en deze vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 1996.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 288 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaanden]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaanden] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 29.705,00 (negenentwintigduizend zevenhonderdvijf euro) bestaande uit € 4.705,00 (vierduizend zevenhonderdvijf euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaanden] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.705,00 (negenentwintigduizend zevenhonderdvijf euro) bestaande uit € 4.705,00 (vierduizend zevenhonderdvijf euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 157 (honderdzevenenvijftig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
28 februari 1996 en van de immateriële schade op 23 februari 1996.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaanden]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaanden] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaanden] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 141 (honderdeenenveertig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 februari 1996.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. van der Werf, voorzitter, mr. Th.C.M. Willemse en
mr. K. Gilhuis, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. M.E. van der Werf, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. K. Gilhuis, raadsheren,
mr. M.J.M. de Vries, advocaat-generaal,
mr. Y.A. Hoekstra, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
3.HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982 en ECLI:NL:HR:2019:1983; vgl. ook HR [geboortedatum] 2023, ECLI:NL:HR:2023:1700.
4.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie, Cold Case Team Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2020081479, onderzoek MDRAA14011 / 09OPERA, gesloten op 6 december 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 februari 1996, p. 582-583.
6.Proces-verbaal onderzoek keuken, p. 2842-2847.
7.Sectieverslag, p. 3035-3045; proces-verbaal onderzoek slachtoffer en sectie, p. 2870-2871.
8.Rapport schotresten- toxicologisch en haaronderzoek, p. 2824-2827.
9.Rapport munitie-onderzoek, p. 2820-2823.
10.NFI-rapport n.a.v. aanvullende vraag d.d. 13 maart 2023 (nagekomen); NFI-rapport wapen- en munitieonderzoek d.d. 29 maart 2023 (nagekomen).
11.Proces-verbaal onderzoek woonkamer, p. 2848.
12.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 27 februari 1996, p. 1408-1411.
13.Proces-verbaal verzoek om huiszoeking, p. 354.
14.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 29 februari 1996, p. 587, 589-590, 593-594.
15.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 15 april 1996, p. 757, 760-761.
16.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 24 april 1996, p. 1124-1126.
17.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 25 februari 1996, p. 874.
18.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 februari 1996, p. 1377-1380.
19.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 3 mei 2022, p. 1340-1341.
20.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 april 1996, p. 1038, 1040.
21.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 24 februari 1996, p. 565-566.
22.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 29 februari 1996, p. 1173.
23.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 19 maart 1996, p. 1177.
24.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 24 februari 1996, p. 1167.
25.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 17 maart 1996, p. 990.
26.Proces-verbaal onderzoek slaapkamer [getuige] , p. 2864-2867.
27.Proces-verbaal onderzoek slaapkamer [slachtoffer 1] , p. 2855-2856.
28.Proces-verbaal van afhandeling goederen en sporen, p. 2951, p. 2962.
29.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 29 februari 1996, p. 589, p. 598.
30.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 1451.
31.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 februari 1996, p. 831.
32.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 24 februari 1996, p. 1170.
33.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 1 maart 1996, p. 572.
34.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 3 mei 2022, p. 1343.
35.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 29 februari 1996, p. 1175.
36.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 25 februari 1996, p. 1451.
37.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 27 februari 1996, p. 850-851.
38.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 juli 2022, p. 683-685.
39.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 14 maart 1996, p. 1363-1364; proces-verbaal van bevindingen, p. 1365; schriftelijk bescheid, p. 1371.
40.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 april 1996, p. 219.
41.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 13 maart 1996, p. 616-617.
42.Verslag, p. 945-A.
43.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1600-1607.
44.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 7 maart 1996, p. 943-944.
45.Verslag, p. 386.
46.Proces-verbaal van bevindingen, p. 388-390.
47.Rapport vergelijkend handschriftonderzoek, p. 3118-3157.
48.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 april 1996, p. 3296.
49.Verklaring verdachte ter zitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2026.
50.Verslag, p. 842; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 7 mei 1996, p. 843.
51.Verslag, p. 936.
52.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 24 februari 1996, p. 821-822; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 26 februari 1996, p. 831.
53.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 30 maart 2023, p. 2.
54.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 mei 2022, p. 1404.
55.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 14 maart 1996, p. 1401.
56.Proces-verbaal verzoek om huiszoeking, p. 354.
57.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 27 februari 1996, p. 1410.
58.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 14 juli 2022, p. 1416.
59.Relaas, p. 51.
60.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2297-2300, 2302-2303.
61.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2309.
62.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2309-2311.
63.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2311-2312.
64.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2312.
65.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2314.
66.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2315.
67.Zie onder andere de verklaring van de getuige [getuige] d.d. 1 maart 1996, p. 569.
68.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2315.
69.Proces-verbaal van bevindingen OVC-gesprekken, p. 2316.
70.Proces-verbaal van verhoor ex artikel 226c Sv d.d. 15 mei 2023 (nagekomen).
71.Proces-verbaal kluisverklaring, p. 1585.
72.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 22 augustus 2022, p. 1277, 1278, 1280.
73.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 18 juli 2022, p. 1314-1316.
74.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2023, p. 2.
75.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2023, p. 2.
76.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 29 februari 1996, p. 1175.
77.HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.