ECLI:NL:GHARL:2026:617

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
200.345.826
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenlease: verjaring en vergoeding restschuld Dexia

In deze civiele zaak staat een effectenleaseovereenkomst centraal waarbij de afnemer en Dexia Nederland B.V. in hoger beroep zijn. Het hof heeft in een eerder tussenarrest vastgesteld dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven en Dexia hiervan op de hoogte was, waardoor Dexia aansprakelijk is voor de restschuld en betaalde rente, aflossing en kosten.

Dexia voerde verjaring van de vordering aan, maar het hof oordeelde dat de afnemer tijdig en rechtsgeldig de verjaring heeft gestuit door sommatiebrieven en een opt-out-verklaring, waardoor de vordering niet verjaard is. Daarnaast wees het hof het incidenteel hoger beroep van Dexia af over de resterende termijnen, omdat deze onderdeel zijn van de restschuld die Dexia moet vergoeden.

De afnemer had geen recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, omdat onvoldoende was gebleken van extra werkzaamheden. Het hof veroordeelde Dexia tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, en bepaalde dat de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is. De vorderingen van Dexia werden afgewezen en de afnemer kan zelf de schade berekenen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad uit 2017 en het financiële overzicht van Dexia.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van Dexia af, waarbij Dexia de restschuld en betaalde kosten aan de afnemer moet vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.826
zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 9249621
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
tegen
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft op 29 juli 2025 een tussenarrest gewezen. Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de akte na tussenarrest van Dexia;
  • de antwoordakte van de afnemer;
  • de antwoordakte van Dexia.

2.De verdere beoordeling door het hof

Verjaring
2.1.
Tussen partijen is één effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen via een tussenpersoon. Het hof heeft in het tussenarrest geconcludeerd dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door de tussenpersoon. Dat betekent dat Dexia de restschuld van de afnemer en de door hem betaalde rente, aflossing en kosten aan de afnemer dient te vergoeden. Dexia heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat de vordering is verjaard. De afnemer heeft betoogd dat de verjaringstermijn steeds rechtsgeldig en tijdig is gestuit. Het hof heeft partijen de gelegenheid gegeven zich bij akte over dat geschilpunt uit te laten. Dexia heeft haar verweer dat de vordering van de afnemer is verjaard in hoger beroep gehandhaafd. Dat verweer slaagt niet. De afnemer heeft binnen vijf jaar na de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst en toezending van de eindafrekening waaruit zijn schade bleek een eerste sommatiebrief gestuurd. Daarin heeft de afnemer zich onder meer beroepen op artikel 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) en zich het recht voorbehouden nog andere gronden aan te voeren, en heeft de afnemer Dexia gesommeerd om alle door de afnemer onder de effectenleaseovereenkomst betaalde bedragen terug te betalen. Vervolgens heeft de afnemer tijdig de zogenoemde opt-out-verklaring in 2007 aan de daartoe aangewezen notaris gezonden waardoor een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen, en zijn verschillende brieven/sommaties gestuurd (mede namens andere afnemers) waarin de afnemer telkens uitdrukkelijk verklaarde zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden. Voor Dexia was het duidelijk, althans had het duidelijk moeten zijn, dat de afnemer met zijn brieven beoogde om ook de verjaring te stuiten van de vordering tot vergoeding van schade die de afnemer als gevolg van de effectenleaseovereenkomst had geleden. In het licht van de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift van 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia ook voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden effectenleaseovereenkomst; het schenden van de vergunningplicht door tussenpersonen wordt daarin genoemd. Niet nodig is dat de afnemer nauwkeurig zijn vordering omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor. [1] Daarom had het voor Dexia duidelijk moeten zijn welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gezien deze context heeft de afnemer met zijn brieven de verjaring telkens gestuit. [2] Dexia heeft in het licht van de opvolgende stuitingsbrieven onvoldoende toegelicht dat tussen de verschillende stuitingen meer dan vijf jaar zou zijn verstreken. Van verjaring van de vordering van de afnemer is dan ook geen sprake.
Resterende termijnen
2.2.
Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat Dexia geen aanspraak had op de contant gemaakte resterende termijnen zoals die in de eindafrekening van Dexia waren vermeld. De afnemer heeft, aldus de kantonrechter, jegens Dexia daarom aanspraak op vergoeding van een bedrag dat hij vanwege de door Dexia in rekening gebrachte resterende termijnen (mogelijk) te veel aan Dexia heeft voldaan. Tegen dat oordeel heeft Dexia in incidenteel hoger beroep een grief gericht.
2.3.
Deze incidentele grief van Dexia faalt. Partijen hebben geen belang bij de inhoudelijke bespreking van deze grief. De resterende termijnen maken immers onderdeel uit van de restschuld van de afnemer die Dexia, zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen, volledig aan de afnemer dient te vergoeden.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.4.
Het hof merkt op dat de afnemer in de procedure bij de kantonrechter niet op voldoende duidelijke wijze een tegenvordering heeft ingesteld (zoals een reconventionele vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten). De afnemer heeft overigens ook geen voldoende duidelijke grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de afnemer geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het hof overweegt ten overvloede dat de afnemer inderdaad geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In dit geval is namelijk onvoldoende gebleken dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [3]
Te vergoeden schade
2.5.
Gelet op het voorgaande dient Dexia de restschuld van de afnemer, waaronder de resterende termijnen, en de door hem betaalde rente, aflossing en kosten aan de afnemer te vergoeden. Dit leidt ertoe dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is en de vordering van Dexia zal dus worden afgewezen. Bij de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade dient overigens rekening te worden gehouden met de (fiscale) voordelen die de afnemer heeft genoten. Het exacte bedrag dat Dexia aan de afnemer dient te vergoeden kunnen partijen zelf berekenen. Dit dienen zij te doen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 en volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door afnemer niet of onvoldoende gemotiveerd is weersproken. [4]
De conclusie
2.6.
Het principaal hoger beroep van de afnemer slaagt. Omdat Dexia in het principaal hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in de eerste aanleg en het principaal hoger beroep veroordelen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [5]
2.7.
Uit de beoordeling van het principaal hoger beroep volgt dat Dexia niet langer belang heeft bij het incidenteel hoger beroep, waardoor het incidenteel hoger beroep in zoverre een voorwaardelijk karakter heeft. Het hof ziet daarin aanleiding om te bepalen dat elke partij zijn eigen kosten van het incidenteel hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten).
2.8.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 februari 2023 en beslist als volgt:
3.2. wijst de vorderingen van Dexia alsnog af;
3.3.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 660,- aan salaris van de gemachtigde van de afnemer (2,5 procespunt x het toepasselijke tarief van € 264,- per punt);
in principaal hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht;
€ 129,14 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Dexia;
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (1 procespunt x appeltarief II);
3.4.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incidenteel hoger beroep draagt;
3.6.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, M. Schoemaker en P.J. van der Korst, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494.
2.Vergelijk HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489.
3.HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164.
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.