Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Arrest van 9 januari 2018
SPIRITS INTERNATIONAL B.V.,
Het verloop van het geding
- van Spirits op 1 februari 2017: producties AP 13, 46-49, 62, 168-173 en 283-290;
- van FKP op 2 februari 2017: producties 200-217 en op 15 februari 2017 een aanvullende kostenopgave.
Beoordeling
De kern van de zaak
De vorderingen en de beslissingen in deze zaak
(4.2) de nietigheid uitgesproken van de (40) merken
en het gebruik van het teken Stoli, in verband met het aanbieden, verhandelen, distribueren en in voorraad hebben van drank in de Benelux, en het depot of de registratie van het teken Stoli of andere tekens waarvan Stoli deel uitmaakt, in de Benelux;
enandere verpakkingsmaterialen
, en het deponeren van merkenmet misleidende geografische (herkomst) aanduiding(en), in het bijzonder “Russian” en Russian vodka” of vergelijkbare aanduidingen (al dan niet in andere talen), te staken en gestaakt te houden;
dgegeven bevelen, te vermeerderen met een dwangsom van EUR 50.000 per dag (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend) dat de overtreding voortduurt, aan FKP te betalen;
alsmede tot afdracht vande (bruto) winst die Spirits sinds 20 oktober 1999 heeft gemaakt door de verkoop van wodka in de Benelux onder gebruikmaking van de onder a. en b. genoemde merken met gelding in de Benelux;
Spirits te bevelen om binnen drie weken na betekening van dit arrest aan de advocaten van FKP een door een onafhankelijke registeraccountant, die geen eerdere zakelijke relatie heeft gehad met Spirits, opgestelde en goedgekeurde verklaring te verstrekken, ten aanzien van de Benelux, voorzien van alle relevante ondersteunende documenten en vergezeld van een verklaring van de registeraccountant betreffende de wijze waarop deze te werk is gegaan en de rekenmethodes die daarbij zijn gebruikt, ten aanzien van het volgende:
Het principaal beroep
“cannot reconsider the binding final decisions”(6.52) en dat een uitzondering op dit systeem slechts gerechtvaardigd zou kunnen zijn
“in very rare circumstances”,zoals een wetswijziging of herziening rechtvaardigend bedrog (6.53).
- bedrog in de procedure, derhalve een bewust oneerlijke proceshouding van FKP,
- betreffende een of meer (gestelde) feiten,
- door Spirits ontdekt en pas redelijkerwijs te ontdekken nadat het arrest 2012 was bepaald (26 januari 2012) – hierna ook kortweg aan te duiden als nova en
- (processueel) verband tussen de voor herroeping aangewezen feiten en de daarop genomen beslissing, waartoe aannemelijk moet zijn dat de beslissing van het hof in zijn arrest 2012 anders zou zijn uitgevallen bij een juiste voorstelling van zaken – hierna ook kortweg aan te duiden als het voor herziening vereiste verband.
- voor zover het gaat om herroepingsgronden waarmee Spirits al voor het pleidooi voorafgaand aan het arrest 2012, derhalve voor 26 januari 2012, bekend was of had kunnen zijn, had zij die in die procedure (uiterlijk in het eerste appel) moeten aanvoeren;
- de omstandigheid dat een vordering tot herroeping op grond van artikel 382 Rv Pro uiterlijk 3 maanden nadat het arrest 2012 in kracht van gewijsde is gegaan, derhalve drie maanden na het (herstel)arrest van de Hoge Raad, had moeten worden ingesteld (welke vordering overigens zou zijn afgewezen voor zover zij gebaseerd zou zijn op herroepingsgronden waarmee Spirits al voor 26 januari 2012 bekend was of had kunnen zijn), brengt mee dat Spirits uiterlijk op 20 maart 2014 of 17 april 2014 in deze procedure een beroep had moeten doen op herroepingsgronden waarmee zij voor 20 december 2013 of 17 januari 2014 bekend was geworden en vervolgens telkens uiterlijk drie maanden nadat Spirits met een herroepingsgrond bekend is geworden;
- voor zover zou gelden dat in dit hoger beroep nog een beroep zou kunnen worden gedaan op herroepingsgronden op een moment dat Spirits met die gronden al meer dan drie maanden bekend was of had kunnen zijn, geldt dat Spirits daarop pas nadat zij haar grieven had aangevoerd (in de appeldagvaarding) een beroep heeft gedaan hetgeen, voor zover geen sprake is van een nadere uitwerking of precisering van een eerder ingenomen stelling, in strijd is met de twee-conclusie-regel. Een uitzondering op de twee-conclusie-regel acht het hof wel gerechtvaardigd als het gaat om herroepingsgronden waarmee Spirits pas na (het aanvoeren van de grieven in) de appeldagvaarding (23 juni 2015) bekend is geworden of had kunnen worden.
Strijd met de twee-conclusie-regel
Geen nova en geen voor herziening vereist verband
Geen nova, geen voor herziening vereist verband
dat velen, ook (vertegenwoordigers van) officiële instanties en staatsinstellingen, destijds in de veronderstelling verkeerden dat VAO, als rechtsopvolger van VVO, gold als rechthebbende van de merkrechten van VVO en dienovereenkomstig handelden, maakt het voorgaande(dat Shefler door een intern onderzoek had kunnen en moeten weten dat VAO niet de rechtsopvolger van VVO was en dat VAO de merkrechten dus niet rechtsgeldig had verkregen, hof)
niet anders. Deze veronderstellingen van derden, ook al zijn dat (vertegenwoordigers van) officiële instanties en staatsinstellingen, kunnen niet zwaarder wegen dan de resultaten van een intern onderzoek van de rechtspersoon in kwestie.”. Gelet op het bovenstaande acht het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet aannemelijk dat de beslissing van het hof in zijn arrest 2012 anders zou zijn uitgevallen als het hof op de hoogte zou zijn geweest van hetgeen de advocaat van FKP/FGUP in de Australische procedure heeft verklaard en van de overige “nieuwe producties” van Spirits.
geen bewust oneerlijke proceshouding, geen nova en geen voor herziening vereist verband
Gorbunov (…) komt op grond van de commissie en de waarde (RUR 8 miljard) van de verhandelde producten (van VVO’s klanten en dus niet de activa van VVO) tot een voorlopige waardevaststelling van RUR 15 miljoen”(MvG1 2.19, zie ook 5.5, 5.8, onder B, en 2.22-2.24 PSA1). Zoals Spirits thans ook zelf stelt (in 34 van haar appeldagvaarding na cassatie – hierna ook: AD2), is het hof in zijn arrest 2012 niet uitgegaan van een waarde van de activa van 8.3 miljard roebel en heeft het deze notulen niet betrokken bij zijn oordeel over deze waarde. Het hof heeft overwogen dat dit bedrag zag op de waarde van de verhandelde producten (ro. 15.25 arrest 2012) en is uitgegaan van een waarde van 1.8 miljard roebel op basis van andere stukken (ro. 15.26 arrest 2012).
geen nova en geen voor herziening vereist verband.
Geen nova; geen voor herziening vereist verband
Geen oneerlijkeproceshouding; geen voor herziening vereist verband
proceshouding van FKP in de onderhavige procedure. Overigens heeft Spirits niet gesteld dat de beslissing in het arrest 2012 anders zou zijn geweest als het hof op de hoogte zou zijn geweest van het door Spirits gestelde bedrog door de Russische Federatie in de Yukos zaak. Het hof acht dat overigens ook niet aannemelijk, nu het gaat om een andere zaak.
- van andere (buitenlandse) rechters in New York, Verenigde Staten in 2014 (productie 140 SA2), Athene, Griekenland in 2014 (productie 231 SA2) en Oberlandesgericht Linz, Oostenrijk in 2014 (productie 226 SA2), welk uitspraak het hof, anders dan Spirits stelt, niet verplicht is op grond van de Brussel 1-Verordening (EEX) te erkennen en die bovendien is vernietigd door het Oberste Gerichtshof van 11 augustus 2015, (productie 168 FKP);
- juridische oordelen van vermeende (partij)deskundigen, zoals Newcity 2014, juni en augustus 2015 (producties 143, 232, 248 SA2), Feldbrugge (productie 116 FKP), Gladyshev 2014 (productie 145 en 219 SA2), Schrage enVan Wechem 2015 (productie 230 SA2), Stein 2015 (productie 250 SA2) en Kramer 2016 (productie 258 SA2),
- de omstandigheid dat in 2005 in buitenlandse procedures in Brazilië (productie 144 SA2) en Australië (productie 129 SA2) (ook) FGUP als eiser is opgetreden (dat in een procedure in de Verenigde Staten na 2012 (productie 1 SA2) is gesteld dat de Russische Federatie eigenaar van de merken is of was, is niet in strijd met het standpunt van FKP in deze procedure en het oordeel van het hof in zijn arrest 2012);
- de omstandigheid dat de Russische Federatie in 2003 tegen Sukhirin, manager van ZAO (productie 121 SA2) en in 2002 tegen Shefler – volgens Spirits ten onrechte – in Rusland strafrechtelijke vervolgingen heeft ingesteld of trachten in te stellen en dat in dat verband door de Russische Federatie aan het Verenigd Koninkrijk een verzoek om uitlevering van Shefler is gedaan;
- de beslissing van de City of Westminster Magistrates’ Court van 8 juni 2010 waarbij het uitleveringsverzoek werd afgewezen en de motivering daarvan (producties103 SA2/143 S1);
- het deskundigenrapport van Sakwa van 2009 (in verband met het verzoek tot uitlevering van Shefler) over handelingen van de Russische Federatie (productie 90 SA2);
- de omstandigheid dat de Russische Federatie of daarmee gelieerde of voor haar optredende (rechts)personen tegen Spirits en derden, zoals Yukos, Media-Most en andere “national champions” en daarmee gelieerde (rechts)personen – naar de mening van Spirits zonder goede grond en/of teneinde deze (rechts)personen onder druk te zetten – diverse acties heeft ondernomen en procedures is gestart voor 26 januari 2012;
- de omstandigheid dat de aanvankelijk overgelegde vertaling van de brief van de Staatscommissie van 5 november 1990 – naar het oordeel van Spirits – onjuist was, in welk verband het hof opmerkt dat Spirits deze brief in de procedure voor 26 januari 2012 heeft besproken in 5.8 (A) van haar MvG1, onder verwijzing naar een door haar overgelegde deskundigenverklaring van prof. dr. S.A. Avakian, professor aan een Law Faculty te Moskou (productie 11 SA1), zodat zij toen wist, althans had kunnen weten of de in het geding zijnde vertaling juist was;
- hetgeen Spirits heeft gesteld omtrent procedures en handelingen van de Russische Federatie of daarmee gelieerde of voor haar optredende (rechts)personen tegen(over) derden, zoals Litvinenko, Yukos, Media-Most en andere “national champions” en daarmee gelieerde (rechts)personen;
- hetgeen Spirits heeft gesteld omtrent het belang dat de Russische Federatie hecht aan wodka en de wodka-sector en het rapport van Bowring van 2014 (productie 92 SA2) daarover;
- hetgeen Spirits heeft gesteld over de politieke invloed op, corruptie binnen en onbetrouwbaarheid van de Russische rechtspraak en oordelen daarover van deskundigen, zoals Bowring in zijn rapport van 2014 en anderen, waaronder diverse instanties;
- met inschrijvingsnummers 715547, 576101B en 584758B (in rechtsoverweging 3.18.1, 3.18.2 en 3.22);
- met inschrijvingsnummers 711014, 717459, 717463, 805851, 805852, 932690, 583801B, 604725, 604726, 632734C, 644547, 644745, 1046433, 1096274, 1109469, 1183172 en 1186103 (in rechtsoverweging 3.19.1, 3.19.2, 3.20 en 3.22)
gedeponeerd.Overigens valt uit de niet bestreden productie 178 FKP af te leiden dat VO het merk in Rusland (al in 1967) heeft gedeponeerd.
Het incidenteel beroep
- woordelementen in het algemeen, en ook in dit geval, meer bepalend zijn voor de totaalindruk van het merk dan de beeldelementen;
- de beeldelementen bovendien ofwel vaag zijn weergegeven (zoals het gebouw op de achtergrond), ofwel veel kleiner zijn weergegeven dan het woord STOLICHNAYA (het Cyrillische logo) ofwel bestaan uit eenvoudige weinig onderscheidende en/of geometrische vormen, zoals de rechthoeken, ofwel door de Benelux-consument aldus zullen worden opgevat, zoals de (voor de Benelux-consument onbekende) munten of cirkels;
- het woord STOLICHNAYA twee maal zeer prominent is afgebeeld in het merk;
- de andere woordelementen niet onderscheidend zijn, nu zij slechts (kenmerken van) de waar beschrijven (zoals (Russian) Vodka, imported from, distilled and bottled in the USSR, 40% (70% Br. Proof) 0,5 litre) of een niet onderscheidende aanbeveling bevatten (cool before drinking);
- de andere woordelementen bovendien, met uitzondering van de beschrijvende aanduiding RUSSIAN VODKA, veel kleiner in beige letters en daardoor vrij onopvallend afgebeeld zijn.
naastschadevergoeding;
dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van merkenrechtelijke kwade trouw, acht moet worden geslagen op de omstandigheden van het concrete geval, en dat onder omstandigheden ook van kwade trouw sprake kan zijn als de aanvrager niet weet, maar wel behoort te weten dat een derde tot het merk gerechtigd is. Op grond van het bovenstaande kan de door het onderdeel bepleite eis van daadwerkelijke positieve wetenschap niet worden gesteld voor het aannemen van kwade trouw”. Naar het oordeel van het hof valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom dit niet ook zou gelden bij de uitleg van het begrip kwade trouw, vereist voor toewijzing van winstafdracht. Dit geldt te meer in het licht van de artikelen 45, lid 2, Trips-verdrag en 13, lid 2, Handhavingsrichtlijn, waarmee artikel 2:21, lid 4, BVIE in overeenstemming zou moeten zijn. Gelezen in samenhang met lid 1 van voormelde bepalingen in het Trips-verdrag en de Handhavingsrichtlijn moet ervan worden uitgegaan dat voor toewijzing van winstafdracht op grond van deze bepalingen voldoende is dat de inbreukmaker wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, terwijl lid 2 de lidstaten de mogelijkheid geeft te bepalen dat winstafdracht ook verschuldigd is als de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.
Beslissing
- de nietigverklaring en het bevel tot doorhaling van merken onder 4.2 van het dictum van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
- het meer of anders gevorderde is afgewezen;