ECLI:NL:GHARN:2011:BP1843
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in tweede verzoek tot omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling
In deze zaak heeft appellant, na een faillissement dat op verzoek van een schuldeiser was uitgesproken, voor de tweede keer een verzoek ingediend tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling. De rechtbank had dit verzoek afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van een substantieel deel van haar schuldenlast in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Het hof oordeelt dat de Faillissementswet het niet toestaat om tijdens de looptijd van een op verzoek van een schuldeiser uitgesproken faillissement een tweede verzoek tot omzetting in te dienen, behalve in twee expliciet omschreven gevallen die hier niet van toepassing zijn. Omdat appellant dit tweede verzoek indiende terwijl het faillissement nog liep en niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 15b Fw, had de rechtbank haar verzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het hof vernietigt daarom het vonnis van 9 december 2010 en verklaart appellant niet-ontvankelijk in haar verzoek. De zaak betreft een faillissement van een vennootschap en haar vennoten, waarbij appellant en haar ex-echtgenoot vennoot waren. Het faillissement is nog niet afgewikkeld en de financiële onafhankelijkheid van appellant sinds het faillissement speelde een rol in het geschil.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van de Faillissementswet bij verzoeken tot omzetting en de noodzaak van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden voor toewijzing van een schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar tweede verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling.