Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 1 mei 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant],
appellant,
Stichting Woonstad Rotterdam,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(2.1) [appellant] huurt sinds 10 juni 2011 van Woonstad de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna de woning of het gehuurde). In de van toepassing zijnde Algemene huurvoorwaarden is onder meer (in artikel 6.4) opgenomen dat het huurder verboden is om verdovende middelen in het gehuurde te hebben en/of in het gehuurde te (laten) handelen en/of andere op basis van de Opiumwet (Ow) strafbare gedragingen te plegen.
(2.2) [appellant] is van 10 november 2014 tot 10 maart 2015 gedetineerd geweest wegens drugs-gerelateerde delicten.
(2.3) [appellant] is op 10 juni 2015 door de politie aangehouden en daarna opnieuw gedetineerd geraakt. Blijkens het relaas van de politie had [appellant] bij zijn staande houding op 10 juni op straat gripzakjes met 18 bolletjes bij zich, welke bolletjes leken op cocaïne en/of heroïne. Dezelfde dag heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden in aanwezigheid van de rechter-commissaris. Op diverse plaatsen in de woning werden verdovende middelen en/of versnijdingsmiddelen aangetroffen, die waren verstopt (op het balkon bolletjes wit, bruin en roze poeder plus 1 zak met meerdere wit gekleurde grof gebroken brokken; in de berging 2 zakken met bruin poeder; in de kledingkast in de slaapkamer zakjes met respectievelijk witte, blauw en geel gekleurde pillen en bolletjes met wit poeder). De in de woning en op het balkon aangetroffen hoeveelheid gripzakjes bleken na onderzoek indicatief cocaïne en heroïne te bevatten. In de keukenlade werd een klein digitaal weegschaaltje met veegresten cocaïne en heroïne aangetroffen, in de prullenmand plastic verpakkingsmateriaal.
Bij vonnis van 11 september 2015 is [appellant] in verband met overtreding van de Ow veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van voorarrest.
(2.4) Bij besluit van 3 augustus 2015 is het gehuurde op last van de burgemeester voor 12 maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Ow. Het bezwaar van [appellant] hiertegen is op 5 januari 2016 afgewezen, waarna het beroep door de rechtbank ongegrond is verklaard bij beslissing van 3 januari 2017. [appellant] heeft hiervan hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
(2.5) Bij brief van 4 augustus 2015 heeft Woonstad de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro buitengerechtelijk ontbonden.
dat (i) spoedeisend belang aanwezig is,
dat (ii) beoordeeld moet worden of in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Woonstad in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is daarop vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening,
dat (iii) dat voor buitengerechtelijke ontbinding niet is vereist dat [appellant] een tekortkoming kan worden verweten,
dat (iv) niet hoeft te worden gewacht tot het bevel van de burgemeester tot sluiting van het gehuurde voor 12 maanden onherroepelijk is.
Volgens het voorlopig oordeel van de kantonrechter mocht Woonstad de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden. De kantonrechter achtte deze ordemaatregel gerechtvaardigd. Van onevenredige schending van de belangen van [appellant] was, aldus de kantonrechter geen sprake.
De grieven
Beoordeling van grief I
Beoordeling van grief II, IIa, III en IV
een tekortkoming die de huurder kan worden verweten,wil de verhuurder van deze mogelijkheid gebruik maken. De wet eist slechts dat er sprake is van een tekortkoming. De buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst heeft aldus plaatsgevonden overeenkomstig de wettelijke regeling van genoemd artikel. Van nietigheid is dan ook geen sprake.
Overigens zal bij de noodzakelijke afweging van de betrokken belangen, mede bezien tegen de achtergrond van het in artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op respect voor de woning van een persoon, wel een rol dienen te spelen in hoeverre de huurder ([appellant]) een verwijt treft. Het hof zal op dit aspect later ingaan.
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 711,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
M.P.J. Ruijpers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.