ECLI:NL:GHARN:2012:BY3916
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdeling stamrecht en fiscale gevolgen bij ontbinding huwelijksgemeenschap
In deze civiele zaak stond de verdeling van een stamrecht B.V. centraal, dat was gevormd uit een schadevergoeding wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Het hof bevestigde dat de aanspraken op periodieke uitkeringen vanaf de 65-jarige leeftijd van de man als oudedagsvoorziening binnen de huwelijksgemeenschap vallen en dus verdeeld moeten worden.
De fiscale behandeling van de afkoop van het stamrecht in 2000 was een belangrijk geschilpunt. Het hof verwierp de stelling van de man dat een belastingtarief van 60% (artikel 23a Wet Vpb) van toepassing zou zijn en bevestigde het bijzondere tarief van 45% op grond van de Wet IB 1964. Ook werd geoordeeld dat de periodieke uitkeringen niet als verknocht konden worden aangemerkt, mede vanwege de bestemming als oudedagsvoorziening en nabestaandenuitkering.
Verder werd vastgesteld dat de vrouw mogelijk voor meer dan een kwart benadeeld is bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij het hof nadere stukken en een nieuwe waardering van een polis bij Nationale Nederlanden verlangde. De zaak werd aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.
Tenslotte handhaafde het hof eerdere bindende beslissingen over de waarde van de stamrecht B.V. en de gebruiksvergoeding van een motorboot, waarbij geen aanleiding was om daarvan terug te komen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat het stamrecht tot de huwelijksgemeenschap behoort en bepaalt nadere procedure voor fiscale waardering en benadeling.