ECLI:NL:GHDHA:2023:1788
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardedaling kampeerauto voor BPM en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen omdat de waardedaling van zijn kampeerauto was berekend aan de hand van een afschrijvingstabel voor gesloten bestelauto’s. De rechtbank oordeelde dat de waardedaling van een kampeerauto anders verloopt dan die van een bestelauto, en dat de Inspecteur terecht was uitgegaan van de kampeerauto. Belanghebbende stelde dat het arrest van de Hoge Raad hierover in strijd is met het Unierecht en dat prejudiciële vragen gesteld hadden moeten worden, maar het hof verwierp dit.
Verder werd belanghebbende een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank had de redelijke termijn vanwege de coronacrisis met vier maanden verlengd, maar het hof oordeelde dat dit niet terecht was omdat het hoorgesprek pas na de lockdown plaatsvond. Desondanks werd de vergoeding van immateriële schade van € 2.000 gehandhaafd.
Het hof stelde vast dat de proceskostenvergoeding in eerste aanleg niet het juiste tarief per punt had toegepast en verhoogde deze vergoeding. Het hof wees ook het verzoek om een hogere vergoeding van materiële schade en proceskosten af, omdat bijzondere omstandigheden daarvoor ontbraken. De uitbetaling van toegekende vergoedingen aan belanghebbende werd niet door het hof beoordeeld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de proceskosten werden aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 837 per fase, met een wegingsfactor van 0,5.
Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag BPM voor de kampeerauto en wijst een hogere proceskostenvergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.