ECLI:NL:GHARL:2026:557

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
22/1113 tm 22/1118 en 22/1119, 22/1121 en 22/1122
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 28 lid 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over verzoek om beperkte kennisneming in hoger beroep belastingzaken

In deze tussenuitspraak behandelt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzoeken om beperkte kennisneming van stukken in hoger beroep belastingzaken van twee belanghebbenden tegen de Inspecteur van de Belastingdienst. De stukken betreffen onder meer gegevens uit de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en bijlagen met belastingaanslagen, boetes en rentebeschikkingen.

De Inspecteur verzocht om beperkte kennisneming van delen van de stukken vanwege veiligheidsrisico's en privacybelangen van medewerkers en derden. De geheimhoudingskamer heeft dit verzoek getoetst aan de criteria van artikel 8:29 Awb Pro en jurisprudentie, waarbij een belangenafweging plaatsvond tussen het belang van de partijen bij kennisneming en het belang bij bescherming van privacy en veiligheid.

De kamer oordeelde dat onvoldoende concreet is aangetoond dat er een reëel veiligheidsrisico bestaat dat beperkte kennisneming rechtvaardigt voor informatie over het signaal en medewerkersnamen. Wel is beperkte kennisneming gerechtvaardigd voor privacygevoelige gegevens van derden, zoals burgerservicenummers en financiële gegevens, die niet relevant zijn voor de belastingzaken zelf.

De beslissing beperkt de kennisneming van enkele bijlagen uitsluitend voor de afgedekte gegevens betreffende genoemde derden, terwijl voor de overige stukken, waaronder de 8:29-motivering en begeleidende brief, beperkte kennisneming wordt afgewezen. De Inspecteur krijgt gelegenheid om binnen twee weken te melden welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt.

Uitkomst: Beperkte kennisneming wordt toegewezen voor privacygevoelige gegevens van derden, maar afgewezen voor overige stukken en motivering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 22/1113 tot en met 22/1118 en BK-ARN 22/1119, 22/1121 en 22/1122
uitspraakdatum: 27 januari 2026
Tussenuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
in de hoger beroepen van
[belanghebbende I]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende I) en
[belanghebbende II]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende II)
tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 mei 2022, nummers AWB 19/423, 19/426, 19/430, 19/432, 19/433 en 19/435, ECLI:NL:RBGEL:2022:2299, en AWB 19/633, 19/635, 19/636, 19/637 en 19/639, ECLI:NL:RBGEL:2022:2300, in de gedingen tussen belanghebbende I respectievelijk belanghebbende II (hierna tezamen ook: belanghebbenden) en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
betreffende verzoeken om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.Ontstaan en loop van het geding

BK-ARN 22/1113 tot en met 22/1118
1.1.
Ten aanzien van belanghebbende I zijn – naar aanleiding van een controle – de navolgende belastingaanslagen in de omzetbelasting (OB) en vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en boete- en rentebeschikkingen gegeven:
Tijdvak
Bedrag
Boete
Rente
Naheffingsaanslag
OB
1-1-2012 t/m
31-12-2015
€ 166.163
€ 41.540
€ 19.420
Jaar
Belastbaar bedrag
Boete
Rente
Navorderingsaanslag
Vpb
2011
€ 187.458
€ 9.372
€ 11.843
Navorderingsaanslag
Vpb
2012
€ 90.020
€ 50.000
€ 5.391
Navorderingsaanslag
Vpb
2013
€ 257.723
€ 17.955
€ 14.038
Navorderingsaanslag
Vpb
2014
€ 230.538
€ 19.318
€ 8.485
Aanslag
Vpb
2015
€ 101.728
€ 2.639
€ 2.099
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren betreffende de navorderingsaanslagen Vpb 2011, 2012 en 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen, alsmede de boetebeschikking voor het jaar 2015 (verzuimboete) ongegrond verklaard. Voor het overige zijn de bezwaren gegrond verklaard, waarbij de belastingaanslagen en boete- en rentebeschikkingen als volgt zijn verminderd:
Tijdvak
Bedrag
Boete
Rente
Naheffingsaanslag
OB
1-1-2012 t/m
31-12-2015
€ 129.638
€ 25.928
€ 15.487
Jaar
Belastbaar bedrag
Boete
Rente
Navorderingsaanslag
Vpb
2011
(ongewijzigd)
€ 7.498
(ongewijzigd)
Navorderingsaanslag
Vpb
2012
(ongewijzigd)
€ 3.601
(ongewijzigd)
Navorderingsaanslag
Vpb
2013
€ 249.723
€ 10.486
€ 13.522
Navorderingsaanslag
Vpb
2014
(ongewijzigd)
€ 16.202
(ongewijzigd)
Aanslag
Vpb
2015
€ 89.228
(ongewijzigd)
€ 1.841
1.3.
De Rechtbank heeft de hiertegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de belastingaanslagen en boete- en rentebeschikkingen als volgt verminderd:
Tijdvak
Bedrag
Boete
Rente
Naheffingsaanslag
OB
1-1-2012 t/m
31-12-2015
(ongewijzigd)
€ 20.742
(ongewijzigd)
Jaar
Belastbaar bedrag
Boete
Rente
Navorderingsaanslag
Vpb
2011
(ongewijzigd)
€ 5.998
(ongewijzigd)
Navorderingsaanslag
Vpb
2012
(ongewijzigd)
€ 2.880
(ongewijzigd)
Navorderingsaanslag
Vpb
2013
€ 153.935
€ 4.925
Vermindering overeenkomstig belastingaanslag
Navorderingsaanslag
Vpb
2014
214.713
€ 8.065
Vermindering overeenkomstig belastingaanslag
Aanslag
Vpb
2015
(ongewijzigd)
€ 2.111
(ongewijzigd)
De Rechtbank heeft daarbij vergoedingen uitsproken voor immateriële schade (in totaal € 2.500), proceskosten (€ 3.084) en griffierecht (€ 338).
BK-ARN 22/1119, 22/1121 en 22/1122
1.4.
Ten aanzien van belanghebbende II zijn – naar aanleiding van een controle - de navolgende belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en boete- en rentebeschikkingen gegeven:
Jaar
Belastbaar inkomen
Boete
Rente
Navorderingsaanslag
IB/PVV
2011
€ 69.964 (box 1)
€ 4.835
Navorderingsaanslag
IB/PVV
2012
€ 50.458 (box 1)
€ 3.982
€ 3.179
Aanslag
IB/PVV
2013
€ 60.020 (box 1) € 95.788 (box 2)
€ 5.057
Aanslag
IB/PVV
2014
€ 59.868 (box 1)
€ 15.825 (box 2)
€ 1.740
€ 2.212
Aanslag
IB/PVV
2015
€ 44.000 (box 1)
€ 915
1.5.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren betreffende de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2011 en 2013 tot en met 2015 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de boetebeschikking voor het jaar 2014 is gegrond verklaard en de (vergrijp)boete is daarbij verminderd tot € 870. Het bezwaar betreffende het jaar 2012 is niet-ontvankelijk verklaard. De vergrijpboete voor dat jaar is ambtshalve verminderd tot € 3.185.
1.6.
De Rechtbank heeft de hiertegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de boetebeschikkingen vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 28.964, de aanslag IB/PVV 2013 gehandhaafd onder verrekening van loonheffing (€ 5.244), de aanslag IB/PVV 2014 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 31.693 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van nihil, de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van nihil, en de daarbij gegeven rentebeschikkingen dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft daarbij vergoedingen uitsproken voor immateriële schade (in totaal € 2.500), proceskosten (€ 3.084) en griffierecht (€ 47).
BK-ARN 22/1113 tot en met 22/1118 en BK-ARN 22/1119, 22/1121 en 22/1122
1.7.
Belanghebbenden hebben hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraken van de Rechtbank. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
1.8.
Belanghebbenden hebben nadere stukken ingediend.
1.9.
De mondelinge behandeling van de hoger beroepen door de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof (hierna: de hoofdkamer) heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 maart 2024. Aan het eind van die zitting is het onderzoek in beide zaken gesloten onder aanzegging van een schriftelijke uitspraak. Het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is aan partijen toegezonden.
1.10.
Op 22 april 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbenden in beide zaken een nader stuk ingebracht, met als bijlage een op 17 april 2024 gedagtekende brief van de belastingdienst over de opname van gegevens van belanghebbende II in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).
1.11.
De hoofdkamer heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek in de zaken van belanghebbenden te heropenen. Bij bericht van 24 april 2024 zijn partijen hiervan in kennis gesteld, met daarbij het verzoek om het Hof uiterlijk 1 augustus 2024 te informeren over de stand van zaken.
1.12.
Belanghebbenden hebben gereageerd bij brief van 13 juli 2024. Hierin hebben zij aangegeven nog geen nadere informatie te hebben ontvangen van de belastingdienst.
1.13.
De Inspecteur heeft gereageerd bij brief van 31 juli 2024. De Inspecteur schrijft hierin dat reeds bij brief van 11 maart 2021 aan belanghebbende II, naar aanleiding van diens verzoek om inzage, is medegedeeld dat zijn persoonsgegevens zijn geregistreerd (geweest) in de FSV. Verder schrijft de Inspecteur (onder meer) dat gebleken is dat, naast belanghebbende II, ook belanghebbende I is opgenomen (geweest) in de FSV. De brief bevat verder de resultaten van de zoekslagen op belanghebbende I en belanghebbende II in de FSV. Die resultaten heeft een medewerker van de belastingdienst met toegang tot (een back-up van) de FSV (hierna: de medewerker FSV) bij twee afzonderlijke e-mails aan de Inspecteur verstrekt. Die e-mails en daarin genoemde bijlagen, heeft de Inspecteur als bijlagen bij zijn brief gevoegd (bijlagen 1 tot en met 10). Hieruit komt naar voren dat belanghebbenden in de FSV zijn opgenomen vanwege een ontvangen signaal (hierna: het signaal). Daarnaast heeft de Inspecteur als bijlage stukken ingebracht over de aanvang en het verloop van de controle bij belanghebbenden, te weten: een (interne) e-mail over de uitbreiding van de controle naar belanghebbenden (bijlage 11) en een in oktober 2015 door de voormalig controleur opgesteld overdrachtsdocument met de naam van belanghebbende II (bijlage 12). Van die bijlagen heeft de Inspecteur delen afgedekt (behoudens bijlage 2: de e-mail met resultaten van de zoekslagen op belanghebbende I). De Inspecteur heeft in zijn brief aangekondigd voor die bijlagen een (afzonderlijk) verzoek om beperkte kennisneming te zullen doen als bedoeld in artikel 8:29 Awb Pro. Tevens heeft de Inspecteur de wens te kennen gegeven dat ook de kennisneming van de motivering van dat verzoek (hierna: de 8:29-motivering) wordt beperkt. Om die reden verzoekt de Inspecteur zijn brief aan te merken als ‘mededeling’ in de zin van artikel 4, lid 3, van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022 (thans 2025, hierna: de Procesregeling).
1.14.
Op 12 augustus 2024 heeft de Inspecteur aan de geheimhoudingskamer van het Hof de ongeschoonde bijlagen bij de brief van 31 juli 2024 verstrekt, behoudens bijlage 2 waarin niets is afgedekt. Daarnaast heeft de Inspecteur nog eens een tiental bijlagen verstrekt die niet bij de brief van 31 juli 2024 zijn gevoegd. Dit betreffen aanvullende bijlagen die zijn genoemd in en waren gevoegd bij de e-mails van de medewerker FSV aan de Inspecteur (hierna: de aanvullende bijlagen). In totaal wordt derhalve voor 21 stukken om beperkte kennisneming verzocht. In de – eveneens onder de klem van artikel 8:29 Awb Pro – bijgesloten 8:29-motivering heeft de Inspecteur in het algemeen toegelicht en per stuk (bijlage) aangegeven welke gewichtige redenen hij ziet ter rechtvaardiging van beperkte kennisneming van deze stukken.
1.15.
Bij brief van 18 maart 2025 heeft de geheimhoudingskamer de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om een geschoonde versie van de 8:29-motivering over te leggen die aan belanghebbenden mag worden gezonden (als bedoeld in artikel 4, lid 4, van de Procesregeling). De geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur daarbij tevens in de gelegenheid gesteld om het bestaan van de in de 8:29-motivering genoemde gewichtige redenen ter zake van het signaal te concretiseren c.q. met feiten te staven.
1.16.
Bij brief van 17 april 2025 heeft de Inspecteur een geschoonde versie van de 8:29-motivering ingebracht die aan belanghebbenden mag worden gezonden. In een begeleidend schrijven heeft de Inspecteur toegelicht om welke redenen delen van de 8:29-motivering zijn afgedekt. Tevens heeft de Inspecteur bericht over ontwikkelingen in een lopende beroepsprocedure van belanghebbende II over een inzageverzoek in de FSV op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
1.17.
Naar aanleiding hiervan heeft de geheimhoudingskamer bij brief van 4 juni 2025 de Inspecteur gevraagd of het begeleidend schrijven van 17 april 2025 aan belanghebbenden mag worden gezonden en, zo dit niet het geval is, om - zonder verdere toelichting - een geschoonde versie van de begeleidende brief van 17 april 2025 over te leggen die wel aan belanghebbenden mag worden gezonden.
1.18.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de begeleidende brief van 17 april niet in zijn geheel met belanghebbenden mag worden gedeeld. Daarom heeft de Inspecteur een geschoonde versie van die brief overgelegd die aan belanghebbenden mag worden gezonden.
1.19.
De geheimhoudingskamer heeft vervolgens op 4 augustus 2025 de geschoonde versies van de 8:29-motivering en de begeleidende brief van 17 april 2025 aan belanghebbenden gezonden met het verzoek hierop schriftelijk te reageren.
1.20.
Op 1 september 2025 heeft de geheimhoudingskamer een schriftelijke reactie van belanghebbenden ontvangen.
1.21.
De geheimhoudingskamer heeft vervolgens aan partijen medegedeeld dat hij zich voldoende voorgelicht acht en zo spoedig mogelijk op het verzoek c.q. de verzoeken om beperkte kennisneming zal beslissen.

2.Verzoek beperkte kennisneming

2.1.
Ter beoordeling ligt voor of beperkte kennisneming van de door de Inspecteur deels afgedekte bijlagen (zie 1.13), van de aanvullende bijlagen (zie 1.14), en van de 8:29-motivering (zie 1.14) en begeleidende brief (zie 1.18) gerechtvaardigd is.
2.2.
Voor die beoordeling heeft de geheimhoudingskamer kennisgenomen van de volledige procesdossiers.

3.Beoordeling

3.1.
Uit artikel 8:29, lid 1, Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken bij de bestuursrechter in te dienen, een verzoek om volledige of beperkte geheimhouding kunnen doen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De Inspecteur heeft in het onderhavige geval een dergelijke verplichting voor de bijlagen die hij bij zijn brief van 31 juli 2024 heeft gevoegd. Hetzelfde geldt voor de aanvullende bijlagen die de Inspecteur bij zijn brief van 12 augustus 2024 aan de geheimhoudingskamer heeft gevoegd. Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb rust op de Inspecteur immers de verplichting alle stukken in het geding te brengen die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vergelijk HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, r.o. 3.2.2). Dat de door Inspecteur ingebrachte (aanvullende) bijlagen als zodanige stukken zijn aan te merken, is tussen partijen niet in geschil.
3.2.
Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2).
3.3.
Gelet op artikel 8:29, lid 3, Awb beslist de bestuursrechter (in belastingzaken) of de volledige of beperkte geheimhouding van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden (ABRvS 25 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:595, r.o. 2).
3.4.
Bij de beoordeling van een verzoek om beperkte kennisneming speelt de betekenis van het stuk voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van partijen een belangrijke rol. Verder is daarbij van belang of de partij aan wie kennisneming van een stuk wordt onthouden door de beperkte kennisneming wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. Daarnaast gaat het bij de beslissing over een verzoek om beperkte kennisneming niet om de vraag of het stuk openbaar moet worden, dat wil zeggen voor iedereen toegankelijk, dus ook voor anderen dan procespartijen, maar om de vraag of er gewichtige redenen bestaan die zich tegen kennisneming van het stuk door alle partijen in het geding verzetten (vergelijk ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 8).
Beperkte kennisneming afgedekte en aanvullende bijlagen
3.5.
De geheimhoudingskamer zal hierna eerst beoordelen in hoeverre beperkte kennisneming van de deels afgedekte bijlagen (zie 1.13) en de aanvullende bijlagen (zie 1.14), hierna verder aangeduid als de bijlagen, gerechtvaardigd is.
3.6.
De bijlagen bevatten:
  • i) informatie over de aard en inhoud van het signaal,
  • ii) namen en/of user-ID’s en/of interne e-mailadressen van medewerkers van de belastingdienst,
  • iii) gegevens met betrekking tot derden (andere (rechts)personen dan belanghebbenden).
( i)
Informatie over de aard en inhoud van het signaal
3.7.
Vooropgesteld wordt dat de aard van de 8:29-procedure met zich brengt dat de geheimhoudingskamer zich hierna in verdekte termen en met de nodige voorzichtigheid moet uitlaten over de aard en inhoud van het signaal, om dit niet nu reeds in deze tussenuitspraak (de facto) te openbaren. De geheimhoudingskamer beslist slechts of het verzoek om beperkte kennisneming voor wat het signaal betreft gerechtvaardigd is. Het is aan de Inspecteur om vervolgens gevolgen aan die beslissing te verbinden (vergelijk HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.7.1 en 2.7.2).
3.8.
Volgens de Inspecteur ontstaat een veiligheidsrisico als belanghebbenden bekend raken met de aard en inhoud van het signaal. Daarin ziet de Inspecteur een gewichtige reden voor beperkte kennisneming van (delen van) de bijlagen waarin gegevens zijn opgenomen over het signaal. Dit betreft niet alleen het signaal zelf, maar ook gegevens in de FSV die in een verder verwijderd verband staan tot het signaal. Het gaat dan om verschillende administratieve vastleggingen met verwijzingen naar (onder meer) de aard van het signaal, de achtergrond van het signaal, omschrijvingen van de inhoud van het signaal, datums van opname en afdoening van het signaal en namen van de intern gebruikte emailadressen die op de herkomst van het signaal wijzen.
3.9.
De geheimhoudingskamer overweegt hierover als volgt. De enkele stelling dat sprake is van een aan het signaal verbonden veiligheidsrisico is in haar algemeenheid onvoldoende om reeds daarom een belang bij beperking van de kennisneming op die grond aanwezig te achten. Vereist is dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de mogelijkheid van gevaar in concreto aanwezig is (vergelijk CRvB 10 oktober 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5972 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1907, r.o. 3.9).
3.10.
De Inspecteur heeft het gestelde veiligheidsrisico in de 8:29-motivering slechts in algemene bewoordingen toegelicht en, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de geheimhoudingskamer (zie 1.15), verder niet geconcretiseerd c.q. met feiten gestaafd. Van enig onderzoek door de Inspecteur of binnen de belastingdienst naar (de achtergronden van) het gestelde veiligheidsrisico is niet gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat van de zijde van de belastingdienst ter zake van het signaal garanties zijn gegeven of toezeggingen zijn gedaan om het gestelde veiligheidsrisico te beperken. Dat het een concreet veiligheidsrisico betreft, is hierdoor niet aannemelijk gemaakt.
3.11.
Dit betekent dat er met betrekking tot de in de bijlagen opgenomen informatie over de aard en inhoud van het signaal in dit geval geen gewichtige redenen zijn die beperkte kennisneming rechtvaardigen, althans dat het belang daarbij niet aannemelijk is gemaakt. Aan de belangenafweging van artikel 8:29, lid 3, Awb komt de geheimhoudingskamer daarom in zoverre niet toe.
3.12.
Voor zover het gestelde veiligheidsrisico al een gewichtige reden zou zijn en de Inspecteur daarmee een belang zou hebben bij beperkte kennisneming van de informatie over aard en inhoud van het signaal, heeft het belang dat belanghebbenden hebben bij kennisneming van de registratie van het signaal in de FSV in dit geval zwaarder te wegen.
3.13.
Belanghebbenden hebben er belang bij te weten waarom zij zijn opgenomen (geweest) in de FSV, zodat zij zich een (beter) beeld kunnen vormen van de mogelijke gevolgen van die opname voor hun (lopende) belastingaangelegenheden, waaronder de onderhavige procedures. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of de controle bij belanghebbenden is voortgevloeid uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging (zie HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.3). De stelling van de Inspecteur dat de controle bij belanghebbenden voorafgaand aan de registratie van het signaal in de FSV reeds was aangevangen, is niet controleerbaar voor belanghebbenden zonder inzicht te hebben in datums van opname in de FSV. Die datums wil de Inspecteur voor belanghebbenden nu juist geheimhouden. Dat de datum van opname in een van de bijlagen betreffende belanghebbende I per abuis niet is afgedekt (in bijlage 7), en waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de controle bij belanghebbende toen reeds een aanvang had genomen, maakt dit niet anders. Het valt geenszins uit te sluiten dat de controle bij belanghebbenden door registratie van het signaal in de FSV een ander beloop heeft gekregen dan het geval zou zijn geweest zonder die registratie. Uit bijlage 12, een document opgesteld in het kader van de overdracht van de lopende onderzoeken bij belanghebbenden aan een andere controlemedewerker, blijkt immers dat de overdragende controlemedewerker al tijdens de controle bekend was met de aard en inhoud van het signaal. Op voorhand valt daarom niet uit te sluiten dat kennisneming van aard en inhoud van het signaal de omvang en intensiteit van de controle bij belanghebbenden heeft beïnvloed.
(ii)
Namen en/of user-ID’s en/of interne e-mailadressen van medewerkers van de belastingdienst
3.14.
De Inspecteur heeft verder verzocht om beperkte kennisneming van de bijlagen voor zover het gaat om namen van (bij de FSV betrokken) medewerkers van de belastingdienst en/of tot die personen te herleiden interne user-ID’s en/of emailadressen.
3.15.
Voor zover het gaat om bij de FSV betrokken medewerkers is volgens de Inspecteur het signaal om louter administratieve redenen in de FSV aan hun naam gekoppeld, vanwege hun administratieve rol binnen de organisatie van de belastingdienst. Gelet op de context waarbinnen zij werken (de FSV en het maatschappelijke debat hierover), verdienen de privacybelangen van die medewerkers bescherming omdat zij anders het gevaar lopen slachtoffer te worden van (onder meer) doxing, stalking en bedreiging. De Inspecteur ziet hierin een gewichtige reden die beperkte kennisneming rechtvaardigt en verwijst hiervoor naar de tussenuitspraak van dit Hof van 7 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1907.
3.16.
Ook hiervoor geldt dat de enkele stelling dat in de bijlagen vermelde medewerkers van de belastingdienst gevaar kunnen lopen in haar algemeenheid onvoldoende is om reeds daarom een belang bij beperking van de kennisneming op die grond aanwezig te achten. Dat de mogelijkheid van gevaar in concreto aanwezig is dient aannemelijk te worden gemaakt (zie hiervoor in 3.9).
3.17.
Gegeven de aard en omvang van de aandacht die de Toeslagenaffaire, en daaraan gekoppeld het opnemen van persoonsgegevens in de FSV, in het parlement en de media heeft gekregen en nog steeds krijgt, en de uiterst giftige wijze waarop op ‘social media’ door kwaadwillenden met persoonsgegevens kan worden omgegaan, acht het Hof het meer dan denkbeeldig dat medewerkers van de belastingdienst die zich direct bezig houden of hielden met het administreren, be- of verwerken van gegevens van belastingplichtigen in de FSV potentieel gevaar lopen. Daarmee is echter, tegenover de uitdrukkelijke betwisting door belanghebbenden, nog niet aannemelijk gemaakt dat dit gevaar zich in concreto voordoet.
3.18.
In de procesdossiers ziet de geheimhoudingskamer geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat het gevaar bestaat dat belanghebbenden zich schuldig (gaan) maken aan doxing, stalking of bedreiging van bij de FSV betrokken medewerkers van de belastingdienst. De onderhavige procedures houden niet verband met de Toeslagenaffaire en de opname van belanghebbenden in de FSV speelde tot op heden geen zichtbare rol in het partijdebat, terwijl uit de brief van 31 juli 2024 (zie 1.13) naar voren komt dat belanghebbende II reeds ver voor ontvangst van de in de 1.10 bedoelde brief ermee bekend was dat hij is opgenomen (geweest) in de FSV. Dat het reële gevaar bestaat dat belanghebbenden de bijlagen, althans uit de FSV afkomstige (passages van) stukken met daarin vermeld de namen, user-ID’s en emailadressen van bij de FSV betrokken medewerkers buiten de (beslotenheid) van deze belastingprocedures al dan niet op ‘social media’ gaan delen met kwaadwillende derden, waardoor het gevaar van buitenaf zou (kunnen) komen is door de Inspecteur evenmin aannemelijk gemaakt. Ook overigens heeft de Inspecteur het door hem gestelde gevaar van doxing, stalking en bedreiging van bij de FSV betrokken medewerkers in de 8:29-motivering niet aannemelijk gemaakt.
3.19.
Dit betekent dat met betrekking tot de namen en/of user-ID’s en/of interne
e-mailadressen van bij de FSV betrokken medewerkers van de belastingdienst er in dit geval geen gewichtige redenen zijn die beperkte kennisneming rechtvaardigen, althans dat het belang daarbij niet aannemelijk is gemaakt. Aan de belangenafweging van artikel 8:29, lid 3, Awb komt de geheimhoudingskamer daarom in zoverre niet toe.
3.20.
Hetzelfde geldt voor de namen en emailadressen van niet rechtstreeks, maar zijdelings bij de controle van belanghebbenden betrokken medewerkers van de belastingdienst (genoemd in bijlagen 11 en 12). Voor die medewerkers is evenmin door de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat zij een reëel gevaar lopen slachtoffer te worden van doxing, stalking of bedreiging als deze gegevens met belanghebbenden worden gedeeld. De Inspecteur heeft daarvoor niets concreets aangedragen. Het feit dat zij verder geen inhoudelijke betrokkenheid hebben gehad bij de controle rechtvaardigt ook overigens geen beperkte kennisneming van hun namen en
e-mailadressen.
(iii)
Gegevens met betrekking tot derden (andere (rechts)personen dan belanghebbenden)
3.21.
De Inspecteur heeft ten slotte verzocht om beperkte kennisneming van de bijlagen voor zover het gaat om de burgerservicenummers (BSN) van [naam1] , de partner van belanghebbende II, en van [naam2] (in bijlagen 6 en 11), en om financiële gegevens en rechtsbetrekkingen van met naam genoemde derden in een overdrachtsdocument bestemd voor de opvolgende controlemedewerker (in bijlage 12).
3.22.
Volgens de Inspecteur betreft het (misbruikgevoelige) gegevens van (rechts)personen die voor de onderhavige belastingprocedures van belanghebbenden verder niet relevant zijn. Hij ziet in de privacybelangen van die derden een gewichtige reden die beperkte kennisneming van die gegevens rechtvaardigt.
3.23.
Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur in zoverre het bestaan van een gewichtige reden voor beperkte kennisneming aannemelijk gemaakt. In alle gevallen heeft de Inspecteur de namen van de (rechts)personen die het betreft niet afgedekt, zodat belanghebbenden weten welke (rechts)personen het betreft waarvan de gegevens zijn afgedekt. Het delen van de BSN van [naam1] en [naam2] met belanghebbenden voegt in zoverre niets toe, terwijl met de BSN in potentie toegang kan worden verkregen tot veel meer (privacygevoelige) gegevens van deze personen. Daarom vergt het (verder) delen van een BSN de nodige terughoudendheid. Verder gaat het om financiële gegevens en rechtsbetrekkingen van andere – al dan niet gefailleerde – (rechts)personen waarbij belanghebbende II direct of indirect (enige) betrokkenheid heeft (gehad). Aannemelijk is dat het primair gaat om gegevens die zijn bestemd om de (fiscale) positie van die (rechts)personen globaal in kaart te brengen in het kader van een beoordeling van de noodzaak om de controle naar die entiteiten uit te breiden. Het betreft in zoverre geen gegevens die door die derden zijn verstrekt in het kader van de belastingheffing ten aanzien van belanghebbenden zelf.
3.24.
Het belang bij beperkte kennisneming van die (misbruikgevoelige) gegevens betreffende andere (rechts)personen dan belanghebbenden in de bijlagen weegt in dit geval zwaarder dan het belang van belanghebbenden bij kennisneming van die delen, zodat beperkte kennisneming in zoverre op grond van gewichtige redenen gerechtvaardigd is. Niet aannemelijk is dat belanghebbenden door deze beperkte kennisneming wezenlijk in hun procesvoering worden belemmerd.
3.25.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies met betrekking tot de vraag of beperkte kennisneming van de (aanvullende) bijlagen gerechtvaardigd is:
Beperking kennisneming:
1.
Bijlage 1(= bijlage 3 bij 8:29-stukken)
e-mail met FSV zoekslagen belanghebbende II
NEE
2.
Bijlage 3(= bijlage 1 bij 8:29-stukken)
Dagboek FSV voor belanghebbende II
Overzicht geregistreerde signalen
NEE
3.
Bijlage 4
Dagboek FSV voor belanghebbende II
Registratie 1
NEE
4.
Bijlage 5
Dagboek FSV voor belanghebbende II
Registratie 2
NEE
5.
Bijlage 6
Dagboek FSV voor belanghebbende II
Bijlagen registratie 2
JA, maar
alleen:
BSN [naam2]
6.
Bijlage 7
Dagboek FSV voor belanghebbende I
Overzicht geregistreerde signalen
NEE
7.
Bijlage 8
Dagboek FSV voor belanghebbende I
Registratie
NEE
8.
Bijlage 9
Dagboek FSV voor belanghebbende I
Bijlage registratie
NEE
9.
Bijlage 10
Bijlage registratie belanghebbende I (e-mail met 4 bijlagen)
NEE
10.
Bijlage 11
E-mails 6 november 2014
JA, maar
alleen:
BSN [naam1] (partner)
11.
Bijlage 12
Document ‘Belanghebbende II’
JA, maar
alleenvoor zover het betreft
de afgedekte gegevens m.b.t. derden, te weten:
- [naam3]
- [naam4]
- [naam5]
- [naam6]
- [naam7]
- [naam14]
12.
Bijlage van registratie 1 belanghebbende II
(zie hiervoor 3. Bijlage 4)
NEE
13.
Bijlage 1 registratie 2 belanghebbende II
(zie hiervoor 5. Bijlage 6)
NEE
14.
Bijlage
(bij 13. Bijlage 1 registratie 2 belanghebbende II)
NEE
15.
Bijlage registratie 2 belanghebbende II
(zie hiervoor 5. Bijlage 6)
NEE
16.
Bijlage
(bij 15. Bijlage registratie 2 belanghebbende II)
NEE
17.
Bijlage 3 registratie 2 belanghebbende II
NEE
18.
Bijlage 1 bij Bijlage registratie belanghebbende I(zie hiervoor 9. Bijlage 10)
NEE
19.
Bijlage 2 bij Bijlage registratie belanghebbende I
(zie hiervoor 9. Bijlage 10)
NEE
20.
Bijlage 3 bij Bijlage registratie belanghebbende I
(zie hiervoor 9. Bijlage 10)
NEE
21.
Bijlage 4 bij Bijlage registratie belanghebbende I
(zie hiervoor 9. Bijlage 10)
NEE
Beperkte kennisneming 8:29-motivering en begeleidend schrijven
3.26.
In zijn brief 31 juli 2024 heeft de Inspecteur medegedeeld dat ook voor wat de
8:29-motivering betreft om beperkte kennisneming wordt verzocht (als bedoeld in artikel 4, lid 3, Procesregeling). Op verzoek van de geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur een geschoond exemplaar van de 8:29-motivering ingebracht, dat - door tussenkomst van het Hof - aan belanghebbenden is gezonden (artikel 4, lid 4, Procesregeling). Het verzoek om beperkte kennisneming van de 8:29-motivering heeft de Inspecteur toegelicht in zijn begeleidende brief van 17 april 2025. Een geschoonde versie van die brief is eveneens (op verzoek van de geheimhoudingskamer zonder verdere toelichting) aan belanghebbenden gezonden.
3.27.
In de 8:29-motivering en in de begeleidende brief heeft de Inspecteur telkens de delen afgedekt die informatie bevatten over de aard van het signaal om dezelfde reden als bij de bijlagen (veiligheidsrisico). Op grond van hetgeen hiervoor in 3.9 tot en met 3.13 is overwogen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat beperkte kennisneming van de 8:29-motivering en de begeleidende brief niet gerechtvaardigd is.
Slotsom
3.28.
Beperkte kennisneming is gerechtvaardigd van bijlage 6 (BSN [naam2] ), bijlage 11 (BSN [naam1] ) en bijlage 12 (gegevens met betrekking tot hierboven genoemde derden). Voor al het overige is beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd.

4.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
– bepaalt dat beperking van de kennisneming zoals aangebracht in bijlagen 6, 11 en 12 gerechtvaardigd is, maar uitsluitend voor zover het gaat om de afgedekte gegevens en passages betreffende de derden die zijn genoemd in de tabel in 3.25 (rijen 5, 10 en 11) en met in achtneming van hetgeen overigens is overwogen in 3.7 tot en met 3.24,
– bepaalt dat beperkte kennisneming van de overige (aanvullende) bijlagen, van de
8:29-motivering en van de begeleidende brief niet gerechtvaardigd is,
– stelt de Inspecteur in de gelegenheid om
binnen twee wekenna dagtekening van deze beslissing aan het Hof te berichten welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (V.F.R. Woeltjes)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen tussenbeslissingen, zoals de onderhavige, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.