Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 18 december 2018
[appellant] B.V.,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
In de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.4 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn door partijen geen bezwaren gericht, zodat het hof ook in hoger beroep van die feiten zal uitgaan.
Medewerkers moeten zich ervan weerhouden cadeaus te geven of te ontvangen in omstandigheden waarvan men in redelijkheid kan verwachten dat dit de ontvanger in onredelijke mate beïnvloedt of een zakelijke verplichting creëert. Door ervoor te zorgen dat de leidinggevende van de medewerker op de hoogte is van gegeven of verkregen cadeaus zorgt voor openheid en voorkomt de schijn van belangenverstrengeling.’ Verder heeft [geïntimeerde] in 2014 een aantal interne trainingen gevolgd waarbij het integriteitsbeleid van [appellant] uitvoerig is besproken en waarvan de presentaties aan alle deelnemers zijn nagezonden. Tijdens de trainingen is onder meer aandacht geschonken aan het aannemen van ‘kickbacks’, giften en cadeaus en is benadrukt dat dergelijk handelen binnen [appellant] ontoelaatbaar is en dat van de werknemers van [appellant] volledige transparantie wordt verwacht.
Van der Gulik/Vissers(HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057) is geoordeeld dat een schorsing of een op non-actiefstelling een oorzaak is die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen, ook indien de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de maatregel. In zijn
Wilco-beschikking van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1209) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat de in het arrest
Van der Gulik/Vissersgenoemde argumenten niet eraan in de weg staan dat het hof, in de situatie dat een ontslag op staande voet in eerste aanleg wordt vernietigd en in hoger beroep alsnog als rechtsgeldig gegeven wordt beschouwd, de artikelen 7:627 en 7:628 lid 1 BW ten grondslag legt aan het oordeel dat een op staande voet ontslagen en vervolgens niet tot het werk toegelaten werknemer, geen recht op loon toekomt.
Wilco-beschikking, zijn ook overeenkomsten aan te wijzen. Nu is geoordeeld dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan worden geconcludeerd dat [appellant] er destijds voor had kunnen kiezen om [geïntimeerde] (onverwijld) op staande voet te ontslaan. In dat geval zou het recht op betaling van loon met onmiddellijke ingang zijn geëindigd. [appellant] heeft geen ontslag op staande voet gegeven, maar zij heeft ervoor gekozen een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen op grond van ernstig verwijtbaar handelen, waardoor de aanspraak op loon bleef bestaan totdat de overeenkomst zou worden ontbonden. In de
Wilco-beschikking is geoordeeld dat aan de werknemer geen recht op loon toekwam vanaf de datum van ontslag op staande voet, in de situatie waarin het hof in hoger beroep tot het oordeel was gekomen dat de werknemer terecht op staande voet was ontslagen en de kantonrechter ten onrechte het ontslag had vernietigd. De wetgever heeft in de mogelijkheid voorzien dat de arbeidsovereenkomst, indien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, op grond van artikel 7:671b lid 8, aanhef en sub b, BW met onmiddellijke ingang kan worden ontbonden, namelijk met ingang van de datum van de beschikking in eerste aanleg. In dit geval is de beschikking gegeven op 18 januari 2018. Het ligt in de rede dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang zou hebben ontbonden, indien was geoordeeld dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar had gehandeld. Tegen die achtergrond en naar analogie van de
Wilco-beschikking acht het hof het oordeel gerechtvaardigd dat [geïntimeerde] vanaf 18 januari 2018 geen werk heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor zijn rekening behoort te komen. Verzoek 5 zal daarom worden toegewezen zoals vermeld in het dictum. Aangezien het verzoek tot veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het loon over de periode vanaf 18 januari 2018 tot en met 28 februari 2018 zal worden toegewezen, heeft [appellant] geen zelfstandig belang meer bij de verzochte verklaring voor recht dat zij het loon onverschuldigd heeft betaald.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: