Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 16 juli 2019
[naam 1] ,
Meram Rotterdam West B.V.,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
“rekening-courantovereenkomst (geldleningsovereenkomst)”is kort gezegd vastgelegd dat [verzoeker] , [broer 2] en [broer 1] tot genoemde datum resp. € 89.442,-, € 88.000,- en € 95.000,- aan privé-opnames uit Meram Zuid hebben gedaan, dat deze opnames worden omgezet in een geldlening (in rekening-courant) en dat [verzoeker] , [broer 2] , [broer 1] en [verzoeker] Holding zich tot hoofdelijk medeschuldenaar verklaren voor het totaal van de opnames, € 272.442,-. Over deze geldlening is een rente verschuldigd van 4% per jaar.
primaireen bedrag van € 385.695,- (het totaal van de rekening-courantschuld inclusief rente waarvoor [verzoeker] op grond van de overeenkomst van 24 december 2015 hoofdelijk aansprakelijk is en het hiervoor genoemde kasverschil bij Meram West van € 96.688,54 waarvoor [verzoeker] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is), subsidiair een bedrag van € 289.006,47 (het totaal van de rekening-courantschuld inclusief rente) en meer subsidiair een bedrag van € 89.442,- (zijnde het aandeel van [verzoeker] in bedoelde rekening-courantschuld).
- Meram West op straffe van de verbeurte van een dwangsom te veroordelen de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juni 2018 of een door het hof te bepalen datum te herstellen;
- Een voorziening te treffen voor het geval de datum van herstel wordt gesteld op een datum na 1 juni 2018, inhoudende dat Meram West over de tussenliggende periode een vergoeding verschuldigd is van € 1.239,25 bruto met 8% vakantietoeslag per maand en dat aan [verzoeker] een leaseauto ter beschikking wordt gesteld;
- Meram West te veroordelen [verzoeker] op straffe van de verbeurte van een dwangsom te veroordelen weer toe te laten tot zijn gebruikelijke werk;
- Meram West te veroordelen tot betaling van (1) de maximale wettelijke verhoging over het achterstallige loon en de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, (2) een transitievergoeding van € 2.230,65 bruto en (3) een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto;
- Te verklaren voor recht dat de [verzoeker] de leaseauto niet eerder hoeft in te leveren dan per de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgelding zal zijn geëindigd;
- dat [naam 3] in september 2015 ten behoeve van [verzoeker] en diens broers [broer 1] en [broer 2] in Turkije een appartement heeft gekocht. Daarbij is de afspraak gemaakt dat [verzoeker] en zijn broers de koopprijs, die door [naam 3] was voorgeschoten, in de periode september 2015 – september 2017 in maandelijkse termijnen zouden terugbetalen, waarna Kaylon het appartement aan hen zou (door)leveren;
- dat [verzoeker] en zijn broers deze maandelijkse aflossingen tot en met september 2017 hebben gedaan. Dit geschiedde hoofdzakelijk per bank door [broer 1] , maar ook wel contant. Deze contante betalingen werden soms (
- dat [verzoeker] en zijn broers in september 2017, toen de laatste termijn in zicht kwam, aan [naam 3] hebben verteld dat zij problemen hadden gekregen met [de eigenaar] , dat de betalingen in 2017 daarom geheim moesten blijven en dat het appartement daarom na betaling van de slottermijn moest worden geleverd aan een stroman;
- dat de levering aan deze stroman op 22 september 2017 heeft plaatsgevonden en dat [verzoeker] en zijn broers [naam 3] toen hebben verteld
in gelduit te betalen deel van het loon (tijdig) te voldoen. Dit betekent dat [verzoeker] over dit deel in beginsel aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro en op vergoeding van de wettelijke rente. De grieven 1 en 2 van in het incidenteel appel falen derhalve. De door Meram West gevorderde verklaring voor recht zal bij die stand van zaken worden afgewezen.