Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was werkzaam als directeur legal & compliance bij een Luxemburgse vennootschap ([D]) en hield een 5% belang in deze vennootschap. De Inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2013 op waarbij slechts gedeeltelijke voorkoming van dubbele belasting werd verleend, omdat belanghebbende niet als statutair bestuurder van [D] werd gezien.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat hij wel als bestuurder moest worden aangemerkt, en dat Nederland de kwalificatie van Luxemburg moest volgen bij voorkoming van dubbele belasting. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat het begrip “lid van de raad van bestuur” in het verdrag formeel moet worden uitgelegd volgens Nederlands recht, waarbij belanghebbende niet voldeed aan het formele criterium van benoeming als bestuurder.
Verder werd vastgesteld dat de hoorplicht in de bezwaarprocedure was geschonden omdat de Inspecteur niet duidelijk had nagevraagd of belanghebbende nog wilde worden gehoord na ambigue e-mailcorrespondentie. Desondanks werd aan schending van de hoorplicht voorbijgegaan omdat belanghebbende niet was benadeeld: feiten stonden vast en de discussie ging om juridische kwalificatie.
Belanghebbende deed ook een beroep op het attractiebeginsel en op een materiële uitleg van het bestuurdersbegrip, maar deze werden verworpen. Ook een beroep op toepassing van artikel 15 (zelfstandige arbeid) werd niet gevolgd wegens gebrek aan feiten. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.