ECLI:NL:GHDHA:2021:2113
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing dwangsom en schadevergoeding bij vertraagde aanslag OZB
Belanghebbende verzocht de Heffingsambtenaar om oplegging van de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2019 en maakte aanspraak op schadevergoeding wegens vertraging. De Heffingsambtenaar legde de aanslag uiteindelijk op tijdens de procedure. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, wees verzoeken om dwangsom en schadevergoeding af en beval vergoeding van het griffierecht.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat zij nog belang had bij de procedure vanwege haar schadevergoedingsverzoeken. Het Hof oordeelde dat het belang bij het opleggen van de aanslag was komen te vervallen omdat deze was opgelegd. Het Hof bevestigde dat geen dwangsom was verbeurd, omdat de aanslag een beschikking van rechtswege is en de termijnoverschrijding niet automatisch tot een dwangsom leidt.
Belanghebbende stelde materiële schade te hebben geleden door vertraging in de woonkostentoeslag en immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof vond het causaal verband niet aannemelijk en concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.