Conclusie
2.Procesverloop
indien en voor zover toewijsbaar naast winstafdracht. Daarnaast heeft het hof Spirits bevolen om een accountantsverklaring te verstrekken. Tot slot is Spirits veroordeeld in de proceskosten op de voet van art. 1019h Rv, die zijn gesteld op € 40.000,-.
De bindende eindbeslissingen.Het hof komt niet terug van de bindende eindbeslissingen in het arrest 2012. Het hof gaat er dus (nog steeds) vanuit dat de VO-merken zijn blijven toebehoren aan VVO en thans, door FKP beheerd, staatseigendom zijn van de Russische Federatie (rov. 17-46). (b)
De Stoli-merken.Door het gebruik van de STOLI-tekens maakt Spirits inbreuk op het STOLICHNAYA-merk (rov. 62-81). (c)
Winstafdracht.De vordering tot winstafdracht wegens inbreuk te kwader trouw is toewijsbaar voor wat betreft het gebruik van tekens die het woord STOLICHNAYA of MOSKOVSKAYA bevatten; het gebruik van de STOLI-tekens was niet te kwader trouw (rov. 83). (d)
Proceskosten. Het hof heeft voor de proceskosten aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven versie 2017 (rov. 87).
22-36 van haar plta2 gewezen op de volgende zeven omstandigheden (rov. 30):
omstandigheid (1):strijd met de twee-conclusie-regel (rov. 33-35), geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 37);
omstandigheid (2):geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 38);
omstandigheid (3):strijd met de twee-conclusie-regel (rov. 33-35), geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 38);
omstandigheid (4): strijd met de twee-conclusie-regel (rov. 33-35), geen bewust oneerlijke proceshouding, geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 39);
omstandigheid (5):strijd met de twee-conclusie-regel (rov. 33-35), geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 40);
omstandigheid (6):strijd met de twee-conclusie-regel (rov. 33-35), geen nova en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 41);
omstandigheid (7):geen oneerlijke proceshouding en het voor herziening vereiste verband ontbreekt (rov. 42).
legal opinionovergelegd. Spirits heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ter zitting heeft de voorzitter beslist dat de
legal opinionbuiten het dossier blijft en dat de Hoge Raad ambtshalve kennis neemt van de genoemde uitspraak. Verder hebben partijen schriftelijke toelichting gegeven en kostenstaten overgelegd. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd en zijn aanvullende kostenstaten in het geding gebracht. Spirits heeft ook acht andere bijlagen aangehecht [19] , waartegen FKP (mijns inziens terecht [20] ) bezwaar maakt.
3.Bespreking van het cassatieberoep
Het principaal cassatieberoep
eerste onderdeelis een inleiding zonder klachten en behoeft daarom eigenlijk geen bespreking.
onderdeel 8betreft de STOLI-merken,
onderdeel 9ziet op inbreuk te kwader trouw en winstafdracht en
onderdeel 10gaat over de verwijzing naar de schadestaat en cumulatie van schadevergoeding en winstafdracht.
onderdelen 2 t/m 7.
tweede onderdeelricht zich met name tegen rov. 20-24 en 29. Daarin oordeelt het hof dat de rechter die de behandeling na verwerping van een tussentijds cassatieberoep voorzet, gebonden is aan beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden en dat de (versoepelde) leer van de bindende eindbeslissing deze regel niet opzij zet. Het hof verwijst in dat kader naar het arrest
Woning Westmaas [23] .
subonderdeel 2.1geldt de regel van onaantastbaarheid na cassatie niet indien het cassatieberoep was gericht tegen een tussenuitspraak. Dan wordt de procedure hoe dan ook voortgezet en bestaat dus aanleiding om terug te komen van een eindbeslissing indien in de verdere loop van de procedure duidelijk wordt dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag [24] . In dit geval zouden ook juridische onjuistheden (met name in de toepassing van het Russische recht) tot het terugkomen van eindbeslissingen kunnen leiden [25] . Spirits voegt hieraan toe dat
Woning Westmaasis genuanceerd of achterhaald door
[…] /Staat [26] (plta in cassatie onder 2.1.2 en s.t. onder 2.1.3).
leer van de bindende eindbeslissinghoudt in dat de rechter gebonden is aan uitdrukkelijk en zonder voorbehoud in een tussenuitspraak gegeven eindbeslissingen. Uw Raad heeft in 2008 een nieuwe maatstaf gegeven voor het heroverwegen van bindende eindbeslissingen. Op grond van die nieuwe maatstaf is de rechter bevoegd en verplicht om over te gaan tot heroverweging van een eindbeslissing wanneer blijkt dat deze eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De ratio is te voorkomen dat de rechter op een ondeugdelijke grondslag uitspraak doet [27] .
regel van de onaantastbaarheid na cassatieheeft betrekking op het geval dat de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwijst (art. 424 Rv Pro). Deze regel brengt mee dat de verwijzingsrechter in dat geval gebonden is aan alle in cassatie niet of vergeefs bestreden beslissingen [28] .
Woning Westmaasis uitgemaakt dat er geen mogelijkheid bestaat om terug te komen op een bindende eindbeslissing als de rechtsstrijd na cassatie door de verwerping van een onderdeel van het middel aldus is afgebakend dat over dit geschilpunt is beslist en het bestreden oordeel in zoverre onaantastbaar is geworden. In
[…] /Staatis vervolgens beslist dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden.
Woning Westmaasis dat de regels over het terugkomen op een bindende eindbeslissing niet gelden als een oordeel onaantastbaar is geworden en daarmee valt
buiten de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie.
[…] /Staatziet daarentegen op de mogelijkheden om nieuwe feiten en omstandigheden
binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatieaan te voeren. De arresten gaan daarmee over verschillende situaties. Volgens mij is
[…] /Staatdan ook geen nuancering van
Woning Westmaas. Dat geldt zeker nu de rechtsregel uit
[…] /Staatook al in 1999 was geformuleerd in
Kakkenberg/Kakkenberg [29] .
na cassatie en verwijzing. Het gaat om de
voortzettingvan een geding na de verwerping van het cassatieberoep tegen het
(tussen)arrest 2012. De rechtsstrijd wordt dan beperkt door de
one shot rule: de partij die tussentijds beroep instelt (hier: Spirits), is gehouden daarin al haar bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenuitspraken aan te voeren en zij verliest de mogelijkheid om dit bij een latere gelegenheid te doen [30] . De rechtsstrijd is daarmee afgebakend, in die zin dat door de verwerping van het tussentijdse cassatieberoep
alle eindbeslissingenin het arrest 2012 voor Spirits onaantastbaar zijn geworden [31] . Zij kan deze beslissingen niet meer in de rechtsstrijd na cassatie betrekken. Uit
Woning Westmaasvolgt dat de (versoepelde) leer van de bindende eindbeslissing in zoverre geen toepassing vindt. Anders dan subonderdeel 2.1 stelt, komt Spirits volgens mij met betrekking tot de bindende eindbeslissingen in het arrest 2012 daarom geen beroep toe op de (versoepelde) leer voor het heroverwegen van bindende eindbeslissingen.
novazijn (rov. 37-41) en dat ook de argumenten die vallen onder categorie (b) al bekend waren toen op 26 januari 2012 arrest werd bepaald (rov. 43). Het gaat hier dus om feiten en omstandigheden die in hoger beroep (1) konden worden aangevoerd, waarna een eventuele feitelijke of juridische omissie van het hof door Spirits in cassatie (1) aan de orde had kunnen worden gesteld.
subonderdeel 2.2is in rov. 20-24 en 29 van het arrest 2018 miskend dat het arrest 2012 niet ziet op alle merken waarop het geschil tussen Spirits en FKP betrekking heeft [33] . Daartoe heeft Spirits het volgende naar voren gebracht. De rechtbank heeft in rov. 3.76 van het vonnis 2006 tot uitdrukking gebracht dat zij, gelet op hetgeen in conventie is overwogen, voor de beoordeling van de vordering in reconventie behoefte had aan nadere inlichtingen over de aldaar genoemde merken. Spirits diende volgens de rechtbank aan te geven op welke wijze en van wie zij deze merken had verkregen en wie deze merken in welke periode had gebruikt. Uit deze overweging volgt dat de rechtbank haar eindbeslissingen in conventie ook relevant achtte voor de beslissing van het geschil in reconventie, maar dat zij nog nadere inlichtingen behoefde om tot een beslissing te komen. In het hoger beroep (1) was de vordering in reconventie ten aanzien van de in rov. 3.76 genoemde merken niet aan de orde. De beslissing in het HR-arrest 2013 heeft daar dus evenmin betrekking op. Vervolgens hebben de rechtbank (vonnis 2015) en het hof (arrest 2018) beslist over de vordering in reconventie ten aanzien van deze merken. Het hof heeft, zo volgt uit rov. 47 en 48, kennelijk geoordeeld dat hierop ook de regel van onaantastbaarheid na cassatie toepasselijk is. Het hof heeft daarmee volgens de klacht miskend dat ten aanzien van de merken, waarover de rechtbank in het vonnis 2006 nog niet had beslist, geen eindbeslissingen zijn genomen die in hoger beroep (1) en cassatie (1) voorlagen.
subonderdeel 2.4miskent het hof in rov. 38 dat naarmate Spirits beter door middel van (beëdigde) getuigenverklaringen van [betrokkene 4] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kon onderbouwen dat de door FKP overgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn – en daarmee de houding van de officiële instellingen nog overtuigender leek te wijzen op de geldigheid van de transformatie – des te eerder aanleiding bestond om gegeven eindbeslissingen te heroverwegen [35] .
dat velen, ook (vertegenwoordigers van) officiële instanties en staatinstellingen, destijds in de veronderstelling verkeerden dat VAO, als rechtsopvolger van VVO, gold als rechthebbende van de merkrechten van VVO en dienovereenkomstig handelen, maakt het voorgaande(dat [betrokkene 5] door een intern onderzoek had kunnen en moeten weten dat VAO niet de rechtsopvolger van VVO was en dat VAO de merkrechten dus niet rechtsgeldig had verkregen, hof)
niet anders. Deze veronderstellingen van derden, ook al zijn dat (vertegenwoordigers van) officiële instanties en staatsinstellingen, kunnen niet zwaarder wegen dan de resultaten van een intern onderzoek van de rechtspersoon in kwestie.”
derde onderdeelis gericht tegen rov. 25-27, 29-30, 32 en 43. Deze overwegingen bevatten kort gezegd de volgende beslissingen. Het hof acht denkbaar dat de regel van onaantastbaarheid na cassatie uitzonderling lijdt als zich een
herroepingsgrond(art. 382 Rv Pro) voordoet [39] . Het hof is echter van oordeel dat het door Spirits gestelde bedrog niet voldoet aan de vereisten van art. 382 sub a Rv Pro en dus niet tot herziening van bindende eindbeslissingen in het arrest 2012 leidt. Voor de herroepingsgronden van art. 382 sub b en Pro c Rv gelden deels dezelfde vereisten. Verder heeft Spirits geen beroep gedaan op de herroepingsgronden van art. 382 sub b en Pro c Rv.
subonderdeel 3.1(eerste gedeelte) heeft het hof miskend dat Spirits zich ter onderbouwing van de gronden voor herziening niet alleen op bedrog heeft beroepen. Spirits zou tevens hebben aangevoerd dat zij stukken van beslissende betekenis in handen heeft gekregen die door toedoen van FKP waren achtergehouden (art. 382 sub c Rv Pro). Spirits wijst in dat kader op haar mva inc2 onder 35 en haar plta2 onder 20, 24-25 en 51. Het hof zou dat in rov. 34 ook hebben onderkend met zijn overweging dat Spirits onder meer een beroep heeft gedaan op een brief van het Ministerie van Defensie van 7 september 1990 die tijdens de
discoveryin Australië aan het licht is gekomen.
(voldoende) aannemelijkmoet zijn dat bij een juiste voorstelling van zaken een andere beslissing zou zijn gegeven [42] . Het achterhouden van de stukken behoeft geen bedrieglijk karakter te hebben [43] .
discoveryeen brief van het Russische Ministerie van Defensie aan het licht is gekomen, betekent niet dat deze brief door FKP is achtergehouden. Verder volgt uit het oordeel van het hof dat die brief geen relevante twijfel doet ontstaan over de juistheid van het arrest 2012. Het hof overweegt in rov. 34 dat de brief hooguit kan dienen ter onderbouwing van de houding van de Russische Federatie over de rechtsgeldigheid van de transformatie voor 2000, in welk kader het hof in rov. 38 tot de slotsom komt dat geen sprake is van het voor herziening vereiste verband.
subonderdelen 3.1 (tweede gedeelte) en 3.2wijst Spirits erop dat zij zich ook anderszins heeft beroepen op een oneerlijke proceshouding van FKP [46] . FKP zou voor het wijzen van het arrest 2012 een processtrategie hebben gevolgd waarbij zij relevante stukken heeft achtergehouden – of beetje bij beetje heeft verstrekt – en de relevante feiten niet steeds tijdig, volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. Het hof had daaraan, gelet op art. 21 Rv Pro, de gevolgtrekkingen moeten verbinden die hem gerade voorkomt. Het hof zou volgens Spirits op deze gronden hebben moeten bezien of aanleiding bestond om terug te komen van de in arrest 2012 genomen bindende eindbeslissingen. In dat kader heeft Spirits het volgende aangevoerd:
tijdenshet geding ontdekt relevant oneerlijk procesgedrag [52] . De genoemde stellingen (i) tot en met (iv) hebben betrekking op de vraag of de VO-merken zijn blijven toebehoren aan VVO en thans, door FKP beheerd, eigendom zijn van de Russische Federatie. In het arrest 2012 is deze vraag bevestigend beantwoord. Zoals bij de bespreking van subonderdeel 2.1 is toegelicht, is deze beslissing door de verwerping van het tussentijds cassatieberoep voor Spirits onaantastbaar geworden. In het tweede hoger beroep kon daarom in zoverre geen toepassing meer worden gegeven aan art. 21 Rv Pro. Dit lijdt hoogstens uitzondering wanneer het gaat om stellingen die in het eerste hoger beroep niet naar voren konden worden gebracht.
Stelling (i) en stelling (ii):
Stelling (iii):
Stelling (iv):
subonderdeel 3.3miskent het hof dat Spirits heeft betoogd dat een groot aantal documenten, die relevant zijn voor de geldigheid van de transformatie, in de periode 1999-2008 in beslag zijn genomen en dat zij daarover niet meer beschikte, waardoor zij in haar bewijspositie is benadeeld. Vanwege de door de Russische Federatie veroorzaakte bewijsnood bij Spirits, en de nauwe banden tussen de Russische Federatie en FKP, zou het hof de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid bij FKP hebben moeten leggen [54] . Spirits meent dat het hof ten onrechte heeft geëist dat zij voor de transformatie relevante documenten zou overleggen en zou onderbouwen waarom zij aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan. Spirits wijst op haar betoog dat in het kader van de bewijslastverdeling het leerstuk van de goede trouw en de onderzoeksplicht bij de verkrijging onjuist is toegepast [55] .
niet bestreden. De voornoemde uitgangspunten over de stelplicht en bewijslastverdeling staan daarmee ten opzichte van Spirits in rechte vast en konden door Spirits in het tweede hoger beroep daarom niet ter discussie gesteld worden.
novumook voor art. 382 sub c Rv Pro geldt. De overweging over het voor herziening vereiste verband is aldus te verstaan dat zodanige twijfel moet zijn gerezen over de juistheid van de in de uitspraak aangenomen feiten en de daarop gebaseerde beslissing, dat de partij die zich op herroeping beroept een herkansing moet krijgen, zo zagen we hiervoor in 3.25. Rov. 39 en 43 staan in de sleutel van de beoordeling van het beroep op bedrog. In het kader van een beroep op bedrog geldt volgens het hof dat sprake moet zijn van een oneerlijke proceshouding van FKP betreffende één of meer (gestelde) feiten (zie rov. 27 van het arrest 2018). Hierin ligt niet besloten dat ook bij (analoge) toepassing van art. 382 sub c Rv Pro sprake moet zijn van feiten zoals bedoeld in rov. 27 van het arrest 2018 dan wel van een bewust oneerlijke proceshouding van FKP in deze zin. Art. 382 sub c Rv Pro ziet niet op bedrog, maar op door toedoen van de wederpartij achtergehouden stukken van beslissende aard.
novaen het ontbreken van het voor herziening vereiste verband en een oneerlijke proceshouding (rov. 33-43). De termijn van drie maanden heeft het hof bij deze beoordeling niet betrokken.
vierde onderdeelbetoogt dat de onderdelen 2 en 3 bij gegrondbevinding ook de voortbouwende beslissingen in rov. 33-44 raken. Het onderdeel bevat geen zelfstandige klachten en deelt het lot van onderdelen 2
en 3.
vijfde onderdeelis gericht tegen de verwerping in rov. 33-38 en 43 van de gronden die Spirits naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar beroep op bedrog. Het onderdeel bestaat uit tien subonderdelen.
subonderdeel 5.1heeft het hof in rov. 34 en 37 miskend dat Spirits zich er tevens op heeft beroepen dat FKP stukken heeft achtergehouden die van beslissende betekenis zijn voor de vraag of het hof diende terug te komen op eindbeslissingen in het arrest 2012. In dat kader zou niet (zonder meer) relevant zijn of sprake is van feiten waarvan Spirits pas na 23 juni 2015 op de hoogte is geraakt of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn. Bepalend is immers of deze stukken, die ook kunnen dienen ter onderbouwing van door Spirits gestelde feiten of van feiten waarvan zij op de hoogte was of kon zijn, door toedoen van FKP zijn achtergehouden en tot een andere beoordeling in het arrest 2012 hadden kunnen leiden.
subonderdeel 5.2(eerste tekstblok) wijst Spirits erop dat FKP haar aanvankelijke bezwaar [62] tegen het beroep op bedrog bij pleidooi heeft ingetrokken. Dit leidt Spirits af uit e-mails van de advocaat van FKP van 17 februari 2017 en 20 maart 2017 waarin is aangegeven dat de passage uit de pleitnota hierover als niet voorgedragen kan worden beschouwd. Volgens Spirits volgt daaruit dat FKP heeft ingestemd met de uitbreiding van het debat met het beroep op bedrog, zodat het hof dit betoog niet wegens strijd met de twee-conclusie-regel buiten beschouwing mocht laten. Spirits heeft hier zodoende het oog op de uitzondering op de twee-conclusie-regel die geldt wanneer de wederpartij ondubbelzinnig met de rechtsstrijd heeft ingestemd [63] .
nietheeft aanvaard: “FKP maakt uitdrukkelijk bezwaar tegen de herroepingsgrond bedrog. Dat is nieuw en een vermeerdering van eis, hetgeen niet kan bij pleidooi” (p-v, blz. 3, vierde aandachtsstreepje van onderen). De raadsman van Spirits heeft bij brief van 15 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen die passage, maar blijkens een e-mail van (de griffier van) het hof van 31 mei 2018 is dat bezwaar niet gehonoreerd [64] , zoals FKP in haar s.t. onder 128 terecht aanvoert.
K/ […]volgt dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of een inhoudelijke reactie op een tardieve grief kan worden aangemerkt als een ondubbelzinnige instemming [65] . Spirits wijst alleen op een mededeling van FKP dat de passage uit haar pleitnota met het bezwaar tegen de tardieve grief als niet voorgedragen kan worden beschouwd. Het niet voordragen van een verweer kan niet (zonder meer) op één lijn worden gesteld met een ondubbelzinnige instemming. Ook in dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof hier geen ondubbelzinnige instemming van FKP heeft aangenomen. Daar ketsen de klachten op af.
subonderdeel 5.2(tweede en derde tekstblok) heeft het hof miskend dat Spirits zich al in haar AD2 heeft beroepen op de volgende, door het hof in het kader van het beroep op bedrog besproken, omstandigheden: (i) de onjuiste vertaling van notulen van de vergadering van de oprichters [66] , (ii) de onterechte beschuldiging van [betrokkene 5] van maffiapraktijken en strafbare feiten [67] , (iii) de uitspraken van het Arbitrazh Court [68] , (iv) de invallen door de Russische Federatie en inbeslagname van stukken waardoor Spirits, naar zij heeft aangevoerd, vergaand in haar bewijspositie is benadeeld [69] en (v) het bedrog van de Russische Federatie in de Yukos-zaak [70] .
algemeenberoep op de versoepelde leer van de bindende eindbeslissing; de omstandigheden (i) tot en met (v) worden hierin
niet specifiekgenoemd en evenmin is aangevoerd dat zich een herroepingsgrond zou voordoen. Het algemene beroep op de versoepelde leer van de bindende eindbeslissing is door het hof – volgens mij terecht, zoals ik bij de bespreking van subonderdeel 2.1 heb toegelicht – in rov. 20-24 verworpen.
subonderdeel 5.5zou het hof hebben miskend dat in deze zaak niet aan de orde is of herziening van het arrest 2012 mogelijk is, maar of het hof van de daarin genomen eindbeslissingen dient terug te komen.
novumvormen. Dat Spirits zich al in 2006 op de invallen heeft beroepen bevestigt dat oordeel.
novum.
verbandmet betrekking tot de grond voor bedrog onder (1). Het hof heeft in dat kader overwogen dat het ontbreken van documenten in het arrest 2012 niet van doorslaggevende betekenis is geacht voor de beslissing dat geen sprake was van een rechtsgeldige transformatie van VVO en de beslissing dat Spirits ten tijde van de overdracht van de merkrechten niet te goeder trouw was ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van ZAO. Dit betekent volgens Spirits niet dat de door toedoen van FKP achtergehouden documenten of de door haar ingenomen oneerlijke proceshouding geen ander licht kan werpen op de door het hof in het arrest 2012 omtrent de geldigheid van de transformatie gegeven eindbeslissing [79] . Zij wijst in dat verband op het oordeel in rov. 15.16 van het arrest 2012 dat niet is gesteld of gebleken dat aan de op grond van het recht van de USSR geldende vereisten voor transformatie is voldaan. Verder merkt zij op dat in rov. 15.21 van het arrest 2012 betekenis is toegekend aan de verklaring van [betrokkene 3] , die gelet op de in rov. 30 onder (3) aangehaalde stellingen van Spirits in een ander daglicht is komen te staan.
“founders meeting”van 19 december 1990 en (ii) dat evenmin was voldaan aan een aantal andere, naar USSR-recht voor een rechtsgeldige transformatie geldende vereisten [81] . Die overwegingen dragen, wat er verder zij van de verklaring van [betrokkene 3] , het oordeel in rov. 37 van het arrest 2018 dat hier geen sprake is van het voor herziening vereiste verband [82] .
novain verband met de oneerlijke proceshouding. Zij wijst op haar, door het hof in rov. 30 onder (3) onderkende, stelling dat FKP in de procedure in Australië heeft erkend dat onder meer [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] de transformatie tot 2000 als geldig hebben aangemerkt [83] . Hieruit zou blijken dat FKP oneerlijk handelde door daarvan bij de eerder overgelegde verklaringen geen melding te maken. Het hof zou miskennen dat in zoverre sprake is van een (voor 26 januari 2012 niet bekend)
novum.
novumoplevert. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk dat de beslissing in het arrest 2012 anders zou zijn uitgevallen als het hof op de hoogte zou zijn geweest van hetgeen de advocaat van FKP/FGUP in de Australische procedure heeft verklaard.
subonderdeel 5.8(tweede tekstblok) heeft het hof in rov. 38 bovendien het volgende miskend. Naar mate Spirits door middel van getuigenverklaringen van [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] beter kon onderbouwen dat de door FKP overgelegde verklaringen van deze personen onbetrouwbaar zijn en daarmee de houding van de officiële instellingen nog overtuigender leek te wijzen op de geldigheid van de transformatie [84] , des te eerder bestond voor het hof aanleiding om zijn eindbeslissing in het arrest 2012 te heroverwegen. Spirits meent dat de oneerlijke proceshouding van FKP aannemelijk maakt dat de beslissing in het arrest 2012 anders zou zijn uitgevallen wanneer het hof daarmee bekend zou zijn geweest.
nova.
Brazilië en Australiëuitsluitend geoordeeld dat het hier gaat om omstandigheden die van voor 26 januari 2012 dateren en waarvan Spirits niet heeft gesteld dat zij deze pas nadien heeft ontdekt en heeft kunnen ontdekken. Deze omstandigheden hadden dus al in het eerste hoger beroep naar voren gebracht kunnen en moeten worden. Het hof is daarom niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de stelling dat FGUP in deze zaken als eiseres is opgetreden. Dat Spirits voor 26 januari 2012 niet op de hoogte was van de verklaring van de Australische advocaat van FKP/FGUP maakt dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Spirits doelt hier op de in rov. 38 genoemde verklaring van de Australische advocaat over de getuigenverklaringen van [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Het gaat in rov. 43 evenwel over de stelling dat FGUP in Australië als eiser optrad. Dat moet vanaf de aanvang van de procedure duidelijk zijn geweest en de genoemde verklaring van de Australische advocaat had daarop geen betrekking. De procedure in de
Verenigde Statenis naar de vaststelling van het hof na 2012 gestart. Het hof heeft vastgesteld dat in die zaak de Russische Federatie als eiser optreedt (en dus niet FGUP, zoals de klacht vermeldt). Die omstandigheid is naar het oordeel van het hof niet in strijd met het standpunt van FKP in deze procedure. Volgens mij heeft het hof op goede gronden tot dat oordeel gekomen. In onze zaak wordt er immers vanuit gegaan dat de VO-merken nu door FKP beheerd staatseigendom zijn van de Russische Federatie (rov. 46).
subonderdeel 6.1miskent het hof dat de eindbeslissingen in het arrest 2012 geen betrekking kunnen hebben op de merken waarop de in het vonnis 2015 toegelaten eiswijziging betrekking heeft [86] .
in eerste aanleg(2). De rechtsstrijd werd dus niet beperkt door het grievenstelsel en de twee-conclusie-regel. Er was ook
geen sprake van een procedure na cassatie en verwijzingbedoeld in art. 424 Rv Pro (zie hiervoor de bespreking van subonderdeel 2.1). Met de in het subonderdeel genoemde stellingen wordt betoogd dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en de verdediging van Spirits onevenredig zou bemoeilijken. Deze stellingen betreffen de wijze waarop toepassing is gegeven aan art. 130 lid 1 Rv Pro en vallen daarmee onder de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod. Met het argument dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 130 Rv Pro is getreden, doet Spirits kennelijk een beroep op de doorbrekingsjurisprudentie. Zij lijkt er daarmee aan voorbij te zien dat deze rechtspraak niet geldt voor het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv Pro. Het subonderdeel treft daarom volgens mij geen doel.
andereverjaringsargumenten gebaseerd op
anderetermijnen en feiten voor de rechtbank Rotterdam te kunnen voeren. Daarnaast betoogt Spirits (anders dan haar vorige advocaat) dat de goederenrechtelijke revindicatie hier geen opgeld doet en enkel gekeken moet worden naar het gesloten stelsel van de Benelux Merkenwet. Allemaal andere argumenten gebaseerd op andere feiten en regelgeving, die zij thans niet meer heeft kunnen voeren omdat de eiswijziging is toegestaan.”
subonderdeel 8.3is onbegrijpelijk dat inbreuk door het gebruik van de merken STOLI en STOLI CITRONA valt onder het in de cvr1 gevorderde ruime inbreukverbod. Met de vordering sub III van het petitum wordt een stakingsbevel gevorderd ten aanzien van “iedere inbreuk op de merkrechten van eiseres ten aanzien van de onder I en II genoemde merken.” Spirits wijst erop dat de merken STOLI en STOLI CITRONA onder I en II van het petitum niet worden genoemd.
wist of redelijke gronden had om te wetendat hij inbreuk pleegde. Dus bij geobjectiveerde wetenschap van inbreuk bestaat recht op schadevergoeding; anders gezegd in commuun civielrechtelijk vakjargon: dan kan worden toegerekend.
wist of redelijkerwijs had moeten wetendat hij inbreuk pleegde. Dat kan overigens ook een
notional royalty-basedbenadering zijn (art. 13 lid 1 sub a en Pro b). [98] .
optionelebepaling over winstafdracht. Aanspraak op afdracht door de inbreukmaker van met de inbreuk genoten winst aan de rechthebbende bestaat (ook) als de inbreukmaker
niet wist of redelijkerwijs moest wetendat hij inbreuk pleegde [101] . Anders gezegd: als geen sprake is van geobjectiveerde wetenschap van inbreuk bij de merkinbreukpleger (en dus geen aanspraak bestaat op schadevergoeding voor de benadeelde), kan (optioneel) aanspraak bestaan op winstafdracht.
naast of in plaats van schadevergoedingeen vordering instellen tot afdracht van de met de merkinbreuk genoten winst [103] . Deze vordering wordt afgewezen als het
gebruik niet te kwader trouwis of de omstandigheden tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven [104] . Inbreukmakend gebruik is volgens het Benelux Gerechtshof (BenGH) niet te kwader trouw op de enkele grond dat de inbreukmaker het merk te kwader trouw heeft gedeponeerd [105] .
Ondeo/ […] [106] uitgelegd. Van gebruik te kwader trouw is slechts sprake bij een
moedwillig of opzettelijk gepleegde inbreuk(rov. 14). Dat is het geval als degene wiens handelen achteraf inbreukmakend wordt geoordeeld,
zich ten tijde van zijn handelen van het inbreukmakend karakter bewust is geweest. Eenieder die beroeps- of bedrijfsmatig in het economisch verkeer gebruik maakt van een teken, wordt geacht bekend te zijn met de inhoud van het merkenregister. Van bewustheid is geen sprake als degene wiens handelen achteraf inbreukmakend wordt geoordeeld, het verwijt van inbreuk
heeft bestreden met een verweer dat in redelijkheid niet als bij voorbaat kansloos valt aan te merken(rov. 15).
HBS Trading/Danestyle-arrest [108] . Of dit ook geldt onder Benelux-recht, is nog niet uitgemaakt [109] . Zie daarover nader de bespreking van subonderdeel 10.3.
subonderdeel 9.1heeft het hof miskend dat het vereiste van kwade trouw in de zin van art. 2.21 lid 4 BVIE niet moet worden uitgelegd in dezelfde zin als de “merkenrechtelijke kwade trouw” in rov. 3.6.5 van het HR-arrest 2013. Van kwade trouw in de zin van art. 2.21 lid 4 BVIE is volgens Spirits alleen sprake bij een opzettelijke of moedwillige inbreuk. In elk geval is van kwade trouw in art. 2.21 lid 4 BVIE geen sprake als de inbreukmaker niet wist, maar slechts behoorde te weten dat een derde tot het merk gerechtigd was, aldus deze rechtsklacht.
Subonderdeel 9.2komt op tegen het oordeel dat art. 2.21 lid 4 BVIE in overeenstemming zou moeten zijn met art. 45 lid 2 TRIPs Pro en art. 13 lid 2 HhRi Pro. Het subonderdeel is geformuleerd voor het geval het hof daarmee heeft bedoeld dat winstafdracht onder art. 2.21 lid 4 BVIE eveneens toewijsbaar is als de inbreukmaker niet wist en evenmin redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde. De klacht verduidelijkt dat dan door het hof is miskend dat de Benelux-wetgever de optionele bepaling over winstafdracht niet heeft geïmplementeerd en dat de rechter bij toepassing van art. 2.21 lid 4 BVIE niet bevoegd is in dat geval winstafdracht toe te wijzen.
Subonderdeel 9.3stelt dat gegrondbevinding van subonderdeel 9.1 ook het vervolgoordeel raakt, waarin het hof doorslaggevend acht dat Spirits niet te goeder trouw was ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van ZAO om de in het arrest 2012 genoemde reden en dus wist,
althans behoorde te wetendat FKP tot de merken gerechtigd was. Dat laat volgens de klacht de mogelijkheid open dat hoewel geen sprake is van wetenschap, maar van behoren te weten er in dat laatste geval sprake kan zijn van moedwillige inbreuk, hetgeen als betoogd in subonderdeel 9.1 onjuist zou zijn. Dit is een voortbouwende klacht zonder zelfstandige betekenis, die in mijn visie op dezelfde klip loopt als de vorige klacht.
subonderdeel 9.5miskend dat van kwade trouw geen sprake is als degene wiens handelen achteraf inbreukmakend wordt geoordeeld het verwijt van inbreuk heeft bestreden met een verweer dat in redelijkheid niet als bij voorbaat kansloos kan worden aangemerkt [112] . Dat Spirits ten aanzien van haar goede trouw bij de overdracht van de merken in het vonnis 2006 en het arrest 2012 in het ongelijk is gesteld, zou volgens de klacht niet meebrengen dat haar verweer dat niet FKP, maar Spirits gerechtigd was tot de VO-merken bij voorbaat kansloos was en het hof zou dat ook niet vastgesteld hebben. Het hof beoordeelt wel het verweer dat gebruik van de tekens STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA geen verwarring zou wekken als bij voorbaat kansloos, maar niet dat Spirits en niet FKP gerechtigd was tot de VO-merken, welk laatste verweer volgens de klacht zodoende impliciet als bij voorbaat kansloos wordt beschouwd door het hof. Spirits acht dit onbegrijpelijk en wijst hierbij op de aanzienlijke omvang van het partijdebat op dit punt.
Subonderdeel 9.6komt ook op tegen de vaststelling dat Spirits wist, althans behoorde te weten, dat FKP tot de VO-merken gerechtigd was. Volgens het subonderdeel bestond FKP ten tijde van de overdracht op 20 oktober 1999 nog niet. FKP is namelijk pas opgericht op 9 april 2002 (datum van registratie van de statuten) of in elk geval niet eerder dan 29 december 2001 (decreet met besluit tot oprichting), zo zou volgen uit rov. 4.2 onder (xx) van het arrest 2012. Verder zou haar pas sinds 9 april 2002 de bevoegdheid toekomen om in rechte op te treden ter zake van het operatief beheer van de VO-merken als staatseigendom van de Russische Federatie, zo stelt Spirits onder verwijzing naar rov. 7.18 van het arrest 2012. In dat licht zou ook de toewijzing van de winstafdracht over de periode tussen 20 oktober 1999 en de oprichtingsdatum van FKP (9 april 2002) onjuist of onbegrijpelijk zijn. Spirits kan immers geen merkinbreuk hebben gepleegd in de verhouding tot een toen nog niet bestaande partij.
Onderdeel 10is gericht tegen het oordeel in rov. 83 dat de vraag of aanspraak kan worden gemaakt op winstafdracht naast schadevergoeding hier geen beantwoording behoeft en dat dit zo nodig in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen.
subonderdeel 10.1heeft het hof miskend dat het al in de hoofdprocedure had moeten beslissen over de grondslag waarop verwijzing naar de schadestaat plaatsvindt. Dat zou in ieder geval gelden voor de in het dictum “doorgeschoven” vraag of, en zo ja in hoeverre, schadevergoeding toewijsbaar is naast winstafdracht.
Subonderdeel 10.2betoogt dat het hof miskent dat in een schadestaatprocedure slechts de schade kan worden vastgesteld die de schuldenaar moet voldoen. In een schadestaatprocedure kan volgens de klacht niet de winst worden vastgesteld die een inbreukmaker op de voet van art. 2.21 lid 4 BVIE dient af te dragen. Althans geldt dit voor winst die moet worden afgedragen naast schadevergoeding.
Subonderdeel 10.3klaagt dat “althans/bovendien” is miskend dat winstafdracht volgens art. 2.21 lid 4 BVIE niet naast schadevergoeding kan worden toegewezen. In ieder geval is deze cumulatie naar de mening van Spirits niet onbeperkt mogelijk, maar zou slechts het grootste van beide bedragen kunnen worden toegewezen.
HBS Trading/Danestyleis voor
auteursrechtelijkewinstafdracht uitgemaakt dat naast winstafdracht schade van andere aard, niet bestaande in gederfde winst ten gevolge van de verkoop van inbreukmakende producten (zoals reputatieschade of buitengerechtelijke kosten), (onbeperkt) toewijsbaar kan zijn [115] . In de literatuur bestaat discussie over de vraag of onder het BVIE een verdergaande cumulatiemogelijkheid bestaat [116] . We zagen al dat dit nog geen uitgemaakte zaak is. Er is wel verdedigd dat onder de vigeur van (art. 13A lid 4 van) de BMW – die toepasselijk blijft op inbreuken voor 1 september 2006 [117] – verdergaande cumulatie van winstafdracht en schadevergoeding mogelijk is [118] . Een aanwijzing uit de feitenrechtspraak vond ik in de eerder aangehaalde uitspraak van de Haagse rechtbank in de zaak
Wrangler/Dogg Label: de winstafdrachtregeling uit art. 2.21 lid 4 BVIE heeft een bredere doelstelling dan zuivere compensatie van nadeel, namelijk het ontmoedigen van inbreuk. Volgens de rechtbank verklaart dit andere karakter ook waarom in art. 2.21 lid 4 de strenge eis van moedwillige inbreuk wordt gesteld, terwijl TRIPs en de Handhavingsrichtlijn die eis niet stellen [119] . Ook dit wijst bepaald niet in de richting van onmogelijkheid of beperking van cumulatiemogelijkheden.
acte clair.
HBS Trading/Danestyle.
Subonderdeel 10.4bepleit dat de veroordeling tot betaling van schadevergoeding “indien en voor zover toewijsbaar naast winstafdracht” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. Spirits betoogt het volgende. FKP heeft gevorderd Spirits te veroordelen tot
winstafdracht naast schadevergoeding(petitum onder f en rov. 82-82). In rov. 83 overweegt het hof dat de vraag of aanspraak gemaakt kan worden op winstafdracht naast schadevergoeding in de schadestaat aan de orde kan komen. In het dictum draait het hof het vervolgens om, en wijst het schadevergoeding toe indien en voor zover toewijsbaar naast winstafdracht. Dit is niet (zonder meer) hetzelfde en kan tot een verschillend eindresultaat leiden. Het hof heeft dus ten onrechte een vordering toegewezen die niet was ingesteld althans is de toewijzing onbegrijpelijk omdat deze afwijkt van de vordering van FKP op dit punt.
alsmedewinstafdracht. De vordering luidt zo (zie rov. 16):
alsmede tot afdracht vande (bruto) winst die Spirits sinds 20 oktober 1999 heeft gemaakt door de verkoop van wodka in de Benelux onder gebruikmaking van de onder a. en b. genoemde merken met gelding in de Benelux.”
Subonderdeel 10.5houdt in dat gegrondbevinding van één of meer klachten van onderdeel 10 ook de toewijzing van de opgaveverplichting in rov. 84 en punt 4.8b van het dictum raakt. Deze voortbouwende klacht mist zelfstandige betekenis, zodat deze geen bespreking behoeft.
eerste onderdeelheeft het hof het recht geschonden door de versie van 1 april 2017 van de indicatietarieven IE toe te passen, en niet de versie van 1 januari 2015 van die indicatietarieven. FKP licht dit als volgt toe. Het arrest was voor 1 april 2017 bepaald. Het hof had daarom dienen te beslissen dat de indicatietarieven van 1 januari 2015 toepasselijk zijn. Bij de begroting van de redelijke en evenredige kosten had het hof paragraaf 6 onder (d) van de indicatietarieven van 2015 moeten toepassen en ambtshalve dienen te beoordelen of het resultaat daarvan (te weten: het door FKP gevorderde bedrag aan proceskosten, omdat de door FKP gevorderde proceskosten zijn onderbouwd en Spirits het gevorderde niet heeft bestreden) als “redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten” in de zin van art. 14 Handhavingsrichtlijn Pro kunnen worden aangemerkt. Daarbij had het hof in aanmerking moeten nemen dat het gevorderde bedrag door Spirits niet is betwist en dat Spirits zelf aanspraak heeft gemaakt op een bedrag dat ongeveer 1.75 keer zo hoog is. FKP wijst in dat verband verder op het door het HvJ EU erkende rechtszekerheidsbeginsel.
tweede onderdeelverdedigt dat het hof partijen op grond van het beginsel van hoor en wederhoor in de gelegenheid had moeten stellen zich over de nieuwe indicatietarieven uit te laten. Dit zou temeer gelden nu de nieuwe indicatietarieven ten tijde van het pleidooi nog niet bekend waren.
derde onderdeelstelt dat de beslissing van het hof in strijd zou zijn met het evenredigheidsvereiste van art. 14 HhRi Pro. Gezien het door FKP gevorderde bedrag (€ 178.707,91) en de wijze waarop dit door FKP is onderbouwd, is onbegrijpelijk dat het bedrag van € 40.000 is aangemerkt als een significant en passend deel van de gemaakte kosten. Ook in dit verband wijst FKP op het bepaalde in art. 6 onder Pro (d) van de versie 2015 en het feit dat de nieuwe indicatietarieven ten tijde van het pleidooi niet bekend waren.
LMR Advocaten/LR Advocaten [126] is beslsit dat de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan ambtshalve dienen te worden beoordeeld. Het hoogste indicatietarief bedroeg in de versie 2015 € 25.000 (bodemzaak met pleidooi). In de versie 2017 is het hoogste tarief € 40.000 (complexe zaken) [127] . Het hof heeft in rov. 83 aansluiting gezocht bij dit laatste tarief.
“Indien de gevorderde proceskosten wel zijn onderbouwd zoals bedoeld in punt 5, en het gevorderde wordt niet bestreden, dan zal de opgave die aan de vordering ex artikel 1019h Rv ten grondslag wordt gelegd, in beginsel worden gevolgd.”Het hof was echter niet gehouden toepassing te geven aan deze bepaling. Nog daargelaten dat de indicatietarieven hoe dan ook geen bindende regeling zijn, is de bepaling in art. 6 onder Pro (d) van de versie 2015 achterhaald door het genoemde arrest van 4 december 2015. In dat arrest is namelijk beslist dat de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan ambtshalve dienen te worden beoordeeld. Op dat arrest hebben partijen bij hun pleidooi van 16 februari 2017 kunnen ingaan. Van een schending van hoor en wederhoor is dus geen sprake. Het hof was, anders dan FKP stelt, evenmin gehouden om de kostenopgave van Spirits bij zijn beoordeling mee te wegen.
complex. Hogere bedragen – dus boven het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie – worden alleen in bijzondere gevallen toegewezen (punt 7b van de indicatietarieven). Volgens mij zijn zodanige bijzondere omstandigheden in deze cassatie niet aan de orde. De omvang van het dossier en het aantal klachten is al in aanmerking genomen bij de kwalificatie van de zaak. De omstandigheden dat mondeling is gepleit en dat de werkelijke kosten hoger zijn, acht ik onvoldoende bijzonder om af te wijken.