Belanghebbende, woonachtig in Nederland, bezit een woning in Zwitserland en betwist de hoogte van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting die door de Inspecteur is verleend voor het jaar 2017. De Inspecteur verleende een aftrek van €873, terwijl belanghebbende een hogere aftrek van €1.057 vordert. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak.
Het Hof overweegt dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland bepaalt dat Zwitserland het heffingsrecht heeft over inkomsten uit onroerende zaken, maar Nederland deze inkomsten mag betrekken in de grondslag voor de vermogensrendementsheffing. Nederland dient dan een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen, berekend volgens de Nederlandse wetgeving, met name het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.
Belanghebbendes stelling dat het Besluit onverbindend is en leidt tot willekeur wordt verworpen. De herziening van het forfaitaire rendement per 1 januari 2017, waardoor sprake is van een progressief rendement, rechtvaardigt een lagere aftrek dan in voorgaande jaren. Het Hof oordeelt dat Nederland niet in strijd met het verdrag handelt en dat de forfaitaire berekening passend is, ook zonder mogelijkheid tot tegenbewijs. Verder faalt het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het Hof concludeert dat de Inspecteur de aftrek correct heeft vastgesteld en bevestigt het vonnis van de Rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.